Het bewijsrecht

Bewijsregels vormen een instrument om de waarheid in een betwisting te achterhalen. Die waarheidsvinding is niet onbevangen. De juridische grondslag van het geschil bepaalt het kader waarbinnen de waarheidsvinding plaatsheeft, en het procesrecht kan beperkingen stellen aan het achterhalen van de waarheid door de rechter. De rechter moet nagaan of de voorgelegde stukken een geoorloofd bewijs uitmaken, de bewijswaarde ervan evalueren en de bewijskracht ervan respecteren. Door deze beperkingen ontstaat een spanningsveld tussen de juridisch gefixeerde waarheid en de waarheidsvinding. De vraag die hier centraal staat is of de bewijsregelen teveel beperkingen opleggen dan wel of zij noodzakelijk zijn voor een goede en efficiënte rechtsbedeling. Dit spanningsveld komt duidelijk tot uiting in het leerstuk van het geoorloofd bewijs en de zgn. Antigoonrechtspraak van het Hof van Cassatie, die sinds een arrest van 10 maart 2008 ook in burgerlijke zaken geldt. Het bewijs in strafzaken staat de laatste jaren meer en meer onder druk. De afbrokkeling van algemene bewijstheorieën en de toename van praktische knelpunten maken het duidelijk dat de huidige regelgeving niet adequaat is.


 
Inhoudsverantwoordelijke(n) : Vicky Verlinden