WAT MAAKT 'JOODSE LITERATUUR' TOT JOODSE LITERATUUR?
donderdag 15 mei 2003
Prof. dr. Irene Zwiep
Universiteit Amsterdam

Wanneer wij spreken over joodse literatuur, dan lijken wij te impliceren dat die literatuur iets bevat, wat haar ook daadwerkelijk joods maakt. Als dat zo is, dan zouden we dat joodse bestanddeel in de teksten in principe aan moeten kunnen wijzen. Dat blijkt in de praktijk echter lang niet altijd eenvoudig, en dat heeft verschillende oorzaken. Om te beginnen bestaat er in deze postmoderne tijden bitter weinig consensus over het begrip 'joods'. De tijden dat jodendom, en dus ook joodse literatuur, louter werden gedefinieerd in termen van religie en traditie lijken voorbij en er is allengs meer ruimte ontstaan voor meer individuele joodse identiteiten. Een vergelijkbare meerduidigheid zien we in de literatuur, en dat zeker niet alleen in de (post)moderne tijd. De literatuur van joden heeft nooit op zichzelf gestaan. Of het nu gaat om talmoedische aggada of om een Hebreeuwse roman uit de negentiende eeuw, het werk van joodse auteurs heeft altijd raakvlakken gehad met andere literaire tradities. Om in dat complexe spel van factoren de 'essentiƫle joodse component' aan te wijzen, vergt een goede definitie, veel kennis en geduldige lectuur. Om dit aan den lijve te ondervinden zullen we, aan de hand van literaire fragmenten uit verschillende perioden, op zoek gaan naar die essentiƫle component. Al was het maar om te ontdekken, dat op die zoektocht een sleutelrol is weggelegd voor de - al dan niet joodse - lezer.

Irene Zwiep is hoogleraar Hebreeuws, Aramees en Joodse Studies aan het Juda Palache Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Zij publiceert op het terrein van de middeleeuwse en (vroeg)moderne joodse cultuurgeschiedenis, en in het bijzonder over joods taalkundig denken.

 
Inhoudsverantwoordelijke(n) : jan.morrens