 |
 |
|
|
Peter De Meyer
Persverantwoordelijke
Universiteit Antwerpen
Stadscampus - HvL.108
Departement Communicatie
Prinsstraat 13
2000 Antwerpen
T +32 3 265 47 11
M +32 476 20 07 54
peter.demeyer@ua.ac.be
|
 |
|
|
|
 |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
De farmaceutische industrie heeft vandaag 100 kg
materiaal nodig om uiteindelijk 1 kg actief geneesmiddel te produceren. Die
inefficiëntie brengt de nodige problemen met zich mee. Met het CHEM21-project
wil Europa daar verandering in brengen. Wetenschappers gaan aan de slag om
geneesmiddelen groener en goedkoper te kunnen produceren. De Universiteit
Antwerpen is de enige Belgische onderzoekspartner in het prestigieuze project. De wetenschappers van de onderzoeksgroep Organische
Synthese, verbonden aan het Departement Chemie van de Universiteit Antwerpen,
zullen samen met collega’s uit Duitsland, Groot-Brittannië, Nederland en
Oostenrijk vier jaar werken aan het project CHEM21. De volledige titel luidt Chemical
manufacturing methods for the 21st century pharmaceutical industries. De
Europese Unie en de Europese farmasector (GSK, Pfizer, J&J, Sanofi, Bayer,
Orion) investeren samen 26,4 miljoen euro in het project.
“Als je 100 kg materiaal nodig hebt om 1 kg geneesmiddel te
maken, betekent dat onvermijdelijk dat er heel wat afval achter blijft”,
vertelt prof. Bert Maes (Universiteit Antwerpen). “Slecht voor het milieu, maar
het brengt ook met zich mee dat de ontwikkeling en de productie van
geneesmiddelen erg duur is. Milieu en economische aspecten gaan hier hand in
hand. Bovendien gebruikt de farmasector vandaag de dag heel wat edelmetalen in
zeer kleine hoeveelheden als katalysator. Met palladium bijvoorbeeld kunnen
reacties op een duurzame manier uitgevoerd worden, maar die voorraden slinken
enorm snel. Inzetten op alternatieven is dus nodig.”
CHEM21 wil Europese topacademici op het vlak van chemie en
duurzaamheid in contact brengen met de geneesmiddelenproducenten. Bedoeling is
nieuwe, duurzamere technologieën te ontwikkelen. Zo willen de wetenschappers
onder meer het gebruik van waardevolle, zeldzame metalen vermijden door te gaan
werken met grondstoffen zoals ijzer en koper, die ruim voldoende aanwezig zijn
op aarde.
Uiteindelijk moeten alle toekomstige wetenschappers ervan
bewust gemaakt worden dat geneesmiddelen op een groene manier geproduceerd
kunnen worden. Hierin wordt expliciet aandacht besteed in een werkpakket in het
project. Alleen via academisch onderwijs kan de toekomstige generatie chemici
leren uit de resultaten van dit project. Dit zal ertoe bijdragen dat de chemici
van morgen in heel Europa op een duurzamere manier gaan denken. “Europa en de
farmasector zien dit project, wellicht het grootste ooit op het vlak van
duurzame chemie, als een echt paradepaardje”, zegt Maes. “Wij zijn er als enige
Belgische onderzoeksgroep bij betrokken. Een hele eer, en het onderstreept bovendien onze internationale uitstraling
op het vlak van metaal gekatalyseerde reacties.”
De
onderzoeksgroep Organische Synthese ontwikkelt nieuwe synthesemethoden die
kunnen gebruikt worden voor de aanmaak van fijnchemicaliën die hun toepassing
vinden in alle aspecten van het dagelijkse leven (voeding, geneesmiddelen,
materialen).
Meer weten?
Prof. dr. Bert
Maes
Onderzoeksprofessor
Organische Synthese
Departement Chemie
Universiteit Antwerpen
Groenenborgerlaan 171
2020 Antwerpen
bert.maes@ua.ac.be 03 265 32 05
http://www.chem21.leeds.ac.uk/home.html http://www.imi.europa.eu/ http://www.ua.ac.be/organicsynthesis
* The research leading to
these results has received funding from the Innovative Medicines Initiative
Joint Undertaking under grant agreement n°115360, resources of which are
composed of financial contribution from the European Union’s Seventh Framework
Programme (FP7/2007-2013) and EFPIA companies’ in kind contribution.
** Members of CHEM21 are:
(EFPIA member companies) Bayer Pharma AG, Berlin, Germany; Janssen
Pharmaceutica NV, Beerse, Belgium; Orion Corporation, Espoo, Finland; Pfizer
Limited, Sandwich, UK; Sanofi Chimie, Gentilly, France: (Universities)
Leibniz Institute for Catalysis, Rostock, Germany; Stichting VU-VUMC,
Amsterdam, Netherlands; Austrian Centre of Industrial Biotechnology (acib),
Graz, Austria; Technische Universität Graz, Graz, Austria; Universität Graz,
Graz, Austria; Universität Stuttgart, Stuttgart, Germany; Universiteit
Antwerpen, Antwerp, Belgium; University of Durham, Durham, UK; University of
Leeds, Leeds, UK; University of York, York, UK: (Small and medium-sized
enterprises - SMEs) CatScI Ltd, Wentloog, Cardiff, United Kingdom: ACIB GmbH,
Graz, Austria: Charnwood Technical Consulting Ltd, Quorn, UK: Evolva Biotech
A/S, Copenhagen, Denmark: Reaxa Limited, Leeds, UK.
|
|
|
|
|
|
Antwerpse en Hasseltse onderzoekers leggen link tussen
sociale contacten, het weer en infecties
“Op een koude, droge dag worden we sneller ziek”
Dat we tijdens
de koude wintermaanden sneller vatbaarder zijn voor onder meer griep, is geen
nieuws. Dat we tijdens die periode de kans op een infectie nog een keertje
verhogen door langere sociale contacten te hebben, is dat wel. Koude, droge
werkdagen zijn het meest geschikt voor een virusoverdracht, blijkt uit
onderzoek van de Universiteit Antwerpen en de UHasselt.
Het in kaart
brengen van sociale contactpatronen is belangrijk om met wiskundige modellen de
manier waarop infectieziektes verspreiden in te schatten. Daarom lieten
onderzoekers van het Centre for Health Economics Research & Modelling
Infectious Diseases (CHERMID) van de Universiteit Antwerpen in samenwerking met
het Centrum voor Statistiek (CenStat) van de Universiteit Hasselt 1752 mensen
verspreid over heel België een dagboek bijhouden.
“Daarin tekenden
de deelnemers al hun sociale contacten op tijdens één door toeval toegewezen
dag”, legt prof. Niel Hens (UHasselt) uit. “Eerder onderzoek toonde aan dat het
onderscheid werkdag tegenover weekend/vakantiedag belangrijk is om onze
dagelijkse sociale contacten te kaderen en dit werd met de nieuwe gegevens
bevestigd. Tijdens het weekend hebben we minder maar langere en meer intense
contacten met vrienden en familie dan op werkdagen.”
Strategieën uitwerkenMaar de
Antwerps-Hasseltse studie gaat een stap verder. “Wij combineerden als
allereerste die gegevens over sociale contacten met gegevens over het weer”,
zegt prof. Philippe Beutels (Universiteit Antwerpen). “Op koude en droge
weekdagen bleken Belgen langere contacten te maken . Van
deze weersomstandigheden is tevens geweten dat ze virusoverdracht bevorderen en
de kans op infectie verhogen. Deze biologische kenmerken zijn belangrijk om te
verklaren dat infectieziektes die via de lucht of via bijvoorbeeld de handen
worden overgedragen duidelijk vaker voorkomen tijdens de wintermaanden. Dit
onderzoek toont concreet aan dat wijzigingen in ons sociaal contactpatroon ook
van belang zijn om het seizoensgebonden voorkomen van infectieziektes te
verklaren.”
De studie
probeerde ook lessen te trekken voor het opzetten van gelijkaardige studies in
de toekomst. Hens: “Zo moeten er meer geïntegreerde studies volgen om het
effect van klimaat en sociale contactpatronen op epidemiologische en
immunologische processen beter in te schatten. Dit zal cruciale informatie
opleveren bij het inschatten en plannen van strategieën om infectieziektes te
bestrijden.” CHERMID en CenStat zijn nauw betrokken bij het verder opzetten van
gelijkaardige studies in Europa, Azië, Zuid-Amerika en Australië.
Het onderzoek hierover verschijnt in het wetenschappelijk
vakblad PLoS ONE en is te lezen op http://dx.plos.org/10.1371/journal.pone.0048695
. De studie werd uitgevoerd
als onderdeel van het SIMID-project, met financiële steun van het IWT (Vlaams
Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie).
|
|
|
|
|
|
Janssen Pharmaceutica, Universiteit Antwerpen, UZA en vzw Emmaüs slaan
de handen in elkaar Samenwerking geeft psychiatrisch onderzoek stevige
boost
Eén op de vier mensen
krijgt ooit af te rekenen met een probleem van psychiatrische aard, en toch
staat het wetenschappelijk onderzoek naar hersenstoornissen achteraan in het
(financierings)rijtje. Janssen Research & Development, een afdeling
van Janssen Pharmaceutica NV, wil zijn engagement op het gebied van de
neurowetenschappen nog versterken, in nauwe interactie met de academische
wereld. Daarom sloot Janssen een meerjarige samenwerkingsovereenkomst af met CAPRI, dat de onderzoeksinspanningen van de Universiteit Antwerpen, het
Universitair Ziekenhuis Antwerpen en Emmaüs vzw bundelt.
Depressies, angst,
psychoses, verslavingen, bipolaire stoornissen…: de lijst met
hersenaandoeningen is ontzettend lang. “Er kleeft helaas nog een stigma op die
problematiek”, zegt prof. dr. Bernard Sabbe (Universiteit Antwerpen). Stilaan
is er verbetering merkbaar, maar zowel de bespreekbaarheid als de financiering
van het onderzoek moeten beter kunnen. Vlaanderen loopt op dat vlak een heel
eind achter op andere landen.”
De grootschalige
samenwerking tussen Janssen Research & Development enerzijds en CAPRI (Collaborative
Antwerp Psychiatric Research Institute) anderzijds betekent een serieuze
stap in de goede richting. Beide partners beschikken over een jarenlange
expertise. Als die gebundeld wordt, resulteert dat zonder twijfel in onderzoek
van hoger niveau. Sabbe: “Dit is een boost voor het psychiatrisch
wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen. Dat zal grotendeels plaatsvinden in
het Psychiatrisch Ziekenhuis Sint-Norbertus in Duffel, waar het nieuwe
universitaire psychiatrisch centrum gevestigd is.”
Patiëntstudies CAPRI
bundelt al tien jaar lang de onderzoeksinspanningen van de Universiteit
Antwerpen, het Universitair Ziekenhuis Antwerpen, het Ziekenhuisnetwerk
Antwerpen (ZNA) en Emmaüs vzw op het vlak van de neuropsychiatrie. Het centrum
focust op schizofrenie, depressie, angst, verslaving, psychosomatiek, op
kinder- en jeugdpsychiatrie en forensische psychiatrie.
Vijf jaar lang wordt er
binnen het project wetenschappelijk onderzoek verricht naar biomarkers en
wetenschappelijke innovatie op het gebied van cognitie, schizofrenie, de ziekte
van Alzheimer en stemmingswisselingen. Er worden ook patiëntstudies in de neuropsychiatrie
opgestart. “We zijn trots op dit samenwerkingsverband”, zegt prof. Sabbe.
“Janssen Research & Development is voor de academische wereld een
excellente partner.”
Binnen het project gaan
meerdere doctoraatsstudenten en onderzoekers met een postdoctoraal statuut aan
de slag . Prof. Sabbe: “Het moet mogelijk zijn om binnen dit project een
vijftal doctoraatsscripties af te leveren. Deze samenwerking creëert een
structureel onderzoekskader, waarbij voltijds wetenschappelijk onderzoek naar
de grondslagen en de behandeling van grote psychiatrische ziektebeelden zal
uitgevoerd worden. We zoeken hierbij ook samenwerking met andere partners uit
de geestelijke gezondheidszorg. In dit onderzoek kunnen patiënten wekenlang
worden opgevolgd, met monitoring van belangrijke psychologische parameters
zoals stemming, emotie en sociale interactie.”
Meer weten?
Peter De Meyer,
persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be en 0476 20 07 54.
|
|
|
|
|
M HKA en Universiteit Antwerpen halen mensen met
ziekte van Alzheimer naar het museum Mensen met alzheimer hebben absoluut een plaats
in de maatschappij. Dat hebben ook het Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen
en de Universiteit Antwerpen begrepen: met de steun van het Museum of Modern
Art in New York werkten ze Meet me @ M HKA uit. Dat project, met
Christine Van Broeckhoven en Jan Fabre als meter en peter, wil mensen met
beginnende dementie en hun mantelzorgers naar het museum lokken. De brede collectie hedendaagse kunst van het M HKA
en de geregelde tijdelijke tentoonstellingen trekken vandaag al diverse
doelgroepen aan. “Onze gidsen begeleiden groepen van alle leeftijden,
uiteenlopende niveaus van kunstervaring en diversiteit van samenstelling”,
vertelt Jan De Vree, diensthoofd collectie van het museum. “In de toekomst
willen we werk maken van rondleidingen op maat van blinden, doven,
slechtzienden en slechthorenden, en zoeken we mogelijkheden voor de begeleiding
van rolstoelpatiënten.”
Binnen die visie past ook een bijzonder initiatief,
in samenwerking met de Universiteit Antwerpen en het wereldberoemde New Yorkse
Museum of Modern Art (MoMA). De Vree: “We creëren een specifiek
bezoekersprogramma voor patiënten met een beginnende dementie en hun
mantelzorgers. Ze zullen kennis kunnen maken met hedendaagse kunst en zo in
gesprek gaan met hun begeleiders en onze gidsen.”
Minder emotionele problemen Vertrekpunt is de interactieve gesprekstechniek,
die vandaag al kenmerkend is voor de rondleidingen voor groepen in het M HKA.
Er zullen nieuwe, laagdrempelige modules ontwikkeld worden, die toepasbaar
zullen zijn op alle tentoonstellingen.
“Die modules gaan bijvoorbeeld over alledaagse
voorwerpen in de kunst, kunst en taal, en kunst en zintuiglijkheid”, zegt Leen
Thielemans, coördinator bemiddeling in het museum. “In eerste instantie wordt
het een kleinschalig pilootproject met een aantal zorginstellingen. Na het
bezoek aan het museum kan er eventueel een actief verwerkingsdeel georganiseerd
worden in de zorginstelling zelf.”
De ervaring in het MoMA leert dat het project de
levenskwaliteit van mensen met beginnende dementie én hun mantelzorgers
gevoelig verbetert. “Door te praten over kunst krijg je meer, al dan niet
verbale, interactie tussen patiënt en omgeving”, vertelt prof. Sebastiaan
Engelborghs, neuroloog en onderzoeksprofessor Neurowetenschappen – Neurochemie
aan de Universiteit Antwerpen. “Ze kunnen hun persoonlijke ervaringen delen en
hun visuele geheugen wordt geactiveerd. Hun zelfvertrouwen neemt toe. In New
York stelde men vast dat er minder emotionele problemen waren in de week
na het museumbezoek.”
Het museumbezoek doorbreekt het isolement van de
dementerende én zorgt voor een verbeterde relatie tussen patiënt en
mantelzorger. Engelborghs: “De Universiteit Antwerpen zorgt voor de
inhoudelijke medisch-wetenschappelijke ondersteuning, inclusief de vorming van
de M HKA-medewerkers. We willen er een onderzoek aan koppelen, om na te
gaan in welke mate deelname aan Meet me @ M HKA emotionele en
gedragsmatige kenmerken kan verbeteren en een impact heeft op de
levenskwaliteit van de patiënt en zijn omgeving.
Deze wetenschappelijke informatie is interessant omdat het project model
staat voor niet-farmacologische behandelopties voor gedragsveranderingen bij
dementie. ”
Meer weten?
Ellen Cottyn (medewerker communicatie): ellen.cottyn@muhka.be en 03 260 80 99.
Prof. dr. Sebastiaan Engelborghs (Universiteit
Antwerpen): sebastiaan.engelborghs@ua.ac.be
en 03 265 23 94.
|
|
|
|
|
|
Prof. Peter Van Aelst, dr. Jonas Lefevere, Christophe
Lesschaeve en prof. Peter Thijssen, allen lid van de onderzoeksgroep Media,
Middenveld en Politiek (www.M2P.be) van de
Universiteit Antwerpen, blikken in een onderzoeksnota terug op de voorbije
Antwerpse lokale verkiezingen. Deel I presenteerden ze kort na 14 oktober, nu
zijn ook de analyses voor deel II rond. In het onderzoek gaan de wetenschappers na hoe kennis,
attitudes en stemintenties van de Antwerpse kiezers doorheen de campagne
evolueerden. Daartoe werd een paneldesign opgezet waarbij dezelfde kiezers
driemaal werden bevraagd. Ruim 700 respondenten namen deel aan de twee
bevragingen die plaatsvonden voor 14/10 en aan de derde bevraging in de weken
na de stembusgang. Deze nota wil inzicht bieden in de opvattingen en
uiteindelijke keuzes van de Antwerpenaar en waar mogelijk hoe deze zijn
geëvolueerd doorheen de campagne.
De volledige onderzoeksnota vindt u in de bijlage. Dit
zijn alvast de belangrijkste conclusies:
1. In vergelijking met de verkiezingen van 2006 zijn er
in Antwerpen grote groepen kiezers van kamp veranderd. Dat gebeurde echter
overwegend voor de start van de eigenlijke verkiezingscampagne. We kunnen
moeilijk achterhalen wanneer dat precies gebeurde, maar het lijkt erop dat de
N-VA aanhang in 2009 en 2010 sterk is gegroeid ten koste van voornamelijk het
Vlaams Belang. Een tendens die zich in Antwerpen verder heeft doorgezet. De
Stadslijst van Janssens lijkt volgens onze gegevens op geen enkel moment een
bedreiging te zijn geweest voor het marktleiderschap van de N-VA. Daarmee
sluiten we aan bij de peilingen die steeds een duidelijke kloof tussen beide
kampen hebben aangegeven. De sp.a verloor een deel van zijn aanhang aan Groen
en PvdA+. De winst van CD&V-kiezers was te bescheiden om dat verlies op de
linkse flank te compenseren. De Stadslijst heeft in de laatste weken nog een
bescheiden aangroei gekend van Groen-kiezers, die uitgesproken voor
burgemeester Janssens kozen, maar was too little, too late.
2. De N-VA-kiezer lijkt uitgesproken achter haar partij
te staan. De respondenten in ons panel stemden voor de N-VA op niveau van
de gemeenteraad, maar deden dat ook op niveau van het district. Op nationaal
niveau lijkt ook haast niemand een andere voorkeur te hebben en er is geen
enkele partij die hoog scoort als we hen vragen voor wie ze ooit zouden kunnen
stemmen. Daarmee lijkt het succes van de partij meer te zijn dan een De
Wever-effect. De lijsttrekker is absoluut belangrijk - acht op tien van
de N-VA-kiezers beloonde hem met een voorkeurstem - maar het is voor velen niet
de enige reden om voor N-VA te stemmen. De helft van hen zou De Wever volgen
naar een andere partij. Dat is veel, maar wel beduidend minder dan bij de
aanhang van de Stadslijst waar de figuur Janssens belangrijker is geworden dan
zijn partij. In dat opzicht is de uitdaging voor de Antwerpse sp.a in de
volgende jaren bijzonder groot. Wie vult de lacune?
3. De N-VA lijkt met het nieuwe bestuursakkoord haar
achterban grotendeels tegemoet te komen. Hardere aanpak van overlast en
criminaliteit, geen nieuwe belemmeringen voor de autorijders. Op sociaal vlak
zal de partij enige voorzichtigheid aan de dag moeten leggen. Kiezers van alle
partijen hechten immers belang aan (meer) sociale huisvesting.
|
|
|
|
|
Universiteit Antwerpen en ADx Neurosciences bundelen
expertise op vlak van biomerkers
De ziekte van Alzheimer is de meest voorkomende vorm van
dementie. Dat deze ziekte nog niet kan genezen worden, is bekend. Minder bekend
is dat ook het stellen van de juiste diagnose niet vanzelfsprekend is. De
Universiteit Antwerpen en ADx NeuroSciences willen daar verandering in brengen:
ze gaan samenwerken om de ziekte veel sneller op te sporen, nog voor de patiënt
dementie ontwikkelt. De ziekte van Alzheimer kan
niet genezen worden De ziekte van Alzheimer wordt vastgesteld op het moment dat de schade aan
de hersenen al onomkeerbaar plaatsvond. Hierdoor verliezen patiënten eerst hun
kortetermijngeheugen maar kunnen ze gaandeweg ook de dagdagelijkse functies
niet meer aan. Bestaande medicatie geneest de patiënten niet, maar helpt alleen
om de symptomen van de ziekte tijdelijk te vertragen.
Beter voorkomen dan ‘niet’ genezen De Universiteit Antwerpen en het Vlaamse
biotechbedrijf ADx NeuroSciences gaan samen op zoek naar manieren om de ziekte
vroegtijdig op te sporen, voor er sprake is van hersenschade en dus voor
geheugenverlies optreedt. Het ontwikkelen van testen (=diagnostica) die in een
vroeg stadium aangeven of de persoon de ziekte van Alzheimer aan het
ontwikkelen is, kan hier een oplossing bieden.
Nieuwe biomerkers voor vroegtijdige opsporing van de ziekte van Alzheimer Om de ziekte op te sporen zoek je naar de aanwezigheid van toxische stoffen
(=biomerkers) die optreden als indicatoren. Ze hebben een heel belangrijke
diagnostische waarde, onder meer voor dementie en de ziekte van Alzheimer.
“Biomerkers zijn aanwezig in makkelijk toegankelijke lichaamsvochten zoals
lumbaal vocht (cerebrospinaal vocht, CSV) of plasma”, legt prof. Sebastiaan
Engelborghs, Universiteit Antwerpen, uit.
Uit onderzoek is echter gebleken dat slechts 68 % van de dementiepatiënten
vandaag een correcte klinische diagnose krijgt. De huidige indicatoren laten
helaas niet toe de ziekte accuraat en tijdig op te sporen. Engelborghs: “Er is
nood aan nieuwe biomerkers voor vroegtijdige diagnose van dementie en het
voorspellen van ziekteprogressie.”
Universiteit Antwerpen en
Vlaams biotechbedrijf gaan nauw samenwerken BIODEM (referentiecentrum voor
biologische markers van dementie, Universiteit Antwerpen) en het Vlaamse
biotechbedrijf ADx NeuroSciences (nu ook, na KU Leuven, een spin-off van de
Universiteit Antwerpen) ondertekenden een samenwerkingsovereenkomst.
Engelborghs: “Met vereende krachten zullen we werken aan de validatie van
nieuwe biomerkers in cerebrospinaal vocht voor diagnose van dementie in het
algemeen en de ziekte van Alzheimer in het bijzonder. Deze stap is essentieel
om nieuwe biomerkers in de klinische praktijk te kunnen brengen. In de toekomst
hopen we samen de diagnostiek van dementie verder te kunnen verfijnen en
verbeteren. Dit moet onder meer toelaten een diagnose van ziekte van Alzheimer
te stellen, lang voor het dementiestadium bereikt wordt.”
De licentie- en
samenwerkingsovereenkomst werd succesvol onderhandeld door de Interfacedienst
van de Universiteit Antwerpen. “Het oprichten van spin-offs is voor de
universiteit een belangrijke manier om de aanwezige kennis te valoriseren”,
zegt Bart Nelissen, business developer op de Interfacedienst. “Deze specifieke
samenwerking wordt mee gefinancierd door Incubatorennetwerk(t), een
Interreg Project Vlaanderen-Nederland, dat het oprichten van gezamenlijke
spin-offs tussen de partners stimuleert.”
Beide partners werken al samen.
“Zo nemen we samen deel aan een toonaangevend Europees consortium over
biomerkers die in de laatste validatie- en harmonisatiefase zitten”, zegt Koen
Dewaele, CEO van ADx Neurosciences. “Na afronding daarvan gaan ze tot de
dagelijkse routinepraktijk behoren bij de diagnose van dementie en de ziekte
van Alzheimer.”
Meer weten?
Prof. dr. Sebastiaan Engelborghs (BIODEM, Universiteit
Antwerpen): Sebastiaan.Engelborghs@ua.ac.be
en 03 265 23 94
Koen
Dewaele (ADxNeuroSciences): Koen.Dewaele@adxneurosciences.com en 09 261 69 82
Dr. Bart Nelissen (Interfacedienst, Universiteit Antwerpen):
Bart.Nelissen@ua.ac.be en 03 265 30
99
Noot
voor de redactie
Universiteit
AntwerpenDe
Universiteit Antwerpen is een onderzoeksuniversiteit, waar grensverleggend en
vernieuwend onderzoek wordt uitgevoerd op internationaal niveau. Onderzoek en
onderwijs zijn nauw met elkaar verbonden. Onderwijsinnovatie krijgt onze
voortdurende aandacht, en bijzondere zorg gaat naar de opvang en begeleiding
van onze vijftienduizend studenten. De Universiteit Antwerpen is geen eiland op
zich: wij bouwen bruggen naar het onderwijs, de industrie, de volledige
maatschappij. Met haar vierduizend werknemers is de Universiteit Antwerpen een
van de belangrijkste werkgevers in Antwerpen, de grootste stad van Vlaanderen.
www.ua.ac.beBIODEM,
Instituut Born-Bunge, Universiteit AntwerpenHet
referentiecentrum voor biologische merkers van dementie (BIODEM) werd in 2004
opgericht. BIODEM heeft bijgedragen aan de klinische validatie en harmonisatie
van de bestaande biomerkers voor de ziekte van Alzheimer. De analyse van deze
biomerkers wordt nu reeds als dienstverlening aangeboden aan verwijzende artsen
uit binnen- en buitenland. BIODEM investeert in de ontwikkeling, validatie en
harmonisatie van nieuwe markers voor een verbeterde dementiediagnostiek.
http://www.bornbunge.be/RGroups/NCHEM/BIODEM_nl.shtmlADx
NeurosciencesADx
NeuroSciences is een nieuw biotechbedrijf dat zich toelegt op ontwikkeling van
nieuwe (bio)merkers voor de diagnose van dementie (Dx) (de ziekte van
Alzheimers (AD), Parkinson en andere neurodegeneratieve ziekten). Vanuit haar
expertise, ontwikkelings-know-how en capaciteiten, biedt ADx NeuroSciences
innovatieve oplossingen – van concept tot klinische toepassing – voor de
farmaceutische industrie en in-vitro diagnostiek (IVD).
www.adxneurosciences.comIncubatorennetwerk(t)Het Interreg
IV A-programma Grensregio Vlaanderen-Nederland wordt gefinancierd door de
Europese Unie vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Het
project Incubatorennetwerk(t) wil een meerwaarde bieden bij de
economische valorisatie van onderzoeksresultaten door een interregionale en
interuniversitaire samenwerking op te zetten tussen de deelnemende
kennisinstellingen uit Vlaanderen en Nederland. http://www.grensregio.eu/2011/11/22/incubatorennetwerkt/
|
|
|
|
|
Universiteit
Antwerpen onderzocht effect campagnes op antibioticaconsumptie in België Meer dan 62 miljoen voorschriften uit de
periode 2002-2009 werden geanalyseerd door de Universiteit Antwerpen, in
samenwerking met het InterMutualistisch Agentschap (IMA). Bedoeling? De evolutie
van de antibioticaconsumptie in ons land in beeld brengen. Conclusie? Er worden
minder mensen behandeld met antibiotica, wat hoogstwaarschijnlijk te danken is
aan de campagnes om minder antibiotica voor te schrijven .
Antibioticumresistentie is een belangrijk wereldwijd
gezondheidsprobleem. Om de antibioticaconsumptie in ons land te verminderen
zijn er sinds de winter van 2000-2001 jaarlijks nationale
sensibilisatiecampagnes voor het brede publiek in samenwerking met artsen en
apothekers. Artsen ontvangen bovendien richtlijnen voor goed gebruik van
antibiotica. In opdracht van het Belgian Antibiotic Policy Coordination
Committee (BAPCOC) van de FOD Volksgezondheid bestudeerden onderzoekers van de
Universiteit Antwerpen in samenwerking met het InterMutualistisch Agentschap
(IMA) de evolutie van de antibioticaconsumptie in ons land.
“Er bestond veel onduidelijkheid over het effect van de
campagnes op de antibioticaconsumptie”, vertelt prof. Samuel Coenen
(Universiteit Antwerpen). “Dat de consumptie uitgedrukt wordt in verschillende
meeteenheden is daarvan de oorzaak. We stelden vast dat de tegenstrijdigheden
vooral het gevolg waren van een sterke toename sinds 2002 van de hoeveelheid
antibioticum per verpakking voor de meest gebruikte antibiotica. Amoxicilline
al of niet gecombineerd met clavulaanzuur staat voor de helft van onze
antibioticaconsumptie. Door zowel een stijging van het aantal tabletten per
verpakking (van 16 naar 20 pillen) als van de hoeveelheid actief bestanddeel
per tablet (van 500 mg naar 1000 mg) steeg de consumptie van antibiotica
uitgedrukt in DDD (Defined Daily Dose), een internationaal aanvaarde
meeteenheid gekoppeld aan de hoeveelheid actief bestanddeel.”
Ook
verkochte verpakkingen bekijken In werkelijkheid daalde echter het aantal personen dat
met antibiotica behandeld werd (zie figuur). Ook het totaal aantal
behandelingen en het totaal aantal verkochte verpakkingen verminderde. Het
aantal verpakkingen bleek gaandeweg ook steeds beter overeen te komen met het
aantal behandelingen, dat net als het aantal behandelde personen veel
moeilijker te meten is. Coenen: “Wij bevelen dan ook aan om niet alleen
de hoeveelheid DDD maar ook het aantal verkochte verpakkingen te bekijken om
trends in de tijd van de antibioticaconsumptie te beoordelen, zeker indien,
zoals in België, de hoeveelheid DDD per verpakking niet stabiel is.”
Andere aanbevelingen betreffen het gebruik van de
juiste noemer om de antibioticaconsumptie uit te drukken, en het uitdrukken
ervan per juli-juni jaar in plaats van per kalenderjaar (zie kaderstuk).
Figuur Consumptie van antibiotica in de
ambulante praktijk in België van 2002 tot 2009 in juli-juni jaren uitgedrukt in
terugbetaalde Defined Daily Doses (DDD: gemiddelde dagdosissen), verpakkingen,
behandelingen, individuele rechthebbenden per 1000 rechthebbenden per dag.  KADER Andere aanbevelingen betreffen het gebruik van de juiste noemer om de antibioticaconsumptie uit te drukken. Omdat de bevolking en het aantal verzekerden toeneemt, moet daarvoor gecorrigeerd worden. Zelfstandigen kregen pas vanaf 2008 hun geneesmiddelen terugbetaald via de verplichte ziekteverzekering. Consumptiecijfers op basis van terugbetalingen van vóór 2008 kunnen dus niet vergeleken worden met deze vanaf 2008 met het aantal inwoners als noemer. De extra verzekerde zelfstandigen zouden de cijfers vertekenen en een stijging suggereren. De zelfstandigen uitsluiten uit de analyse met inwoners als noemer of het aantal verzekerden als noemer gebruiken, zijn hiervoor de aanbevolen oplossingen. Om na te gaan of de dalende antibioticaconsumptie louter verklaard kan worden door een dalend aantal (huisarts)contacten werd ze ook uitgedrukt per 1000 (huisarts)contacten. Ook dan blijft een daling zichtbaar. Antibioticaconsumptie wordt ook best uitgedrukt per juli-juni jaar (bv. 1 juli 2008 – 30 juni 2009) in plaats van per kalenderjaar. Hoewel grotendeels ten onrechte, piekt de antibioticaconsumptie namelijk wanneer het aantal acute luchtweginfecties of griepgevallen piekt. Omdat grieppieken in het begin van de winter kunnen voorkomen in één kalenderjaar of op het einde van de winter in een ander kalenderjaar, zijn per kalenderjaar één, twee of geen grieppieken mogelijk. Juli-juni jaren ondervangen het effect hiervan op de antibioticaconsumptie door slechts één periode van verhoogd voorkomen van griep in te sluiten per jaar (12 maanden). |
Een eerste positieve
vaststelling was dus een duidelijke bevestiging van de dalende
antibioticaconsumptie in ons land, waarbij minder mensen, minder
antibioticabehandelingen en verpakkingen gebruikten, weliswaar met hogere
dosissen. “Hoewel de beschikbare gegevens strikt genomen niet toelaten om te spreken
van een oorzakelijk verband tussen de acties van BAPCOC en deze daling, is dit
meer dan waarschijnlijk het geval”, legt prof. Herman Goossens (Universiteit
Antwerpen) uit. “Sinds 2007 bleef de consumptie nagenoeg stabiel. Ondanks het
feit dat er in ons land nog te veel breedspectrumantibiotica (antibiotica die
meer types bacteriën treffen dan nodig om te genezen, zoals chinolonen en
amoxicilline gecombineerd met clavulaanzuur) worden voorgeschreven, werd een
tweede positieve evolutie vastgesteld: het aandeel amoxicilline nam toe tijdens
de studieperiode, en amoxicilline is het aanbevolen antibioticum voor de meeste
luchtweginfecties volgens de Belgische richtlijnen. Onze campagnes hebben dus
hun effect niet gemist en moeten worden verder gezet opdat we niet in onze oude
gewoontes hervallen.”
Verder stelden de onderzoekers verschillen vast in
antibioticaconsumptie in functie van zowel patiënt- als voorschrijverkenmerken.
Zo observeerden ze onder andere dat oudere patiënten en vrouwen meer
antibiotica consumeren en dat de antibioticaconsumptie in ons land aanzienlijke
regionale verschillen vertoont. Ook het al of niet hebben van een globaal
medisch dossier (GMD) beïnvloedt de consumptie. Gecorrigeerd voor het aantal
huisartscontacten – ze consulteren immers minder vaak – krijgen patiënten
zonder GMD vaker antibiotica.
Vrouwen hebben wel meer kans om amoxicilline
voorgeschreven te krijgen in plaats van een breedspectrumantibioticum.
Het gebrek aan noemergegevens (het aantal patiënt(contact)en) per individuele
voorschrijver beperkte de mogelijkheden om de invloed van individuele
artsenkenmerken op het voorschrijfgedrag te onderzoeken. Toch bleken
voorschrijvers tussen 40 en 44 jaar een significant grotere voorkeur (te
blijven) hebben voor breedspectrum antibiotica dan hun oudere en jonger
collega’s. Een vergelijking van voorschrijfgedrag in de tijd toonde bovendien
aan dat voorschrijvers deels vasthouden aan hun (aangeleerde) gewoonten.
Conclusies
en aanbevelingenDe resultaten van dit onderzoek laten een consensus toe
over indicatoren om jaarlijks de antibioticaconsumptie in ons land op te
volgen. Hoewel het vermijden van een stijging van de antibioticaconsumptie
ondanks een verouderende populatie op zichzelf een succes is – wat wellicht te
danken is aan de BAPCOC-acties – is een verdere daling en verbetering van de
consumptie wenselijk. De sensibilisatiecampagnes dienen hiervoor aangevuld met
hulpmiddelen voor de voorschrijvers die verdergaan dan het publiceren van
richtlijnen. De medische opleidingen hebben een grote verantwoordelijkheid om
toekomstige voorschrijvers goed te blijven vormen én te wapenen tegen slechte
gewoonten.
Meer weten?
Prof. dr. Samuel Coenen (Universiteit Antwerpen): samuel.coenen@ua.ac.be en 03 265 25
25.
Prof. dr. Herman Goossens (Universiteit Antwerpen): herman.goossens@uza.be en 03 265 27
51.
|
|
|
|
|
Dr. Nore Kaerts
(Universiteit Antwerpen) deed onderzoek naar zindelijkheidstraining Zindelijkheid behoort ongetwijfeld tot de
favoriete gespreksonderwerpen van jonge ouders. Een kind dat geen luiers meer
nodig heeft, maakt het leven van de ouders een stuk gemakkelijker. Maar wanneer
start je met de training om een kind zindelijk te krijgen? Nore Kaerts
(Universiteit Antwerpen) zocht het uit voor haar doctoraatsscriptie, en bekeek
meteen de situatie in de Vlaamse kinderdagverblijven.
In de voorbije zestig jaar is de zindelijkheidsleeftijd in de Westerse
samenleving verlaat, met economische, sociale, milieu- en gezondheidsproblemen
tot gevolg. Kaerts: “De leeftijd waarop kinderen overdag droog zijn is
toegenomen van gemiddeld twee jaar in de jaren vijftig tot gemiddeld 36 – 39
maanden op het einde van de 20ste eeuw. Het leven is geleidelijk aan ook steeds
complexer geworden en belangrijke leerprocessen in het leven van het jonge kind
worden nu op verschillende plaatsen en door verschillende personen aangeleerd.”
In vele gezinnen gaan beide ouders uit werken, en wordt er veel vaker
gebruik gemaakt van kinderopvang. Kinderdagverblijven zijn dus belangrijke
partners geworden in het zindelijkheidsproces. Daarom stuurde Kaerts een
vragenlijst naar 1500 Vlaamse kinderdagverblijven, om uit te zoeken hoe
zindelijkheidstraining er wordt aangepakt. 429 kribbes namen deel aan de
enquête (antwoordratio 28,6%).
Uit de studie komen enkele opmerkelijke resultaten naar voor. Kaerts: “Zo
is de meerderheid van de kinderverzorgsters (82%) meer dan één uur per dag
bezig met zindelijkheidstraining, 68% zelfs één tot drie uur per dag. Daarnaast
had eenderde van de respondenten (34%) het gevoel dat ouders de
verantwoordelijkheid van de zindelijkheidstraining doorschoven naar de
kinderdagverblijven en dat er thuis niet genoeg aandacht wordt besteed aan het
zindelijkheidsproces.”
“Te weinig tijd” Ook onderzocht de
kersverse doctor hoe het zindelijkheidsproces wordt aangepakt door Vlaamse
gezinnen die minstens één dag per week gebruik maken van kinderopvang en welke
gevoelens hiermee gepaard gaan. Van de 270 uitgedeelde vragenlijsten keerden er
221 geldige vragenlijsten terug (antwoordratio 87%).
17% van de ouders
geven aan onzekerheid, zenuwachtigheid en/of frustratie te ervaren in verband
met het zindelijkheidsproces van hun kind in het algemeen, 30% van de ouders
gaf aan onzekerheid, zenuwachtigheid en/of frustratie te ervaren wat betreft
het juiste moment om te starten met de training. Daarnaast gaf 18% van de
ouders aan dat ze tijd tekort hadden om hun kind in het zindelijkheidsproces te
begeleiden. Verder had 40% van de ouders geen idee of ze dezelfde methode van
zindelijkheidstraining hanteerden als het kinderdagverblijf. Ook waren sommige
ouders het er mee eens dat de verantwoordelijkheid van zindelijkheidstraining
steeds vaker wordt doorgeschoven naar de kinderdagverblijven (18%).
Starten op basis van rijpheidssignalen Het is belangrijk pas te starten met het zindelijkheidsproces als het kind
er klaar (rijp) voor is. “Starten met het zindelijkheidsproces gebaseerd op
leeftijd of als het kind hier nog niet of reeds te lang klaar voor is, kan
problematisch zijn. Het kind kan bijvoorbeeld stress en angst gaan ervaren,
waardoor het urine of stoelgang kan beginnen ophouden. Dit kan leiden tot
blaas- en stoelgangproblemen. Een ander voorbeeld is dat het kind de interesse in
het zindelijkheidsproces kan verliezen”, legt Kaerts uit. “Rijpheidssignalen
zijn erg belangrijk. Het zijn eigenschappen of vaardigheden die samenhangen met
de ontwikkeling van het kind. Ik verzamelde alle rijpheidssignalen uit de
internationale literatuur van de voorbije zestig jaar en filterde er een lijst
uit van negentien signalen die gemakkelijk en eenduidig te observeren zijn bij
jonge, gezonde kinderen.” Na observatie van 270 gezonde kinderen in Vlaamse kinderdagverblijven bleek
dat de leeftijd van het kind, ‘het zich bewust zijn van de drang te moeten
plassen of stoelgang te moeten maken en het duidelijk maken van deze drang’,
‘het zelf willen volbrengen van taken zonder hulp en het trots zijn op nieuwe
vaardigheden’ en ‘zelf kleren naar beneden en boven kunnen trekken (aan en
uit)’ de belangrijke voorspellers zijn van een succesvol zindelijkheidsproces.
Ook het rijpheidssignaal ‘het tonen van interesse in het zindelijkheidsproces
en hieraan willen participeren en willen meewerken’ bleek een belangrijk
kenmerk te zijn.
Meer weten?
Dr. Nore Kaerts (Faculteit Geneeskunde en
Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen):
nore.kaerts@ua.ac.be Promotor: prof. dr. J.J. Wyndaele
(Urologie, Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen, Universiteit
Antwerpen)
|
|
|
|
|
Datamining legt ook fiscale fraude
bloot Verbanden zoeken in ongelofelijk grote hoeveelheden
gegevens: dat is datamining in een notendop. Deze wetenschapstak is nog
relatief jong, maar het belang kan nauwelijks overschat worden. De Universiteit
Antwerpen haalt vijfhonderd dataminingexperts uit de hele wereld naar Brussel
voor de International Conference on Data Mining (10-13 december).
Bij datamining worden heel grote datasets geanalyseerd
vanuit verschillende perspectieven. Er wordt gespeurd naar patronen en
correlaties. Dergelijke onderzoeken kunnen heel wat leren over het verleden, en
er kan ook waardevolle informatie voor toekomstige beleidsbeslissingen en
toepassingen uit voortvloeien. Zo kan een verzekeraar via datamining nagaan of
er een verband is tussen de ingediende schadeclaims en de woonplaats van de
verzekerde. Wie in een zone met groter risico woont, krijgt mogelijk een hogere
premie voorgeschoteld.
De toepassingsmogelijkheden van datamining zijn schier
oneindig. Dat blijkt ook uit het programma van de International Conference
on Data Mining. Enkele hoogtepunten:
- Maandag 10/12 om 16 uur: staatssecretaris voor
Fraudebestrijding John Crombez legt uit hoe datamining de efficiëntie van de
strijd tegen de fiscale en sociale fraude kan verhogen.
- Dinsdag 11/12 om 8.30 uur: Martin Krzywinski
gaat in op de mogelijkheden die datamining biedt voor de studie van het genoom
en de geneeskunde in het algemeen. Dankzij recente genoom sequencing
technologie en datamining wordt het mogelijk om de kankers van duizenden
individuen te bestuderen en analyseren.
- Donderdag 13/12 om 8.30 uur: Jure Leskovec,
piepjonge professor in Stanford, heeft het over de oneindige stroom aan
gegevens die online worden uitgewisseld. Via datamining kan de structuur van
die gegevens onderzocht worden: waar wordt de informatie gecreëerd, hoe stroomt
ze verder en hoe gaat ze uiteindelijk viraal.
Praktisch:
De International Conference on Data Mining vindt
plaats van maandag 10 tot en met donderdag 13 december in het Brusselse
Sheraton-hotel (Rogierplein 3, 1210 Brussel). Journalisten zijn van harte
welkom. Om praktische redenen geeft u best een seintje aan Peter De Meyer,
persverantwoordelijke van de Universiteit Antwerpen ( peter.demeyer@ua.ac.be of 0476 20 07
54).
http://icdm2012.ua.ac.be
|
|
|
|
|
Multidisciplinair
centrum voor bewegingsanalyse M²OCEAN opent de deuren Er beweegt wat op Campus Drie Eiken De Universiteit Antwerpen en de Artesis Hogeschool
Antwerpen hebben jarenlange ervaring op het vlak van de bewegingswetenschappen.
De verschillende onderzoeksgroepen werken nauw samen, en die samenwerking leidt
nu tot de oprichting van M²OCEAN, een
multidisciplinair centrum voor bewegingsanalyse. Op maandag 10 december steekt
het state-of-the-art-bewegingslab van wal.
M²OCEAN staat voor
Multidisciplinary Motor Center Antwerp, en kan niet toevallig ook als ‘motion’
worden gelezen. Het nieuwe centrum bundelt de expertise van de
onderzoeksgroepen van prof. dr. Paul Van de Heyning (neus-, keel- en
oorziekten), prof. dr. Peter Aerts (functionele morfologie) en prof. dr. Floris
Wuyts (evenwichtsonderzoek) , alle drie Universiteit Antwerpen, en van prof.
dr. Steven Truijen (revalidatiewetenschappen en kinesitherapie) en prof. Luc
Pieters (ingenieurswetenschappen), beide verbonden aan de Artesis Hogeschool
Antwerpen.
Het multidisciplinaire centrum
voor bewegingsanalyse kan rekenen op de financiële ondersteuning van de
Universiteit Antwerpen en het Universitair Ziekenhuis Antwerpen, en kreeg voor
de aankoop van de infrastructuur ook een Vlaams duwtje in de rug via de
Herculesstichting. “M²OCEAN beschikt over een hypermoderne en volledige
uitrusting, die de competitie met andere hoogtechnologische labs zeker kan
aangaan”, legt prof. dr. Van de Heyning uit.
Binnen het domein van de
bewegingswetenschappen gaat het centrum fundamenteel en basis klinisch
onderzoek verrichten. Van de Heyning: “We zoeken bijvoorbeeld uit hoe de
normale ontwikkeling tot het bereiken van een matuur en efficiënt gangpatroon
verloopt of welke gangparameters gebruikt kunnen worden om het dynamisch
evenwicht te karakteriseren. We focussen op bewegingscoördinatie, evenwicht en
posturale controle bij kinderen, volwassenen en ouderen.”
M²OCEAN is een centrum met een
open karakter. “We willen een platform worden voor andere
onderzoeksgroepen van de Universiteit Antwerpen, het Universitair Ziekenhuis
Antwerpen en voor geïnteresseerde partijen van buitenaf.”
Praktisch:
Op maandag 10 december 2012 om 18.30 uur wordt M²OCEAN gelanceerd met een academische zitting in het
Universitair Ziekenhuis Antwerpen (Auditorium Kinsbergen, Wilrijkstraat 10,
2650 Edegem, route 12). Ook kunstenaar Jan Fabre neemt er het woord. Nadien kan
het bewegingslabo bezocht worden.
Journalisten zijn van harte welkom
na een seintje aan dr. Ann Hallemans ( ann.hallemans@ua.ac.be). De officiële uitnodiging zit in de
bijlage.
|
|
|
|
|
Antwerpse
onderzoekers tekenen voor doorbraak in genetische analyse Nieuwe test voor doofheid pikt tot
viermaal meer oorzaken op
De huidige genetische testen voor doofheid voldoen niet,
omdat ze in te weinig gevallen een antwoord bieden. Wetenschappers van de
Universiteit Antwerpen en het Universitair Ziekenhuis Antwerpen brengen daar nu
verandering in. Met hun nieuwe test kan voortaan veel vaker de juiste diagnose
gesteld worden, en de test is nog betaalbaar ook.
Meer dan één kind op duizend wordt doof of ernstig
slechthorend geboren. Soms liggen omgevingsfactoren, zoals bepaalde virale of
bacteriële infecties tijdens de zwangerschap of kort na de geboorte aan de
basis, maar meer dan de helft van deze handicaps zijn genetisch van aard. Een
mutatie in meer dan vijftig verschillende genen kan verantwoordelijk zijn.
Omdat de meeste andere genetische ziekten door slechts één gen of een beperkt
aantal genen veroorzaakt wordt, is de genetische diagnostiek voor doofheid veel
complexer.
Vandaag worden slechts enkele doofheidsgenen getest, zodat
er slechts voor een minderheid van de patiënten een genetische diagnose kan
worden gesteld. Nochtans kan een dergelijke diagnose van groot belang zijn. Een
juiste inschatting kan tot een optimale therapie leiden, of duidelijk maken hoe
groot het herhalingsrisico voor eventuele volgende kinderen is. Het testen van
alle doofheidsgenen is echter met de huidige standaard genetische technologie
onbetaalbaar.
Internationaal onderzoek dat gecoördineerd werd aan de
Universiteit Antwerpen, leidde tot de ontwikkeling van een nieuwe test voor
doofheidsgenen. Het project werd gefinancierd door Action on Hearing Loss,
een Londense liefdadigheidsinstelling. Deze instelling verdedigt de belangen
van doven en slechthorenden, en financiert ook onderzoek. Het wetenschappelijke
tijdschrift American Journal of Medical Genetics publiceert vandaag de
resultaten van een test van 34 gekende doofheidsgenen, uitgevoerd door de
Antwerpse onderzoekers. Met deze test stijgt het aantal gestelde diagnoses van
10 - 15% tot ongeveer 50%. De test kan dus het merendeel van de
genetische gevallen oppikken.
Groeiende
frustratie Professor
Guy Van Camp van het Centrum Medische Genetica van de Universiteit Antwerpen en
het Universitair Ziekenhuis Antwerpen leidde het project. Hij is het hoofd van
een laboratorium dat zich reeds twintig jaar focust op onderzoek naar erfelijke
doofheid. Het labo geniet internationale faam.
“Zowel bij verwijzende neus- keel-oorartsen als bij ouders
was er de afgelopen tien jaar een groeiende frustratie over genetische
diagnostiek voor doofheid”, legt Van Camp uit. “Via het onderzoek zijn immers
meer dan vijftig genen gekend, terwijl we er slechts enkele kunnen testen in
het diagnostisch lab. Deze kloof tussen onderzoek en diagnostiek werd steeds
groter, en met de huidige studie hebben we geprobeerd om hier iets aan te doen.
Ondertussen zijn we bezig met een tweede fase van het onderzoek, waarbij we
echt alle gekende genen testen. De eerste resultaten hiervan zijn alvast
veelbelovend. Het zal uiteraard nog tijd kosten om te bewijzen dat de test
voldoet aan de strikte diagnostische criteria, en om hem in te passen in het
diagnostische lab, maar dit moet op minder dan een jaar tijd gerealiseerd
kunnen worden.”
Het onderzoek is verricht in samenwerking met de Amerikaanse
onderzoeksinstelling TGen uit Phoenix, Arizona, die wereldwijd mee aan de top
staat in technologie voor genetisch onderzoek. Het betreft de zogenaamde next
generation sequencing-technologie, die het mogelijk maakt om veel sneller
en goedkoper genen na te kijken.
Voortaan moeten wetenschappers voor dergelijk onderzoek niet
langer naar de Verenigde Staten. Prof. Geert Mortier, diensthoofd van het Centrum
Medische Genetica in Antwerpen, slaagde er immers recent in om de allernieuwste
en meest performante next generation sequencing-apparatuur in huis te
halen.
“Dit is een enorm grote stap voorwaarts omdat de nieuwe
apparatuur zowel voor onderzoek als voor diagnostiek kan worden gebruikt”, zegt
prof. Mortier. “De apparatuur is beschikbaar voor een breed consortium van
laboratoria en diensten in Antwerpen, aan de universiteit, het Universitair
Ziekenhuis en het Instituut voor Tropische Geneeskunde.
Voor ons in het Centrum Medische Genetica wordt het nu mogelijk om veel
uitgebreidere en betere diagnostiek te ontwikkelen die ook nog betaalbaar
blijft. Deze nieuwe test voor doofheid is een eerste voorbeeld op diagnostisch
vlak, maar we werken er aan om onze apparatuur en expertise ook voor
diagnostiek van verschillende andere genetische aandoeningen in te zetten.”
|
|
|
|
|
Op dinsdag 4 december vindt op de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen het slotcongres van het project Oprit 14 plaats. Onderzoekers van verscheidene universiteiten focusten vier jaar lang op de schoolloopbanen van jongeren met en zonder migratieachtergrond. Ze gingen onder meer na hoe de schoolloopbanen van leerlingen verklaard kunnen worden en welke factoren/personen/contexten de onderwijsloopbanen van leerlingen beïnvloeden. Hier vindt u de persnota, met de resultaten van Oprit 14. Met eventuele bijkomende vragen kunt u contact opnemen met de onderzoekers. Hun gegevens staan onderaan de tekst. Voor meer info over het project: http://www.oprit14.be/
|
|
|
|
|
Danielle Dierckx, Stijn
Oosterlynck, Jill Coene, An Van Haarlem (red.)
Centrum OASeS -Universiteit Antwerpen
Uitgeverij Acco
Maandag 3
december 2012 om 10 uur Klooster van de
Grauwzusters, Lange Sint-Annastraat 7, 2000 Antwerpen
Stadscampus Universiteit
Antwerpen (parkeertip: zie onderaan)
Een voorsmaakje van het Jaarboek
Armoede en Sociale Uitsluiting 2012 De nieuwe
gemeentebesturen schieten in januari 2013 uit de startblokken.
Bestuursakkoorden zijn in de maak. Hoe sterk zullen de steden en gemeenten
inzetten op sociaal beleid? Welke instrumenten en hoeveel middelen staan
gereserveerd voor armoedebestrijding? Het nieuwste Jaarboek Armoede en
Sociale Uitsluiting zet armoedebestrijding op het lokale niveau in de
kijker. Meer specifiek belichten de auteurs lokale sociale innovatie. Het gaat
over creatieve,
kleinschalige sociale acties die ontstaan vanuit geëngageerde burgers, het
lokale middenveld of lokale overheden. Zij formuleren antwoorden op sociale
noden die de markt of de overheid niet of niet voldoende lenigt. Dergelijke antwoorden op sociale noden ontstonden in de
jaren zeventig, maar het begrip wint vandaag aan populariteit in diverse
beleidsdocumenten.
Maar hoe relevant is het lokale niveau voor
armoedebestrijding? Nemen we het voorbeeld van de voedselbanken. Meer dan
200 000 mensen doen een beroep op de voedselbanken om in hun
basisbehoeften te voldoen. Maar is het fatsoenlijk om als overheid te bouwen op
dergelijk ‘extra sociaal vangnet’? Ontloopt zij haar verantwoordelijkheid niet,
bijvoorbeeld door te lage sociale uitkeringen die het noodzakelijk maken om
voedselpakketten te vragen? Ook de wijkgezondheidscentra passen in dit verhaal.
We weten dat de gezondheidszorg, ondanks maatregelen zoals de
derdebetalersregeling, niet voor iedereen toegankelijk is. 11% van de Vlaamse
huishoudens stelt geneeskundige verzorging uit omwille van financiële redenen.
Wijkgezondheidscentra bereiken kwetsbare
groepen. Huisbezoeken en raadplegingen van de huisarts zijn er gratis.
Bovendien werken ze multidisciplinair, met aandacht voor ziekmakende factoren
in woon-, leef- en werkomgeving én zetten ze in op de versterking van het
sociaal weefsel en de emancipatie van individuen en groepen. Een derde
voorbeeld vinden we in de Amerikaanse steden. Lage inkomensgezinnen worden er
uit de binnensteden verdreven, nadat deze na een periode van verval worden
geherwaardeerd. De huizen zijn er niet langer betaalbaar. Als reactie
ontstonden alternatieve woonvormen, zoals community land trusts en
verenigingen voor mutual housing. Bewoners richten coöperaties op en
plaatsen ‘eigendom’ onder collectieve controle, wat de betaalbaarheid
garandeert.
Het Jaarboek
analyseert een elftal voorbeelden waaruit de kracht van het lokale niveau
blijkt. Enkele hoofdstukken focussen op de niet te onderschatten rol van lokale
besturen. Ook zij kunnen het initiatief nemen om sociaal innovatieve projecten
uit te werken.
Sociale innovatie is geen
eenduidig positief verhaal. Het gevaar bestaat dat het inzetten van de
creativiteit en vrijwillige inzet van burgers onder het mom van sociale
innovatie misbruikt wordt om de verantwoordelijkheid van de overheid in de
strijd tegen armoede en sociale uitsluiting af te bouwen. Wil sociale innovatie
de samenleving transformeren, dan is ondersteuning op structurele basis nodig. Loïc Wacquant waarschuwt bovendien dat sociale innovatie
negatief kan doorslaan. In de Verenigde Staten leidt een bestraffend en
sanctionerend sociaal beleidsdiscours alleen maar tot de oververtegenwoordiging
van maatschappelijk kwetsbare groepen in de gevangenissen.
Traditiegetrouw
informeert het Jaarboek ook over de recentste cijfers en het beleid
tegen armoede en sociale uitsluiting. De complexiteit van armoede komt aan bod
in hoofdstukken over werk, onderwijs, gezondheid en wonen. De kritische analyse
van de armoedetoets biedt inzicht in de mogelijkheden van de overheden om de
doelmatigheid van het beleid te verhogen. Daarnaast focussen we op manieren om
armoede te meten, via een maatstaf om het multidimensionele karakter van
armoede te vatten en de refer entiebudgetten.
Minister
Ingrid Lieten bezoekt colloquium Lokaal begonnen, half gewonnenOp donderdag 6
december van 8.45 tot 13 uur organiseert OASeS haar jaarlijkse colloquium rond
het Jaarboek Armoede. Titel dit jaar: Lokaal begonnen, half gewonnen. Na
de voorstelling van het Jaarboek werpt prof. dr. Maarten Loopmans (KU
leuven) een kritische blik op sociale innovatie voor armoedebestrijding en
beargumenteert hij hoe deze onder druk komt te staan. Na de pauze volgen drie
debatten waarin telkens twee opposanten elkaar uitdagen over de zin en onzin van
sociale innovatie. Mevrouw Ingrid Lieten, de Vlaamse coördinerende minister
voor armoedebestrijding, neemt het woord om 12.40 uur. Vanzelfsprekend zijn de
media ook welkom op het colloquium.
Praktisch:
Journalisten
die met de auto naar de voorstelling van het Jaarboek Armoede komen, kunnen gratis
parkeren in de parkeergarage Antwerp Shopping (Molenbergstraat 7). U neemt
het parkeerticket mee naar de persconferentie en ruilt het bij Peter De Meyer
om voor een exemplaar dat u vrije doorgang verleent. Vanaf de parkeergarage is
het drie minuten wandelen tot aan de Lange Sint-Annastraat 7.
|
|
|
|
|
|
Studenten en fast food zijn vaak goeie vrienden. Een
cliché, maar wellicht schuilt er enige waarheid in. Hoog tijd dus om daar
verandering in te brengen. De vijfde editie van het Cookbook van de
Universiteit Antwerpen schakelt daarom bewust een versnellinkje lager, en
focust op slow food.
Pizza, pita en frietjes duiken vaak op in studentenkoten,
want snel en vrij budgetvriendelijk. Maar het kan ook anders: studenten en
medewerkers van de Universiteit Antwerpen stuurden hun favoriete slow
food-recepten in. De beste werden gebundeld in de nieuwe editie van het Cookbook,
ondertussen al aan nummer vijf toe. Wat te
denken van vlaaien op de wijze van mémé of een stoofpotje van kip met
appeltjes?
Betekent slow food noodzakelijk dat je urenlang in de weer
bent met de voorbereiding van een maaltijd? Geenszins. Bij veel gerechten in
het kookboekje doet de tijd haar werk. Het eten pruttelt en jij kan ondertussen
even je zinnen verzetten. Daarom is slow cooking ook vaak koken met vrienden of
familie. Ideaal om je hoofd vrij te maken en inspiratie op te doen.
Praktisch:
De vijfde editie van het
Cookbook wordt voorgesteld op dinsdag 27 november om 17 uur, in aanwezigheid van rector Alain Verschoren en
Inga Verhaert, gedeputeerde Provinciebestuur Antwerpen. Plaats van afspraak: de
patio van De Grauwzusters (Lange Sint-Annastraat 7 in Antwerpen). De pers is
uiteraard van harte welkom.
Meer weten?
Linda Schools (Universiteit
Antwerpen): Linda.schools@ua.ac.be
of 03 265 24 96.
|
|
|
|
|
|
Sarah Hoeck (Universiteit
Antwerpen, Vakgroep Epidemiologie en Sociale Geneeskunde) onderzocht
alcoholgebruik bij thuiswonende 65-plussers
Drinkgedrag
van één 65-plusser op vijf overschrijdt de richtlijn Mensen van 65
jaar en ouder mogen volgens de internationale richtlijnen niet meer dan zeven
glazen alcohol per week drinken. Uit onderzoek van Sarah Hoeck (Universiteit
Antwerpen) blijkt dat 20,5% van de Belgische thuiswonende 65-plussers die
richtlijn overschrijdt. Bovendien combineert 81,3% van de doelgroep het drinken
van alcohol met het nemen van voorgeschreven geneesmiddelen, wat kan leiden tot
een verhoogd risico.
De negatieve
effecten van alcohol zijn bekend, zowel voor jong als voor oud. Maar het risico
op gezondheidsproblemen wordt nog groter naarmate een mens ouder wordt. “Op
oudere leeftijd verdraagt het lichaam alcohol minder goed”, legt Sarah Hoeck
uit. “Dat komt onder meer omdat ouderen minder lichaamsvocht hebben, de
lichamelijke weerstand afneemt en lever en nieren vaak minder goed werken.
Hierdoor leidt eenzelfde hoeveelheid alcohol tot hogere bloedspiegels,
lagere tolerantie en snellere intoxicatie. wat o.a. het valrisico, een
belangrijke doodsoorzaak bij mensen boven de 65, vele malen vergroot.
Daarnaast verergert overmatig alcoholgebruik bepaalde medische aandoeningen,
zoals diabetes, hoge bloeddruk en geheugenproblemen.”
Alcohol heeft
ook positieve effecten voor oudere mensen: matig drinken kan een gunstig effect
hebben op hart- en bloedvaten, en er zijn studies die een verminderde kans op
dementie aantonen. Hoeck: “Belgische richtlijnen zijn er nog niet, maar
internationaal worden de NIAAA-richtlijnen (National Institute on Alcohol Abuse
and Alcoholism, VS) vaak gebruikt. Die zeggen dat mannen van 65 jaar en ouder
zeven consumpties alcohol per week mogen drinken, en vrouwen nog iets minder
(en niet meer dan drie glazen per dag) Ter vergelijking: om kans op
lichamelijke en psychische schade te door alcohol te vermijden, wordt volwassen
mannen geadviseerd om niet meer dan 21 glazen per week drinken (volwassen
vrouwen 14) en minimum twee alcoholvrije dagen per week in te lassen.”
België scoort slechtOp basis van de data uit de
Belgische Gezondheidsenquête van het Wetenschappelijk Instituut voor
Volksgezondheid (WIV) analyseerde Sarah Hoeck de gegevens van 3954 thuiswonende
65-plussers.
- de
helft van de senioren (50,1%) blijkt niet of slechts occasioneel te drinken
- 29,1%
drinkt één tot zeven glazen per week
- 10,4%
is risicodrinker (acht tot veertien glazen)
- 4,6%
is zware drinker (vijftien tot eenentwintig glazen)
- 5,5%
drinkt meer dan eenentwintig glazen per week (problematisch drinkgedrag)
Wanneer de drie laatste
categorieën samengeteld worden, blijkt dat 20,5% van de ouderen de
NIAAA-richtlijn overschrijdt. Hoeck: “België scoort daarmee duidelijk slechter
dan landen zoals de Verenigde Staten en Engeland, waar 8 tot 15% van de
65-plussers meer dan zeven glazen alcohol per week drinkt.”
4,7% van de 65-plussers werd
als alcoholafhankelijk gedefinieerd volgens de CAGE (een instrument dat op
basis van vier vragen indicatie op alcoholafhankelijkheid meet), 12,4% bij CAGE
specifiek voor 65-plussers. Deze cijfers zijn ook hoger vergeleken met Europees
onderzoek waar 3% als alcoholafhankelijk gedefinieerd werd.
“Het aantal
drinkende ouderen daalt met de leeftijd. Maar toch overschrijdt 12,4% van
de 85-plussers de richtlijn. Mannen drinken meer dan vrouwen, en het
alcoholgebruik is voornamelijk hoog bij samenwonenden (met partner of andere
persoon) en bij hogere socio-economische groepen. Mensen met een hoger
aantal sociale contacten drinken ook meer. De trend dat geïsoleerde
ouderen met weinig sociale contacten meer zouden drinken, werd niet bevestigd
in ons onderzoek.”
Dat 81,3% van de
wekelijkse drinkers alcohol combineert met het innemen van voorgeschreven
geneesmiddelen is volgens de onderzoekster problematisch te noemen. “Een
relatief groot aantal van de 65-plussers in ons onderzoek loopt dus mogelijk
een gezondheidsrisico omwille van interactie tussen hun alcoholconsumptie en de
medicatie die ze nemen en de medische conditie die ze hebben.”
Hoeck wijst
tenslotte op een mogelijke onderdiagnose van problematisch alcoholgebruik bij
ouderen. “Overmatig alcoholgebruik bij ouderen wordt vaak omschreven als een
stille epidemie, om verschillende redenen. De belangrijkste reden voor deze
onder- of misdiagnose is dat symptomen van verouderen zoals geheugenverlies,
slaapproblemen, gastro-intestinale klachten, depressie,
evenwichtsproblemen, valpartijen, … mogelijk problematisch alcoholgebruik
kunnen maskeren. Huisartsen interpreteren deze symptomen vaak als horende bij
het ouder worden, terwijl alcohol een rol kan spelen. Vaak houden ouderen hun
alcoholgebruik verborgen uit schaamte of schuldgevoel. Verder polsen
hulpverleners zelden naar alcoholgebruik omwille van een zeker taboe en het
idee dat het moeilijk is om iets aan het gedrag van ouderen te veranderen.”
“Met deze
cijfers willen we wel aangeven dat de directe omgeving en hulpverleners,
waaronder huisartsen, een zekere alertheid zouden moeten hebben voor deze
problematiek. Verder is het belangrijk om de doelgroep zelf te informeren over
het bestaan van richtlijnen omtrent ‘veilig alcoholgebruik’ voor ouderen en de
mogelijke gevaren van de combinatie tussen alcohol, medicatie en bepaalde
medische condities.”
Ook alcohol- en
geneesmiddelengebruik bij ouderen in rust- en verzorgingstehuizen en
serviceflats zal verder onderzocht worden.
Meer weten?
Drs. Sarah Hoeck: 03 265 28 70 of sarah.hoeck@ua.ac.bePromotor: prof. Guido Van
Hal: guido.vanhal@ua.ac.be
Vakgroep Epidemiologie en
Sociale Geneeskunde, Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen,
Universiteit Antwerpen
De vakgroep wil
het middelengebruik (alcohol, geneesmiddelen en roken) bij 55-plussers nog
beter in kaart brengen. 55-plussers kunnen via de website www.uwantwoord.be
een enquête invullen (doorklikken
naar ‘enquêtes’, enquête 55+ middelengebruik).
|
|
|
|
|
Zeolieten zijn
mineralen met een poreuze structuur. Dat maakt hen interessant als katalysator
in industriële toepassingen. Kunstmatige zeolieten zijn helaas zeer complex aan
te maken. Onderzoekers van de universiteiten van Leuven, Gent en Antwerpen
ontdekten een manier om sneller nieuwe zeolieten te maken. Zeolieten zijn het meest bekend van hun massaal gebruik in wasmiddelen om
water te ontharden of als katalysatoren in de industrie. Een katalysator
is een stof die de snelheid van een bepaalde chemische reactie beïnvloedt
zonder zelf verbruikt te worden. Zeolieten zijn zeer robuust en
herbruikbaar: dat maakt hen tot milieuvriendelijke katalysatoren.
Er bestaan
verschillende types zeolieten, elk met hun eigen structuur en welbepaalde
poriën. Zeolieten die men terugvindt in de natuur, zijn vaak niet interessant
voor industriële toepassingen: hun poriën zijn te klein. De ontwikkeling van
synthetische zeolieten is dan weer zeer complex, en vaak gebaseerd op trial
and error. Momenteel zijn er ongeveer 200 verschillende synthetische
zeolieten gevonden, waarvan slechts een twintigtal worden gebruikt in de
industrie. Voor elke toepassing zijn de gewenste eigenschappen van een zeoliet
- zoals samenstelling, poriegrootte, herbruikbaarheid enzovoort - immers
anders. Een zeoliet met vooraf bepaalde eigenschappen aanmaken was tot nu toe
nog niet mogelijk.
Onderzoekers uit
Leuven, Gent en Antwerpen hebben nu experimenteel aangetoond dat het mogelijk
is om bouweenheden uit te knippen en die te herschikken tot een nieuwe
structuur. Professor Christine Kirschhock van de KU Leuven legt uit: “Een
zeoliet kan beschouwd worden als een geheel van samengevoegde bouwblokjes. We
kunnen bepaalde bouweenheden van een zeoliet afzonderen en opnieuw
aaneenschakelen. En dat op verschillende manieren, afhankelijk van de gewenste
eigenschappen.”
Deze methode om
nieuwe zeolieten aan te maken, heeft grote voordelen: “Naast nieuwe mogelijkheden
voor toepassingen, helpt dit bij de ontwikkeling van een duurzame chemische
industrie. Deze werkwijze is goedkoper en groener.
Bouwstenen van zeolieten
knippen en plakken tot nieuwe structuren
1. Het
oorspronkelijk zeoliet kan voorgesteld worden als lagen (grijs) verbonden door
twee kubussen (geel).
2. De
kubussen worden systematisch uit het oorspronkelijk materiaal geknipt.
3. De
lagen worden niet aangetast en op alternatieve manieren aaneengeschakeld.
Meer
weten?
Prof. Staf Van Tendeloo (EMAT – Universiteit Antwerpen): 03
265 32 62 of staf.vantendeloo@ua.ac.be
De volledige tekst
van de studie Design of zeolite by inverse sigma transformation is beschikbaar op de website van Nature:
http://www.nature.com/nmat/journal/vaop/ncurrent/full/nmat3455.html
|
|
|
|
|
|
Antwerpse universiteit en hogescholen bieden boeiend pakket aan tijdens Dag van de Wetenschap Je dagelijkse leven is een en al wetenschap! Wetenschap saai, moeilijk en ver van mijn bed? Klopt in de verste verte niet, en toch denken vele mensen er zo over. Tijdens de Dag van de Wetenschap op zondag 25 november bewijzen de Antwerpse universiteit en hogescholen dat wetenschap uitermate boeiend is en een invloed heeft op je dagdagelijkse leven. Iedereen is welkom op tientallen workshops, experimenten, rondleidingen en doe-activiteiten. De Dag van de Wetenschap is het feestelijke sluitstuk van de Vlaamse Wetenschapsweek. Universiteiten, hogescholen, wetenschappelijke instituten, musea en bedrijven zetten hun deuren open om iedereen kennis te laten maken met wetenschap en technologie. Hun credo: het beeld dat de meeste mensen associëren met wetenschap, stemt vaak niet overeen met de werkelijkheid. In Vlaanderen kunnen geïnteresseerden terecht op 75 verschillende locaties. Heel wat van die locaties liggen in Antwerpen, kloppend hart van de Vlaamse economie én ook een belangrijk centrum op het gebied van wetenschap en innovatie. Het kostte de Associatie Universiteit en Hogescholen Antwerpen (AUHA) dan ook niet veel moeite om een boeiend pakket in elkaar te knutselen voor de Dag van de Wetenschap. Het aanbod maakt duidelijk dat wetenschap je leven dagelijks beïnvloedt en dat ze vaak ‘opduikt’ op plaatsen waar je het niet meteen verwacht. Wat betekent de wetenschap voor de mode? Wat hebben literatuur en schilderkunst met wetenschap te maken? En waarom is diezelfde wetenschap ook absoluut noodzakelijk voor een verantwoord gebruik van onze (water)wegen? Professoren, docenten en onderzoekers beantwoorden deze en vele andere vragen tijdens workshops, lezingen, interactieve gesprekken, rondleidingen, experimenten en doe-activiteiten. Als bezoeker moet je niet zomaar toekijken vanaf de zijlijn. Integendeel: jij experimenteert mee, stelt vragen, probeert zaken uit. Bezoekers kunnen zelf een parcours uitstippelen langs de verscheidene locaties, om zo die fascinerende diversiteit binnen het wetenschappelijk onderzoek te ontdekken. Waar in Antwerpen kan je terecht? - Het EcoHuis: heel wat boeiends rond ecodiversiteit, exotische diersoorten, kleine beestjes in het water, ecodesign… - Instituut voor Tropische Geneeskunde: alles rond hiv, tseetseevliegen en de eiwitten in je lichaam - In en rond het Museum aan de Stroom en het Felix Pakhuis: hier staan techniek, water en onderzoek naar kunst centraal - ModeMuseum: hier kom je alles te weten over schoeisel uit andere culturen, over zwarte wol, … - Museum Plantin-Moretus: eeuwenoude loden letters geven hun geheim prijs, en je verneemt alles over fijn stof in museums - Letterenhuis: bestudeer mee de correspondentie van Paul Van Ostaijen - Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience: ontdek of de Vlaamse Primitieven spiegels en lenzen gebruikten bij het schilderen De Universiteit Antwerpen kijkt ook buiten de provincie: in Lochristi kan je een rondleiding volgen op de grootste bio-energieplantage van België (www.ua.ac.be/levenslangleren). Op http://www.dagvandewetenschapantwerpen.be/ ontdek je het hele Antwerpse aanbod. Tot zondag! Meer weten? Els Grieten/Mieke De Lathouwers, Universiteit Antwerpen: els.grieten@ua.ac.be, 03 265 31 27 mieke.delathouwers@ua.ac.be , 03 265 31 27 35 (Letterenhuis, Museum Plantin-Moretus, ModeMuseum, Instituut voor Tropische Geneeskunde, Ecohuis) Tine Rams, Artesis Hogeschool: tine.rams@artesis.be (MAS, Felix pakhuis, Erfgoedbibliotheek, Museum Plantin-Moretus) Ilse Bogaert, Hogere Zeevaartschool: ilse.bogaert@hzs.be (MAS) Monique Slijper, Karel de Grote - Hogeschool: monique.slijper@kdg.be (MAS, Felix pakhuis, Ecohuis) Barbara Deslé, Plantijn Hogeschool: barbara.desle@plantijn.be (Felix Pakhuis) www.dagvandewetenschapantwerpen.be
|
|
|
|
|
|
Wetenschappers Universiteit Antwerpen onderzochten houding van getuigen bij cyberpesterijen Meer dan de helft van de jongeren (56,9%) reageert niet als ze getuige zijn van cyberpesterijen. Eén op vijf zegt niet tussenbeide te komen uit schrik zelf gepest te worden. Dat blijkt uit de eerste resultaten van de grootschalige DICA-studie van de Universiteit Antwerpen, die vermeld staan in een overzichtsrapport van zes jaar onderzoek naar cyberpesten in Vlaanderen en daarbuiten (www.friendlyattac.be). Wetenschappers van de onderzoeksgroep MIOS (Media & ICT in Organisations & Society), verbonden aan de Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen van de Universiteit Antwerpen, ondervroegen 2333 Vlaamse jongeren tussen 9 en 16 jaar over hun ervaringen met cyberpesterijen (via het internet en de gsm). 11,1% van de jongeren gaf toe tijdens de voorbije zes maanden iemand anders gepest te hebben. Exact evenveel jongeren rapporteerden dat ze het slachtoffer waren van cyberpesterijen. In een deelonderzoek focusten de communicatiewetenschappers op de houding van de bijstanders. Meer dan een op de drie jongeren (35,5%) vermeldde getuige te zijn geweest van cyberpesterijen. 45,5% probeerde in één of meerdere van die gevallen het slachtoffer te helpen. Een duidelijke meerderheid (56,9%) deed helemaal niets. 5% gaf zelfs toe meegedaan te hebben met de pestkop.
“De jongeren geven verscheidene redenen voor hun passief gedrag”, vertelt prof. Heidi Vandebosch. “30,1% stelt dat het zijn of haar zaken niet zijn’. 19,1% doet niets uit schrik zelf gepest te worden. Bijna evenveel ondervraagden (18,9%) duiden aan dat ze niet weten hoe zij het slachtoffer kunnen helpen. Deze bevindingen sluiten aan bij wat we ook voor het traditionele pesten observeren: hoewel de meeste jongeren pesten niet oké vinden, durven ze in heel concrete situaties niet te reageren. Daardoor voelt de pestkop zich vaak gesterkt in zijn of haar gedrag”. (Cyber)pesten heeft schadelijke gevolgen op vele vlakken. Onverschillig blijven is dan ook geen optie. Daarom organiseert het Vlaams Netwerk Kies Kleur tegen Pesten van 31 januari tot en met 8 februari 2013 de campagneweek Horen, Zien en SPREKEN!. “Het wordt hoog tijd dat de ‘stille samenzwering’ die zo vele pestsituaties kenmerkt en in stand houdt, wordt doorbroken”, zegt coördinator Gie Deboutte, als onderzoeker ook verbonden aan de Universiteit Antwerpen. “Spreken is de boodschap. Om het stilzwijgen te doorbreken, is er nood aan veilige en betrouwbare aanspreekpunten en aan vele, kleine, moedige daden van verzet. Kinderen, jongeren, leerkrachten en ouders moeten er samen voor zorgen dat slachtoffers, omstaanders en pestkoppen veel vroeger dan nu het geval is aan het spreken gaan over wat hen overkomt, over wat ze te zien en te horen krijgen.”
Meer weten? Prof. dr. Heidi Vandebosch (promotor DICA-studie en Friendly ATTAC-project): heidi.vandebosch@ua.ac.be Dr. Katrien Van Cleemput (project manager Friendly ATTAC): katrien.vancleemput@ua.ac.be Sara Pabian (onderzoeker DICA-studie): Sara.Pabian@ua.ac.be Hier vindt u de volledige paper.
De onderzoeksgroep MIOS van de Universiteit Antwerpen voert sinds 2005 onderzoek uit naar cyberpesten en heeft een sterke expertise uitgebouwd in dit domein. Momenteel lopen er diverse grootschalige onderzoeken naar cyberpesten. In de DICA-studie (Developmental Issues in Cyberbullying amongst Adolescents) worden meer dan 2000 Vlaamse jongeren tussen 10 en 16 jaar, gedurende een periode van twee jaar, halfjaarlijks bevraagd over hun ervaring met cyberpesten. Op die manier wordt het mogelijk om te zien hoe cyberpesten zich over de tijd heen ontwikkelt, en welke verbanden het vertoont met de sociaal-psychologische ontwikkeling tijdens de adolescentie. Het onderzoeksproject Friendly ATTAC (Adaptive Technological Tools Against Cyberbullying) is een vierjarig interdisciplinair onderzoeksproject dat gefinancierd wordt door het IWT (Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie). Het project wil nagaan op welke manier technologische middelen kunnen worden ingezet in gezondheidsinterventies rond cyberpesten bij jongeren. Vier partners zijn betrokken: Universiteit Antwerpen, Universiteit Gent, Vrije Universiteit Brussel en Hogeschool West-Vlaanderen. Meer informatie: www.friendlyattac.be.
|
|
|
|
|
Steunpunt Gelijkekansenbeleid vraagt aandacht voor de lage aangiftebereidheid bij politie en discriminatieorganen
Heel wat transgenders (mensen die zich niet, of niet helemaal één voelen met de sekse waarin ze geboren worden) krijgen met geweld te maken. Op de wereldwijde ‘Transgender Day of Remembrance’, die jaarlijks op 20 november plaatsvindt, maakt het Steunpunt Gelijkekansenbeleid de eerste resultaten bekend van het onderzoek naar geweldervaringen van transgenders in België. Daaruit blijkt dat 4 op de 5 transgenders al het slachtoffer van geweld werd omwille van hun transgender identiteit of achtergrond.
Dit onderzoek van het Steunpunt Gelijkekansenbeleid past in een reeks onderzoeken die minister van Gelijke Kansen, Pascal Smet, heeft gevraagd naar aanleiding van de vele voorvallen van homofoob en transfoob geweld. Ook transgenders zijn immers sinds het begin van zijn legislatuur een expliciete aandachtsgroep voor het gelijkekansenbeleid. Het onderzoek dat in de lente en zomer van 2012 is afgenomen bij 260 respondenten uit België, toont aan dat 1 op de 3 minstens één keer een vorm van seksueel geweld meemaakte, een kwart onder hen kreeg met fysiek geweld te maken, 4 op de 5 met verbaal of psychisch geweld, en bijna 2 op de 10 met materieel geweld. Onderzoeker Joz Motmans: “Een andere opvallende vaststelling is dat de daders vaak bekenden zijn uit de naaste omgeving, meestal mannen, en dat driekwart van de daders ouder dan 20 jaar zijn. Het lijkt dus lang niet altijd te gaan om de stereotype jonge ‘hanggastjes’ die de transgenders niet kennen.” Bij gevallen van fysiek geweld doet een kwart van de respondenten aangifte bij de politie. Seksueel geweld wordt slechts in 7% van de gevallen aangegeven. Deze lage aangiftebereidheid wordt onder andere verklaard uit gevoelens van schaamte, de angst dat politie de zaak niet au sérieux zou nemen, of omdat men ervan uitgaat dat de daders toch niet gestraft zullen worden. Bovendien wenden zeer weinig respondenten zich tot andere instanties, zoals het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, de 13 lokale meldpunten discriminatie of het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen. Minister Smet zal daarom vragen dat met deze gegevens wordt rekening gehouden bij de opmaak van het “nationaal actieplan tegen homofoob en transfoob geweld”. Transfoob geweld moet op verschillende fronten aangepakt worden. Enerzijds voorziet minister van Gelijke Kansen, Pascal Smet, deze legislatuur een wijziging van het Vlaamse antidiscriminatiedecreet en worden “genderidentiteit” en “genderexpressie” als specifieke discriminatiegronden opgenomen. Zo krijgen transgenders een beschermend kader dat een duidelijk signaal geeft dat transfobie niet kan, én de aangiftebereidheid hopelijk verhoogt. Anderzijds wordt ingezet op andere domeinen zoals onderwijs en werk om preventief aan sensibilisering te werken. Zo kunnen mensen die een naamsverandering ondergingen sinds 1 september 2012 bij hun onderwijsinstellingen een nieuw diploma of scholingsbewijs krijgen met hun nieuwe naam. Daarnaast werkt minister Smet samen met zijn collega Muyters aan een publicatie voor werkgevers, om hen te ondersteunen in het correct omgaan transgenders op de werkvloer. Meer weten? Joz Motmans, onderzoeker Joz.motmans@ua.ac.be Nina Mallants, woordvoerster minister Smet Nina.mallants@vlaanderen.be
|
|
|
|
|
|
Op dinsdagavond 20 november is Willy Kiekens, Belgisch directeur bij het Internationaal Monetair Fonds, te gast op de Universiteit Antwerpen. In het kader van de debattenreeks Debating Development, een organisatie van het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid (IOB) en de Universitaire Stichting voor Ontwikkelingssamenwerking (USOS), zal hij zijn visie geven op de toekomst van het Internationaal Monetair Fonds. Nu dat groeilanden in het Zuiden meer en meer de rol van het traditionele Noorden overnemen als motoren van de wereldeconomie, stelt de vraag zich of het IMF deze veranderende realiteit al dan niet weerspiegelt. Zo ligt bijvoorbeeld de landenvertegenwoordiging in de Executive Board, die het dagelijkse bestuur van het IMF waarneemt, onder vuur. Zijn de recente verschuivingen in dit beslissingsorgaan voldoende verregaand, of toch tenminste een stap in de goede richting? Willy Kiekens en Eurodad-directeur Jesse Griffiths geven beiden hun uiteenlopende visies. Willy Kiekens geeft zelden lezingen in België. Zijn bezoek aan de Universiteit Antwerpen is dan ook een unieke gelegenheid. Journalisten zijn hartelijk welkom om de lezing bij te houden. Helaas zijn interviews met de IMF-topman niet mogelijk. Praktisch: Dinsdag 20 november, 19 tot 21 uur: Is the governance of the IMF fit for a changed global economic order? (Stadscampus Universiteit Antwerpen, Rodestraat 14, 2000 Antwerpen, Aula R.002)
Meer weten?
Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: 03 265 47 11 of peter.demeyer@ua.ac.be http://www.ua.ac.be/main.aspx?c=*USOS&n=6172&ct=003060
|
|
|
|
|
|
Onderzoeker Universiteit Antwerpen vindt aanwijzingen dat cholesterolverlager schade aan kraakbeen voorkomt Artrose mogelijk te bestrijden met cholesterolmedicatie Er zijn veelbelovende aanwijzingen dat cholesterolverlagende middelen als statines en fibraten kunnen worden toegepast om artrose te voorkomen of tot stilstand te brengen. Dat blijkt uit onderzoek van de Vlaamse orthopeed Stefan Clockaerts, die drie jaar onderzoek deed in het Rotterdamse Erasmus MC en binnenkort doctoreert aan de Universiteit Antwerpen.
Clockaerts maakte onder meer gebruik van medische informatie afkomstig uit het Ergo-onderzoek, dat al sinds 1990 loopt in de Rotterdamse wijk Ommoord. Zijn onderzoek vond plaats onder auspiciën van de afdelingen Orthopedie, Epidemiologie en Huisartsgeneeskunde van het Erasmus MC-onderzoek.
Artrose is een veel voorkomende gewrichtsaandoening die wordt gekenmerkt door aantasting van het kraakbeen. In de volksmond wordt ook wel van gewrichtsslijtage gesproken. Bij artrose ontstaat schade aan het kraakbeen inderdaad door slijtage, maar de schade kan ook ontstaan door ontstekingen in het gewricht, die het kraakbeen verder aantasten.
De ontdekking van Clockaerts begon met het bewijs dat vetweefsel in het kniegewricht bijdraagt aan deze ontstekingsprocessen. Zogeheten knievet scheidt ontstekingsstoffen uit, die het kraakbeen beïnvloeden. Komt knievetweefsel bovendien in de buurt van een bestaande ontsteking, dan produceert het knievet nog meer van deze stoffen.
Vervolgens testte Clockaerts door middel van weefselonderzoek of lipide- ofwel vetverlagende middelen als statines en fibraten ervoor zorgden dat het knievet zou stoppen met de productie van deze ontstekingsstoffen. Dat bleek het geval. Bovendien werd getest wat het effect van fibraten was op kraakbeenweefsel en het weefsel van het slijmvlies dat de gewrichten omkapselt. Dat effect bleek gunstig te zijn. In het Rotterdamse Ergo-onderzoek keek hij vervolgens of artrose significant veel minder vaak voorkomt bij mensen die statines slikten, bijvoorbeeld vanwege een te hoog cholesterol-gehalte. Ook dat bleek het geval.
Dit betekent volgens Clockaerts dat mag worden aangenomen dat statines en fibraten mogelijk een positieve bijwerking hebben, namelijk dat zij artrose kunnen voorkomen of tot stilstand brengen. ,,Voordat deze middelen echter in de praktijk kunnen worden toegepast op –potentiële- patiënten met artrose, is een gedegen dubbelblind klinisch onderzoek nodig, waarbij de ene helft van de patiëntengroep een placebo krijgt en de andere helft statines,’’ verklaart Clockaerts. ,,Vervolgens zullen we kijken of de huidige vermoedens echt worden bevestigd.’’
Op 22 februari 2013 promoveert Clockaerts aan de Universiteit Antwerpen, waar hij op de Departementen Orthopedie en Reumatologie aan het eerste deel van zijn onderzoek werkte.
Meer weten?
Stefan Clockaerts: s.clockaerts@erasmusmc.nl
|
|
|
|
|
|
Niels Adriaenssens (Universiteit Antwerpen) onderzocht antibioticagebruik in Europa
Verbetert het antibioticagebruik in Europa?
En hoe is het gesteld met de consumptie van andere antimicrobiële middelen zoals antischimmelpreparaten en antivirale middelen? Die vragen beantwoordt Niels Adriaenssens in zijn proefschrift Gebruik van antimicrobiële middelen in de ambulante praktijk in Europa, dat hij verdedigt aan de Universiteit Antwerpen op 15 november, net voor de vijfde Europese Antibioticadag (18 november).
Het eerste deel van zijn proefschrift bespreekt resultaten van het European Surveillance of Antimicrobial Consumption (ESAC)-project. Gedurende tien jaar werd ESAC geleid door prof. dr. Herman Goossens, en gefinancierd door de Europese Commissie. Binnen ESAC werd naast het antibioticagebruik ook voor het eerst de consumptie van antischimmelpreparaten en antivirale middelen tussen landen vergeleken. Er bleek in Europa een opvallende variatie in het gebruik van antischimmel- en antivirale middelen. In vergelijking met de andere Europese landen wordt er in België per inwoner de grootste hoeveelheid antischimmelmiddelen gebruikt. Moderne, statistische technieken lieten een gedetailleerde analyse toe van het totale ambulante antibioticagebruik en van de belangrijkste subgroepen van 1997 tot 2009. “We onderzochten eveneens trends in deze periode, seizoensvariatie, en veranderingen in samenstelling van het gebruik”, legt Adriaenssens uit. “Over de jaren heen is er in Europa voornamelijk een toegenomen gebruik van breedspectrum antibiotica zoals amoxicilline met clavulaanzuur, macroliden en chinolonen. Deze antibiotica treffen meer types bacteriën dan nodig om te genezen. Het antibioticagebruik is ook duidelijk seizoensgebonden, maar de seizoensvariatie daalt over de jaren heen. Dat zou kunnen wijzen op een verbetering van voorschrijfgedrag.” Kloof noord en zuid Het tweede deel van dit proefschrift onderzoekt de kwaliteit van het antibioticagebruik in Europa. Om het ambulant gebruik van antibiotica te kunnen verbeteren, is het noodzakelijk dat we de kwaliteit ervan kunnen meten. In 2004 werd er een set van twaalf kwaliteitsindicatoren ontwikkeld die uit ESAC-gegevens afgeleid kunnen worden. Adriaenssens: “Een vergelijking van de kwaliteit van het antibioticagebruik in Europa tussen 2004 en 2009 op basis van deze kwaliteitsindicatoren gaf aan dat er nog altijd een belangrijke kloof bestaat tussen Noord- en Zuid-Europese landen. In Griekenland wordt bijvoorbeeld tot driemaal meer antibiotica geconsumeerd dan in Zweden. En ook het aandeel breedspectrum antibiotica is er bijna tweemaal zo groot. Dat aandeel is ook in België bijna 50%.“ Aangezien artsen meer nood hebben aan kwaliteitsindicatoren die rekening houden met de diagnose, ontwikkelde Adriaenssens een tweede set van kwaliteitsindicatoren. Deze indicatoren werden door 40 experts uit 25 Europese landen beoordeeld als bruikbaar in de huisartspraktijk. Integratie van deze kwaliteitsindicatoren in het elektronisch medisch dossier zou elke huisarts de mogelijkheid bieden om de kwaliteit van het eigen voorschrijven te beoordelen en indien nodig bij te sturen. Gegevens van een Vlaams huisartsennetwerk toonden aan dat ook specifiek voor luchtweginfecties minder wordt voorgeschreven, maar dat het voorgeschreven antibioticum in meer dan de helft van de gevallen een te breed spectrum had, met een aanzienlijk aandeel chinolonen. Nationale en internationale inspanningen om de kwaliteit van het antibioticagebruik te verbeteren, zoals de Europese Antibioticadag van 18 november, zijn dus nog steeds relevant. Meer weten? Dr. Niels Adriaenssens: niels.adriaenssens@ua.ac.be of 0497 73 93 74
|
|
|
|
|
|
Universiteit Antwerpen presenteert doctoraatsonderzoek over positief opvoeden
Het Positive Parenting Program richt zich op een positieve manier op de hele bevolking, maar weet daarin ook de kwetsbare gezinnen te bereiken. Het Triple P-opvoedingsprogramma heeft een gunstig effect op gedragsproblemen bij kinderen, ook bij kinderen die leven in armoede, kinderen van ouders met een intellectuele beperking en kinderen met een kinderpsychiatrische problematiek. Dat blijkt uit het onderzoek van ontwikkelingspsychologe Inge Glazemakers (Universiteit Antwerpen).
Het Triple P-programma, ontwikkeld door de Nieuw-Zeelandse professor Matthew Sanders, wil vanuit een preventieve en populatiegerichte aanpak positief opvoeden promoten. Hierbij focust het programma zich, in tegenstelling tot de ‘klassieke’ preventieprogramma’s, op alle ouders en niet alleen op gezinnen met specifieke problemen of zogenaamde risicogezinnen. Het Triple P-programma is flexibel en toegankelijk via een getrapt systeem van opvoedingsprogramma’s, waarin de intensiteit van de hulp wordt afgestemd op de nood van de ouders. (zie onderaan voor de vijf Triple P-principes) Uit eerder onderzoek van de Universiteit Antwerpen blijkt dat de aanpak van Triple P effectief is voor de ouders in de provincie Antwerpen (o.a. een daling van 11% kinderen met gedragsproblemen en 12% minder ouders met stress). De tevredenheid bij zowel ouders als hulpverleners is dan ook groot. Kwetsbare doelgroepen In haar doctoraatsonderzoek onderzocht Inge Glazemakers of ouders uit kwetsbare gezinnen (ouders in armoede, ouders met intellectuele beperkingen en ouders van kinderen met een kinderpsychiatrische problematiek) ook bereikt werden met de populatiegerichte aanpak van het Triple P-programma. Wat blijkt? Ze worden wel degelijk bereikt, het programma heeft ook bij hen effecten. “Zo rapporteerden de ouders die in armoede leven na een Triple P-training minder gedragsproblemen bij hun kinderen”, legt Glazemakers uit. “Het gaat om een daling met 14 %. Ouders met intellectuele beperkingen werden vooral bereikt via gespecialiseerde voorzieningen, maar ook hier zien we een significante reductie in de gedragsproblemen van de kinderen en bovendien een daling in ouderlijke stress (23%). Ouders van kinderen die in de kinderpsychiatrie behandeld werden rapporteerden een grotere daling in gedragsproblemen van hun kinderen (13%) en ouderlijke stress (12%) wanneer ze bovenop de ‘standaard-behandeling’ het Triple P-programma aangeboden kregen.” Een verklaring voor deze resultaten moet volgens Glazemakers gezocht worden in de eigenschap van het programma om ouders aan te spreken op wat ze reeds goed doen en te vertrekken vanuit hun sterkte. “Door het stigma van opvoedingsvragen weg te nemen wordt opvoedingsondersteuning bovendien toegankelijker. Ouders voelen zich aangesproken omdat ze zich herkennen in de alledaagse opvoedingsproblemen waarmee elke ouder wel eens te maken heeft.” De 5 principes van Positief Opvoeden:
- zorgen voor een veilige en uitdagende omgeving voor je kinderen
- een positieve leeromgeving creëren
- gebruik maken van een consequente discipline
- realistische verwachtingen hebben ten opzichte van je kinderen, maar ook ten opzichte van jezelf
- voor jezelf zorgen als ouder
Meer weten? Inge Glazemakers (Universiteit Antwerpen): inge.glazemakers@ua.ac.be of 0479 52 73 20
|
|
|
|
|
Centrum OASeS stelt Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2012 voor
Danielle Dierckx, Stijn Oosterlynck, Jill Coene, An Van Haarlem (red.) Centrum OASeS -Universiteit Antwerpen
Uitgeverij Acco
Maandag 3 december 2012 om 10 uur Klooster van de Grauwzusters, Lange Sint-Annastraat 7, 2000 Antwerpen Stadscampus Universiteit Antwerpen Een voorsmaakje van het Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2012 De nieuwe gemeentebesturen schieten in januari 2013 uit de startblokken. Bestuursakkoorden zijn in de maak. Hoe sterk zullen de steden en gemeenten inzetten op sociaal beleid? Welke instrumenten en hoeveel middelen staan gereserveerd voor armoedebestrijding? Het nieuwste Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting zet armoedebestrijding op het lokale niveau in de kijker. Meer specifiek belichten de auteurs lokale sociale innovatie. Het gaat over creatieve, kleinschalige sociale acties die ontstaan vanuit geëngageerde burgers, het lokale middenveld of lokale overheden. Zij formuleren antwoorden op sociale noden die de markt of de overheid niet of niet voldoende lenigt. Dergelijke antwoorden op sociale noden ontstonden in de jaren zeventig, maar het begrip wint vandaag aan populariteit in diverse beleidsdocumenten. Maar hoe relevant is het lokale niveau voor armoedebestrijding? Nemen we het voorbeeld van de voedselbanken. Meer dan 200 000 mensen doen een beroep op de voedselbanken om in hun basisbehoeften te voldoen. Maar is het fatsoenlijk om als overheid te bouwen op dergelijk ‘extra sociaal vangnet’? Ontloopt zij haar verantwoordelijkheid niet, bijvoorbeeld door te lage sociale uitkeringen die het noodzakelijk maken om voedselpakketten te vragen? Ook de wijkgezondheidscentra passen in dit verhaal. We weten dat de gezondheidszorg, ondanks maatregelen zoals de derdebetalersregeling, niet voor iedereen toegankelijk is. 11% van de Vlaamse huishoudens stelt geneeskundige verzorging uit omwille van financiële redenen. Wijkgezondheidscentra bereiken kwetsbare groepen. Huisbezoeken en raadplegingen van de huisarts zijn er gratis. Bovendien werken ze multidisciplinair, met aandacht voor ziekmakende factoren in woon-, leef- en werkomgeving én zetten ze in op de versterking van het sociaal weefsel en de emancipatie van individuen en groepen. Een derde voorbeeld vinden we in de Amerikaanse steden. Lage inkomensgezinnen worden er uit de binnensteden verdreven, nadat deze na een periode van verval worden geherwaardeerd. De huizen zijn er niet langer betaalbaar. Als reactie ontstonden alternatieve woonvormen, zoals community land trusts en verenigingen voor mutual housing. Bewoners richten coöperaties op en plaatsen ‘eigendom’ onder collectieve controle, wat de betaalbaarheid garandeert. Het Jaarboek analyseert een elftal voorbeelden waaruit de kracht van het lokale niveau blijkt. Enkele hoofdstukken focussen op de niet te onderschatten rol van lokale besturen. Ook zij kunnen het initiatief nemen om sociaal innovatieve projecten uit te werken. Sociale innovatie is geen eenduidig positief verhaal. Het gevaar bestaat dat het inzetten van de creativiteit en vrijwillige inzet van burgers onder het mom van sociale innovatie misbruikt wordt om de verantwoordelijkheid van de overheid in de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting af te bouwen. Wil sociale innovatie de samenleving transformeren, dan is ondersteuning op structurele basis nodig. Loïc Wacquant waarschuwt bovendien dat sociale innovatie negatief kan doorslaan. In de Verenigde Staten leidt een bestraffend en sanctionerend sociaal beleidsdiscours alleen maar tot de oververtegenwoordiging van maatschappelijk kwetsbare groepen in de gevangenissen. Traditiegetrouw informeert het Jaarboek ook over de recentste cijfers en het beleid tegen armoede en sociale uitsluiting. De complexiteit van armoede komt aan bod in hoofdstukken over werk, onderwijs, gezondheid en wonen. De kritische analyse van de armoedetoets biedt inzicht in de mogelijkheden van de overheden om de doelmatigheid van het beleid te verhogen. Daarnaast focussen we op manieren om armoede te meten, via een maatstaf om het multidimensionele karakter van armoede te vatten en de referentiebudgetten. Meer weten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen:peter.demeyer@ua.ac.be en 03 265 47 11
|
|
|
|
|
|
De hele wereld kijkt met spanning uit naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen op dinsdag 6 november. Dat geldt des te meer voor de studenten Politieke Wetenschappen van de Universiteit Antwerpen: zij krijgen op Election Night een interessant programma aangeboden.
Het wordt een lange nacht voor de studenten Politieke Wetenschappen (en hun geïnteresseerde collega’s uit de andere faculteiten): ze worden om 20 uur verwacht in de Aula Rector Dhanis van de Universiteit Antwerpen voor enkele alternatieve colleges. Eerst leidt prof. Stefaan Walgrave hen rond in het vrij complexe Amerikaanse kiesstelsel. Vervolgens krijgen ze via video streaming een college over het belang van de swingstates aangeboden door de Leuvense professor Bart Kerremans. Ook in Leuven wordt immers een Election Night georganiseerd. Na de twee Belgische professoren wordt er een verbinding met de andere kant van de Atlantische Oceaan gemaakt. Prof. Shanto Iyengar (Stanford University) licht de campagne voor deze presidentsverkiezingen door, waarna zijn collega Michael Lewis-Beck (University of Iowa) het zal hebben over verkiezingsvoorspellingsmodellen. Rond middernacht zitten de colleges er op, en is het nagelbijtend wachten op de eerste uitslagen.
Praktisch: Dinsdag 6 november van 20 tot 24 uur: Election Night (Aula Rector Dhanis, Kleine Kauwenberg 14, 2000 Antwerpen). Journalisten zijn van harte welkom.
Meer weten?
Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be of 03 265 47 11.
|
|
|
|
|
“Eigenlijk ben ik nooit echt
weggeweest”
45 000 oud-studenten telt de Universiteit Antwerpen
ondertussen. Zij worden in het academiejaar 2012-2013 vertegenwoordigd door een
nieuwe ambassadeur: muzikant-televisiemaker Jan Leyers. De alumnus Wijsbegeerte
is benieuwd naar de kennismaking met zijn collega’s. “Ze vormen een
ongelofelijk divers publiek, tussen 23 en 93 jaar.”
De voorbije twee academiejaren vervulde Rudy Van Eysendeyk,
voormalig directeur van de Zoo, de rol van ambassadeur voor alle Antwerpse
alumni. Van Eysendeyk was aanspreekpunt voor alle oud-studenten en probeerde
bruggen te slaan tussen die alumni en de Universiteit Antwerpen. Hij wordt nu
opgevolgd door Jan Leyers, die in 1977 afzwaaide met een kandidaatsdiploma
Wijsbegeerte op zak.
“Ik voelde me vereerd, verrast, verblijd toen de Universiteit
Antwerpen me de vraag stelde”, reageert Leyers. “Vandaag kan ik nog niet echt
zeggen hoe het voelt om die tienduizenden collega’s te vertegenwoordigen, maar
ik ben er absoluut benieuwd naar met hen kennis te maken.” Die eerste
kennismaking staat gepland voor 15 november, wanneer Jan Leyers de meest verse
lading afgestudeerden zal toespreken op de Alumniborrel 2012.
Met zijn rol van ambassadeur keert de Hovese
muzikant-televisiemaker min of meer officieel terug naar de Universiteit
Antwerpen. “Maar eigenlijk ben ik nooit echt weggeweest. Zo heb ik tijdens de
eerste weken van dit nieuwe academiejaar al twee lezingen op de universiteit
bijgewoond.”
Meer weten?
Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit
Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be
of 0476 20 07 54
|
|
|
|
|
Elektronenmicroscopie gaat voor goud!
Met de hulp van Qu-Ant-Em, de krachtigste elektronenmicroscoop ter wereld, zijn wetenschappers van de onderzoeksgroep EMAT (Universiteit Antwerpen) er in geslaagd om de posities van individuele atomen in goudnanodeeltjes te bepalen. Een doorbraak, want die nanodeeltjes worden onder meer gebruikt in de strijd tegen kanker. Het toonaangevende vakblad Nature Materials publiceert de resultaten deze week. Zeer kleine deeltjes van het edelmetaal goud, met afmetingen in het nanometergebied, hebben erg interessante eigenschappen. “Ze kunnen bijvoorbeeld chemische reacties versnellen of katalyseren”, vertelt Sara Bals van EMAT (Electron Microscopy for Materials Science). “Bovendien hebben ze een veelvoud aan toepassingen in de nanoelektronica, en worden ze gebruikt in de strijd tegen kanker.” Bij al deze toepassingen speelt de 3-dimensionale vorm van de deeltjes een cruciale rol. Door deze vorm juist te kiezen, wordt het onder andere mogelijk om de deeltjes specifieke kleuren te laten absorberen. Om de goudnanodeeltjes in drie dimensies te bestuderen werd er binnen EMAT gebruik gemaakt van elektronentomografie, een techniek waarbij 2-dimensionale beelden opgenomen met een elektronenmicroscoop via wiskundige algoritmes gecombineerd worden tot een 3-dimensionaal beeld. “Dit principe is vergelijkbaar met het concept dat bij een hersenscanner wordt gebruikt”, legt Bals uit. “De techniek werd in deze studie met een zodanige resolutie toegepast dat de individuele atomen in een goudnanodeeltje zichtbaar werden. Op deze manier kon ook het oppervlak van de nanodeeltjes atoom per atoom bestudeerd worden.” Deze metingen zijn van groot belang omdat katalytische reacties vaak gebeuren aan specifieke plaatsen op het oppervlak. In de toekomst zullen de onderzoekers ook andere soorten nanomaterialen bestuderen. Het is de bedoeling om via die studies de eigenschappen beter te begrijpen, te verbeteren en te gebruiken bij het ontwikkelen van nieuwe toepassingen. Meer weten? Sara Bals (Universiteit Antwerpen): 03 265 32 84 of Sara.Bals@ua.ac.be De figuur toont de individuele atomen aan het uiteinde van een goudnanostaafje.’. "Atomic scale determination of surface facets in gold nanorods." B. Goris, S. Bals, W. Van den Broek, E. Carbo-Argibay, S. Gomez-Grana, L.M. Marzan, G. Van Tendeloo Nature Materials DOI: 10.1038/NMAT3462
|
|
|
|
|
|
Onderzoek UHasselt en Universiteit Antwerpen kan tandje hoger schakelen dankzij technologie Al vijftien jaar bestuderen wetenschappers van CenStat/I-BioStat (UHasselt) en VAXINFECTIO (Universiteit Antwerpen) de verspreiding van infectieziektes in België. Over de mathematische en statistische modellen die ze daarvoor gebruiken, schreven de onderzoekers een boek. Ze reageren tegelijkertijd verheugd op de lancering van de nieuwe Vlaamse supercomputer, die donderdag 25 oktober in Gent wordt voorgesteld. “Dit opent voor ons ongekende mogelijkheden”, klinkt het. “Onderzoek dat twee jaar zou duren, kan nu op een week.”
Om de verspreiding van infectieziekten zoals griep of de impact van interventies zoals een vaccinatieprogramma goed te kunnen inschatten, maken wetenschappers gebruik van mathematische modellen. Gegevens over de sociale contactpatronen tussen mensen zijn erg belangrijk om de juiste simulaties te maken. Daar zijn gepaste statistische methoden voor nodig. Die werden door prof. dr. Niel Hens (UHasselt en Universiteit Antwerpen) en zijn collega’s gebundeld in het boek Modeling Infectious Diseases Parameters Based on Serological and Social Contact Data, uitgegeven door Springer. “Mensen komen voortdurend in contact met elkaar”, aldus Hens. “Ze mixen en geven op die manier infecties aan elkaar door. Om goed te kunnen inschatten op welke manier de overheid een vaccinatiecampagne kan opzetten, zijn die rekenmodellen van ontzettend groot belang.”
Nieuwe mogelijkheden
Die mathematische modellen zijn wel erg arbeidsintensief en tot nu toe botsten de Antwerpse en Hasseltse onderzoekers geregeld op de grenzen van de technologie. Daar komt voortaan verandering in: de nieuwe Vlaamse supercomputer die deze week in Gent in gebruik wordt gekomen, biedt fantastisch veel nieuwe mogelijkheden.
“We voeren voor ons onderzoek heel wat verschillende simulaties uit. Om bepaalde berekeningen te laten maken, zouden we nu twee jaar aan de slag zijn. Met de nieuwe computer kan zo’n simulatie op een week gebeuren. We kunnen voortaan ook grote populatiemodellen simuleren. De supercomputer bestaat uit meerdere computing nodes. In elke node steken we een stad of gemeente, met alle beschikbare demografische gegevens zoals leeftijd en het al dan niet gevaccineerd zijn. We laten de nodes met elkaar ‘communiceren’. Zo bootsen we de sociale contacten tussen mensen na. Op die manier komen we heel snel te weten of een vaccinatiecampagne kosteneffectief zal zijn of niet.”
Meer weten?
Prof. dr. Niel Hens: niel.hens@uhasselt.be of niel.hens@ua.ac.be www.simid.be
|
|
|
|
|
|
43 % van de kleine en 66 % van de middelgrote ondernemingen geeft aan nood te hebben aan een samenwerking met de onderzoekswereld, maar slechts 17 % van de kleine en 35 % van de middelgrote bedrijven doet dat ook actief. Het netwerkplatform ANTWERP. Smart Region Link, een initiatief van de Universiteit Antwerpen en Voka - Kamer van Koophandel Antwerpen-Waasland, wil daar verandering in brengen. “Die verandering is broodnodig, want zonder innovatie komen onze ondernemingen in problemen”, klinkt het.
Voka - Kamer van Koophandel Antwerpen-Waasland peilde bij 276 ondernemingen naar hun behoefte aan onderzoek en ontwikkeling van kennisinstellingen, zoals universiteiten. Uit het onderzoek blijkt dat de grote meerderheid (75 %) van de grote ondernemingen vandaag al actief samenwerkt met kenniscentra. Nog iets meer bedrijven (86 %) geven aan behoefte te hebben aan een samenwerking. Bij de kleine en middelgrote ondernemingen is de situatie helemaal anders. Respectievelijk 43 en 66% geeft aan te willen samenwerken met de onderzoekswereld, maar slechts 17 en 35 % doet het ook effectief. “Zij geven aan dat de kloof tussen ondernemingen en kenniscentra vaak te groot is”, zegt Luc Luwel, gedegeleerd bestuurder van de Kamer. “Binnen kmo’s is er dikwijls ook een gebrek aan structuur en strategie op het vlak van onderzoek en ontwikkeling.” De belangrijkste behoeftes hebben betrekking op ICT-ontwikkelingen en het optimaliseren en automatiseren van processen. Ook de ontwikkeling van nieuwe materialen en ecologie staan hoog op de (ondernemers)agenda.
Broedplaats voor innovatie
Voka - Kamer van Koophandel Antwerpen-Waasland en de Universiteit Antwerpen hebben de boodschap begrepen. Ze slaan de handen in elkaar en lanceren het netwerkplatform ANTWERP. Smart Region Link (kortweg ANTWERP.SRL). “Dit netwerkplatform moet een broedplaats worden voor innovatieve bedrijvigheid”, vertelt Alain Verschoren, rector van de Universiteit Antwerpen. “Een ontmoetingsplaats waar ondernemende onderzoekers, innovatieve ondernemers en andere relevante stakeholders elkaar kunnen versterken, helpen en inspireren.” De Universiteit Antwerpen is de perfecte partner voor dit ondernemersplatform. Het aantal doctoraten, de ideale barometer voor de innovatiegraad van een kenniscentrum, steeg de voorbije jaren telkens. In 2012 zal de kaap van de 160 doctoraten probleemloos gerond worden. Met de oprichting van de faculteiten Ontwerpwetenschappen en Toegepaste Industriële Wetenschappen neemt het belang van innoverend denken bovendien alleen maar toe voor de universiteit. Ook minister van Innovatie Ingrid Lieten juicht dit initiatief, dat samenwerking tussen bedrijven en maatschappij stimuleert, toe. “Samenwerking kan pas efficiënt zijn als ze ook structureel en strategisch onderbouwd is. ANTWERP. Smart Region Link heeft alles in zich om de missende schakel te zijn tussen de kennisinstellingen en de bedrijven . Dit initiatief kan enorm inspirerend werken voor onderzoekers, breeddenkende ondernemers en stakeholders. Samenwerken en elkaars expertise inzetten voor een hoger doel, moet de nieuwe mindset worden.” Praktisch: De kick-off van het ondernemersplatform ANTWERP.SRL vindt plaats op woensdag 24 oktober 2012 om 18.45 uur, in de Aula Fernand Nédée op de Campus Drie Eiken van de Universiteit Antwerpen (Universiteitsplein 1, Wilrijk – parkings 3 en 4). Ingrid Lieten, minister van Innovatie, is aanwezig en neemt het woord, net zoals rector Alain Verschoren en Luc Luwel, gedelegeerd bestuurder van de Kamer. Journalisten zijn vanzelfsprekend hartelijk welkom. Gelieve uw komst te bevestigen bij Peter De Meyer (peter.demeyer@ua.ac.be of 03 265 47 11).
Meer weten? Katrijn De Lie, communicatiemanager Voka - Kamer van Koophandel Antwerpen/Waasland: 03 232 22 19 en katrijn.delie@voka.be Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: 03 265 74 11 en peter.demeyer@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Dankzij de steun van enkele sponsors mag Universiteit Antwerpen nieuw kunstwerk verwelkomen De Universiteit Antwerpen besteedt al vele jaren aandacht aan kunst op haar campussen. Met het werk INZICHT / DOORZICHT van Mark Verstockt haalt de Commissie Kunst op de Campus opnieuw een topstuk in huis. Een primeur, want voor de eerste keer werd er een publiekprivate samenwerking opgezet om het kunstwerk te financieren. Mark Verstockt, kunstenaar met Antwerpse roots die nu in Wallonië woont, is al sinds de jaren zestig actief in het constructivisme. Met INZICHT / DOORZICHT ontwierp hij een solide kubusstructuur die ruimtelijk en materieel zeer aanwezig is. Het middenstuk is geperforeerd en dus transparant, doorzichtig, lichtdoorlatend. Elke verandering van positie resulteert in een nieuwe lichtinval die op zijn beurt visuele wisselwerking teweegbrengt tussen open en gesloten, inzicht of doorzicht, in een spel met materie, licht en lucht. Het beeld van roestvrij staal is gemaakt door de Breese firma ME Construct, die onder meer ook tekende voor het dak van het nieuwe Antwerpse justitiepaleis en het dak van het Ferrari Experience-complex in Abu Dhabi. De financiering gebeurde via een publiekprivate samenwerking. Schenkers zijn Anthony Driscoll, Brigitte Driscoll – Vanhorick, Jan Martens, Andrés Van Hove en ME Construct nv. Na een zoektocht vond de Commissie Kunst op de Campus, onder voorzitterschap van Ernest Van Buynder, een geschikte plek voor het werk: de tweede binnentuin van het gebouw Het Brantijser, de thuishaven van de Antwerp Management School. Op donderdag 18 oktober wordt INZICHT / DOORZICHT plechtig ingehuldigd. Praktisch: Donderdag 18 oktober 2012 om 17 uur: plechtige inhuldiging van het werk INZICHT / DOORZICHT, in de Spiegelzaal van Het Brantijser (Sint-Jacobsmarkt 9-13, 2000 Antwerpen). Journalisten zijn vanzelfsprekend van harte welkom. Bijgevoegd vindt u twee beelden van het werk. Deze mogen vrij gebruikt worden. Meer weten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke van de Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be en 03 265 47 11.

|
|
|
|
|
|
Resultaten van DISTINC-project worden voorgesteld op de Universiteit Antwerpen Europa maakt werk van inclusief onderwijs De leerlingen in een klas zijn vaak heel verschillend. Dat geldt voor hun mogelijkheden en vaardigheden, maar ook voor hun beginsituatie en hun leertempo. Die verschillen vormen een hele uitdaging voor de onderwijswereld. Er wordt al enkele jaren gehamerd op inclusief onderwijs. Scholen moeten toegankelijker worden voor alle leerlingen, inclusief deze met specifieke onderwijsbehoeften. Met Europese steun ontwikkelden vijf landen de voorbije jaren een trainingsconcept voor leerkrachten lager onderwijs. De resultaten worden op vrijdag 12 oktober voorgesteld op de Universiteit Antwerpen. Onderzoek leert dat leerkrachten in verscheidene landen gelijkaardige behoeften hebben. Ze willen weten hoe ze kunnen differentiëren zodat ook de achterblijvers er beter van worden zonder dat de eindtermen voor de snellere leerders verwaarloosd worden. De leerkrachten willen effectiever met uitdagend of signaalgedrag kunnen omgaan, ze willen weten hoe ze iedereen beter kunnen leren lezen en schrijven. De vijf partners ontwikkelden vijf modules. Daar worden vormingspakketten en ‘gereedschapskisten’ mee samengesteld. In Vlaanderen werd een masterklas georganiseerd om de pakketten uit te testen, te beoordelen en eventueel bij te sturen. Bedoeling is de handelingsbekwaamheid van leerkrachten te verhogen, zodat ze zich sterker voelen en meer middelen hebben om iedereen, hoe divers de behoeften ook zijn, tot leren te brengen.
Op vrijdag 12 oktober is de Universiteit Antwerpen, samen met de Karel de Grote-Hogeschool, de Plantijn Hogeschool en de Arteveldehogeschool, gastheer voor heel wat professoren, onderwijsexperts en -beleidsmakers uit de partnerlanden Turkije, Portugal, Polen, Verenigd Koninkrijk en Nederland. De resultaten van het DISTINC-project (Developing In-Service training for inclusive education), een project met de steun van het Europese Comenius Life Long Learning-programma, worden voorgesteld op het congres. Uiteindelijk is het de bedoeling te komen tot een gezamenlijke Europese versie van een handleiding voor lerarenopleiders/tutoren.
De buitenlandse interesse voor het congres is alvast groot. Turkije stuurt bijvoorbeeld een delegatie directeuren gewoon en buitengewoon onderwijs uit Istanboel. Zij komen kijken hoe de thematiek in Vlaanderen aangepakt wordt, om nadien het net ontwikkelde materiaal op grote schaal te gaan toepassen in hun onderwijssysteem.
Praktisch:
Het DISTINC-project wordt voorgesteld op vrijdag 12 oktober vanaf 9 uur. Journalisten zijn vanzelfsprekend van harte welkom. Locatie: Tassiszaal in het Hof van Liere (Prinsstraat 12, 2000 Antwerpen). Hier vindt u het volledige programma.
Meer weten?
Cil Leytens (Universiteit Antwerpen: 03 265 25 29 en Cil.leytens@ua.ac.be
|
|
|
|
|
De stad blijft een grote aantrekkingskracht uitoefenen op
mensen, maar steden kennen echter ook de nodige problemen: de groeiende kloof
tussen arm en rijk, criminaliteit, luchtvervuiling, de druk op de habitat van
dieren en planten… Heel wat onderwerpen dus waar over gedebatteerd kan worden.
Dat gebeurt vanaf maandag 8 oktober acht weken lang tijdens de Studium
Generale-lezingencyclus van de Universiteit Antwerpen.
Science and the City, zo heet de editie 2012-13 van Studium
Generale. De lezingencyclus richt zich op studenten en doctorandi, maar zeker
ook op het brede publiek. Elke sessie begint met een lezing van een uur door
een gastspreker. Nadien mogen er vragen gesteld worden en gaan spreker en
publiek met elkaar in debat. Een moderator leidt en coördineert de discussie.
Op maandag 8 oktober bijt Dirk Avonts (Universiteit Gent) de spits af met het bijzonder actuele
thema “Hoegezond is leven in een stad?”. De stad bruist van leven, maar
is leven in een stad wel een gezond idee? Er is natuurlijk het mobiliteitsconflict
tussen zachte stadsgebruikers (voetgangers en fietsers) en gemotoriseerde
rijders, wat kan uitmonden in kneuzingen die meer zijn dan blikschade. Daarbij
komt de productie van lawaai en luchtvervuiling door het intense stadsverkeer.
Welke invloed heeft dat op de gezondheid? Wie is er gevoelig voor? Zijn
verkeersopstoppingen belastend voor de gezondheid? Wat kan je zelf doen om
ongezonde effecten tegen te gaan en welke maatregelen kan een lokale overheid
nemen? Hoe beschermen we onze kinderen daartegen? Hoeveel groen heeft een stad
nodig om haar bewoners een gezonde leefomgeving te bezorgen?
Praktisch:
Maandag 8 oktober, van 19.30 tot 21.15 uur: eerste lezing
Studium Generale.
Aula R.001, Gebouw R op de Stadscampus van de Universiteit
Antwerpen (Rodestraat 14).
Meer weten?
Els Grieten (Universiteit Antwerpen): els.grieten@ua.ac.be of 03 265 31 27.
Meer informatie en het volledige programma vindt u op www.ua.ac.be/studiumgenerale
|
|
|
|
|
Het bedrijfsleven en het hoger onderwijs vinden elkaar
steeds vaker, maar ondersteuning voor het wetenschappelijk onderzoek in de
humane wetenschappen blijft zeldzaam. Deloitte brengt daar nu verandering in.
Het consultancybureau financiert de Universiteit Antwerpen voor een
doctoraatsstudie binnen het domein van het fiscaal recht.
De afdeling Fiscaal Recht van de Universiteit Antwerpen
bouwde de voorbije jaren een uitstekende reputatie uit. Dat is ook Deloitte
Belastingconsulenten niet ontgaan. Het bedrijf engageert zich om het
wetenschappelijk onderzoek binnen de vakgroep een stevige duw in de rug te
geven. Jaarlijks zal Deloitte 35 000 euro investeren.
“Met die financiële ondersteuning kan een doctoraatsstudent
zich vier jaar lang verdiepen in het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek
binnen het fiscaal recht”, zegt prof. dr. Bruno Peeters (Universiteit
Antwerpen). “Het ondernemingsleven evolueert zo snel – denk bijvoorbeeld
maar aan de ontwikkelingen in het domein van e-commerce – dat elke financiering
voor onderzoek naar de fiscale aspecten van die ontwikkelingen meer dan welkom
is”.
De ondersteuning van Deloitte beperkt zich niet tot het
onderzoeksvlak. Ook op onderwijsgebied creëert het samenwerkingsakkoord
mogelijkheden. Peeters: “De volgende vier jaar kunnen we een
onderwijsmedewerker financieren binnen de succesvolle master Fiscaal Recht van
de Universiteit Antwerpen. De firma wil ook de voorbereidende cursus boekhouden
inhoudelijk opvolgen.”
Jaarlijks schrijven er zich ongeveer tachtig studenten in
voor de master Fiscaal Recht. Heel wat van die studenten kunnen later aan de
slag bij Deloitte Belastingconsulenten. “Daarom hechten wij ook veel belang aan
een goede samenwerking met de universiteit”, legt Piet Vandendriessche,
managing partner Deloitte Belastingconsulenten, uit. “Het succes van een
onderneming staat of valt immers met de deskundigheid van haar medewerkers.”
Meer weten?
Prof. dr. Bruno Peeters: bruno.peeters@ua.ac.be en 03 265 54 84
|
|
|
|
|
|
Universiteit Antwerpen, Kazerne Dossin en Joods Museum van België krijgen duizenden werken van Duitse familie De collecties van de Universiteit Antwerpen, de Kazerne Dossin in Mechelen en het Joods Museum van België in Brussel zijn een stuk uitgebreider geworden. De drie organisaties ontvangen elk een deel van de grote collectie van de Duitse familie Lammel. Het gaat over boeken, drukwerk, affiches, postkaarten, schilderijen, etsen, tekeningen, gravures en beeldhouwwerken, allemaal uitingen van joodse cultuur, taal en geschiedenis. De Universiteitsbibliotheek van de Universiteit Antwerpen ontvangt ongeveer 3500 boeken over joodse cultuur, taal en geschiedenis. De collectie wordt op dit moment verwerkt en wordt later beschikbaar voor de gebruikers. Het is een belangrijke aanvulling op de collectie die bijeen werd gebracht door de bibliotheek in samenwerking met het Instituut voor Joodse Studies van de Universiteit Antwerpen. Het museum Kazerne Dossin in Mechelen krijgt het gedeelte van de collectie rond de holocaust en deportatie. Het betreft een duizendtal boeken, zes schilderijen, een verzameling etsen over de holocaust en een verzameling antisemitische postkaarten en drukwerken. De volledig vernieuwde Kazerne Dossin, Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum voor Holocaust en Mensenrechten opent binnenkort de deuren. Het is geheel gewijd aan de holocaust en deportatie. Het Joods Museum van België ontvangt schilderijen, tekeningen, gravures, boeken, beeldhouwwerken, affiches en postkaarten. Alles samen gaat het om 653 objecten, die reeds zijn ingevoerd in de databank van het museum. Alle werken werden gefotografeerd of gescand. Het museum zal een artikel wijden aan deze schenking in het tijdschrift MUSE’ON en een belangrijke tentoonstelling zal gewijd worden aan deze collectie in het museum. Manfred en Christel Lammel brachten de grote collectie bijeen vanaf de jaren zeventig. Zij openden toen hun galerie voor joodse kunstenaars in het Duitse Nettersheim-Zingsheim. De joodse kunstenaar Andre Goezu speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van de schenkingen. Galerie Lammel vertegenwoordigt al ruim dertig jaar zijn werk. De Universiteit Antwerpen, de Kazerne Dossin en het Joods Museum van België organiseren in de toekomst een gezamenlijke activiteit rond deze belangrijke collectie Lammel. Meer weten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke van de Universiteit Antwerpen: 03 265 47 11 of peter.demeyer@ua.ac.be
Lammel 1 Ursula Schubert, Jüdische Buchkunst, Zweiter Teil, p. 73, Akademische Druck – u. Verlagsanstalt, Graz, Austria, 1992, ISBN 3-201-01563-6 (Universiteitsbibliotheek Universiteit Antwerpen)
Lammel 2 Moreh, The Wandering Jew, ets, 1969 (verzameling Joods Museum van België)

Lammel 3 Cartoon uit 1942
|
|
|
|
|
Universiteit Antwerpen maakt werk van een duurzame keuken Oosterse curry met kokos en citroengras: dat vegetarische gerecht staat op donderdag 4 oktober op het menu van de studentenrestaurants van de Universiteit Antwerpen. In samenwerking met Vredeseilanden en EVA vzw springt de universiteit mee op de Donderdag Veggiedag-kar. “Die beslissing past perfect in ons voornemen om onze keuken duurzamer te maken.” Op de drie campussen van de Universiteit Antwerpen eten dagelijks vele honderden studenten. Kwaliteit stond altijd al hoog in het vaandel, maar voortaan is ook duurzaamheid een absolute prioriteit. “Een duurzame grootkeuken krijg je niet van de ene dag op de andere”, vertelt An Op De Beeck, coördinator van de Antwerpse studentenrestaurants. “Maar stap voor stap willen we er echt werk van maken. We willen bijvoorbeeld meer met biologische producten en met seizoensgebonden groenten gaan werken, en verpakkingen trachten te beperken. Een uitdaging, want onze maaltijden moeten lekker en betaalbaar blijven.” Op donderdag 4 oktober zet de Universiteit Antwerpen een eerste grote stap. Op De Beeck: “Onder begeleiding van Vredeseilanden organiseren we voor de eerste keer een Donderdag Veggie-dag. Zo willen we onze studenten proberen te overtuigen minstens eenmaal in de week vleesvrij te eten. De productie en consumptie van voedsel neemt immers een groot aandeel in onze ecologische voetafdruk.” “Landbouw is verantwoordelijk voor 17 tot 32% van de wereldwijde broeikasgasemissies”, weet Katharina Beelen van Vredeseilanden. ”Tegelijk worstelen veel boeren en boerinnen overal ter wereld om een degelijk inkomen te verdienen. Duurzame catering is een stukje van het antwoord op beide problemen.” Meer weten? An Op De Beeck, coördinator studentenrestaurants Universiteit Antwerpen: 0496 18 17 67 en an.opdebeeck@ua.ac.be Op donderdag 4 oktober krijgen de studenten van de Universiteit Antwerpen ter gelegenheid van de eerste Donderdag Veggie-dag vegetarische proevertjes aangeboden. Journalisten die een kijkje willen komen nemen (en ook eens willen proeven) zijn van harte welkom tussen 12 en 13 uur in het studentenrestaurant Ten Prinsenhove op de Stadscampus (Koningstraat 8). www.donderdagveggiedag.be
|
|
|
|
|
Welke opvattingen van de Antwerpse kiezers hebben een
invloed op hun uiteindelijke stemgedrag? De professoren Peter Van Aelst en
Peter Thijssen, en doctor Jonas Lefevere (allen Universiteit Antwerpen) hebben
er een onderzoeksproject rond opgezet. Een paneldesign van kiezers wordt
driemaal bevraagd. De resultaten van de eerste bevraging (eerste helft
september) zijn nu beschikbaar.
Enkele voorlopige conclusies:
- Voor
de meeste Antwerpse kiezers spelen lokale én nationale motieven een rol. Bij
kiezers van Sp.a-CD&V zijn lokale redenen vaker doorslaggevend dan bij de
andere kiezers. Naarmate de campagne en de debatten zich in de volgende
weken meer gaan focussen op ‘Antwerpse thema’s’ is de kans groter dat lokale
overwegingen een belangrijkere rol gaan spelen. Al is dit gezien de nationale
uitstraling van de Antwerpse lijsttrekkers geen zekerheid.
- De
kiezers van Groen zijn erg tevreden over het Antwerpse beleid en schatten
Janssens hoog in als bekwaam bestuurder. Louter op basis van deze gegevens
had een stadslijst met Groen erbij niet onlogisch geweest. Potentieel vormen
zij een belangrijke groep kiezers die tijdens de campagne nog van kamp kan
veranderen. Op dit moment is niet duidelijk of ze dat ook zullen doen. Mogelijk
zien ze een stem voor Groen als een sterkere garantie voor een progressief
beleid dan een stem voor de ‘centrumcoalitie’ van Sp.a en CD&V. Eenzelfde
afweging speelt in mindere mate voor een relatief grote groep respondenten die
een voorkeur voor VB combineren met een hoge appreciatie voor Bart De Wever.
- Bijnade helft van de N-VA kiezers evalueert het huidige beleid als negatief.
Kiezers met een stemintentie voor de N-VA beschouwen deze partij als een
alternatief voor het huidige beleid; dat de N-VA (als minipartij) deel
uitmaakte van de Antwerpse coalitie en dat twee voormalige Open VLD-schepenen
op hun lijst staan lijkt aan die perceptie weinig te veranderen.
Wie meer wil weten, kan contact opnemen met Peter Van Aelst
(Peter.vanaelst@ua.ac.be) of met Jonas Lefevere (jonas.lefevere@ua.ac.be).
|
|
|
|
|
Taalinstituut Universiteit Antwerpen dingt mee naar belangrijke Europese prijs EuroCatering, de gratis online-taalcursus van LINGUAPOLIS, vertegenwoordigt België op de uitreiking van het European Language Label of Labels. EuroCatering is een interactieve online taaltool ontworpen voor studenten, stagiairs en professionals in de hotel- en cateringindustrie. “Studenten die een opleiding in de horeca volgen moeten meestal verplicht een stage volbrengen”, zegt Margret Oberhofer, coördinator internationale projecten van LINGUAPOLIS, het taalinstituut van de Universiteit Antwerpen. “Veel van die stages zijn in het buitenland en de vreemde taalkennis bleek vaak een struikelblok voor de studenten. Tijdens een congres in Zweden kwamen we op het idee om een pakket te ontwikkelen dat hieraan verhelpt. Het zou immers handig zijn moesten deze studenten zelfstandig de taal van hun bestemming kunnen oefenen voor vertrek.” Interactief en gratis Zo werd EuroCatering geboren: een online taalcursus die zich toespitst op stagiairs en vaklui uit de horecasector die in Europa aan de slag gaan, maar de taal niet altijd machtig zijn. Aan de hand van ludieke en interactieve toepassingen ontdekken ze de professionele basiswoordenschat en trainen ze de communicatieve vaardigheden die nodig zijn in een keuken of restaurant in het buitenland. Via geanimeerde interacties met een chef en manager leren ze alles wat komt kijken bij keuken- en zaalwerk. Van fruitpreparatie, visbereiding en wijnservice tot tafeldekking, bestellingen opnemen, en de afwas. De cursus is gratis beschikbaar in zeven talen, binnenkort in twaalf.

Op het menu van deze cursus: alledaagse interacties met een geanimeerde chef en/of manager. “De reacties op EuroCatering zijn heel positief”, zegt Oberhofer. “Met zo’n 9000 gebruikers doet de toepassing het erg goed en ook leerkrachten reageren enthousiast. Voor hen is het namelijk niet evident om het specifieke horecajargon aan te leren. Sommige scholen integreerden het project zelfs binnen hun curriculum. Verder werken we nauw samen met Horeca Vorming Vlaanderen. Voor hen zijn de resultaten van de cursus zichtbaar op de werkvloer.” Het vervolgproject is ondertussen van start gegaan. In dit nieuwe project zullen de Europese partners EuroCatering met vijf nieuwe talen en met een nieuw deel ‘onthaal’ uitbreiden. ‘Best of’ editie LINGUAPOLIS is verantwoordelijk voor het pedagogische design en de technische ontwikkeling van het pakket. EuroCatering is sinds 2008 online en is een echt prijsbeest. Sinds de start heeft het elk jaar een Europees Talenlabel gewonnen: 2008 in Slovenië, 2009 in Noorwegen en België (Vlaanderen), 2010 in Ierland en Spanje en vorig jaar in België (Wallonië). Dit Talenlabel is een Europese prijs voor innovatieve projecten in taalonderwijs dat sinds 1998 wordt uitgereikt. “We hopen dat deze succesreeks in 2012 wordt voortgezet door de toekenning van het European Language Label of Labels, een soort van ‘best of’ editie met alle landen die al eerder een label wonnen.” “We zijn het enige project dat al zoveel labels in de wacht sleepte, dus ik schat onze kansen vrij hoog in”, besluit Oberhofer. “We mogen niet voorbarig zijn, maar het zou wel fijn zijn als we dit superlabel binnenhalen. We zijn in ieder geval enorm trots op het project.”De uitreiking gaat door op 27 september in Limasol (Cyprus), in het kader van de Europese Dag van de Talen en het tienjarig bestaan van de Barcelona Declaratie. Vijf projecten maken kans op een prijs, 34 zijn er genomineerd. Meer weten? Margret Oberhofer: margret.oberhofer@ua.ac.be of 03 265 48 52 Prof. Jozef Colpaert: jozef.colpaert@ua.ac.be of 03 265 45 20 www.eurocatering.org www.linguapolis.be
|
|
|
|
|
|
Prof. Alex Vanneste (Universiteit Antwerpen) peilt al 27 jaar naar kennis Frans van nieuwe studenten Instapniveau Frans bereikt een dieptepunt Het instapniveau Frans van nieuwe studenten aan de Universiteit Antwerpen bereikt een dieptepunt. Dat blijkt uit dat de propedeusescores van de afgelopen 27 jaar, in kaart gebracht door het Departement Taal- en Letterkunde. Propedeuses zijn gratis intensieve taalcursussen die jaarlijks in september georganiseerd worden voor studenten die zich inschreven voor de opleiding Frans. Het geeft de nieuwe studenten een goed beeld van hoe het met hun taalvaardigheid gesteld is en biedt hen de kans hun niveau op te krikken nog vóór de lessen van start gaan. Maar de deelnemers van de propedeuse Frans slagen er de laatste vijf jaar niet langer in om vooruitgang te boeken.Que se passe-t-il donc? “De propedeuse Frans is een stoomcursus die op een week tijd probeert te verhelpen aan enkele lacunes inzake Franse taalvaardigheid en de studenten inzicht probeert te geven in het niveau van hun taalcompetentie Frans”, zegt prof. dr. Alex Vanneste, gewoon hoogleraar Franse taalkunde en Franse taalvaardigheid. “Dit gebeurt door intensieve oefensessies rond essentiële deelgebieden van de grammatica, de syntaxis en de woordenschat. De deelnemers kunnen zichzelf evalueren en hun competentie en vaardigheden proberen op te tillen naar een niveau dat voor het volgen van de colleges vereist is. Maar het niveau van het Frans gaat er de laatste jaren zienderogen op achteruit.”
Neerwaartse spiraal De vooruitgang die studenten op een week tijd boeken wordt sinds de opstart van de propedeuses in 1986 bijgehouden. Waar studenten in 1986 bij het begin van de propedeuse startten met een niveau van bijna 60%, is dit in 2012 nog maar 36,3%. Er wordt daarenboven tijdens de propedeuse ook minder vooruitgang geboekt. Aan het einde van de jaren tachtig slaagden de studenten erin om tijdens de propedeuse een vooruitgang te boeken van nagenoeg 20%. In 2012 bedraagt die progressie nog slechts 16,2 %, een dieptepunt in een trieste reeks. “Onze studenten zijn natuurlijk niet dommer geworden”, zegt prof. Vanneste. “Alleen haalt men er minder en minder uit.” Wil men aan het einde van het eerste bachelorjaar echter hetzelfde niveau behalen als in het verleden, dan wordt de inhaalbeweging met het jaar moeilijker.
‘English is enough’ Volgens prof. Vanneste versmacht de gigantische druk van het alomtegenwoordige Engels de interesse voor andere talen zoals Frans en Duits. “Engels is overal aanwezig; jongeren horen of lezen het constant waardoor de taal niet meer zo "vreemd" klinkt als Frans, dat je nauwelijks nog ziet of hoort. Het motto van velen wordt helaas "English is enough" en weinigen hebben de moed om daar tegen in te gaan. Het is geen kwestie van Engels of Frans, maar wel van Engels én Frans. De groeiende en terechte aantrekkingskracht van opleidingen in de exacte wetenschappen en economie mag geen alibi zijn om Frans (en Duits) te verwaarlozen. In hun professionele loopbaan zullen afgestudeerden het Frans ook hard nodig hebben - vraag het maar eens aan bedrijfsleiders. Waarom zouden overigens alle mogelijke naschoolse taalopleidingen zo floreren?”
‘Frans kan je niet leren door imitatie’ Wat niet blijkt uit de cijfers, is dat de communicatieve vaardigheid van de studenten ook al niet zo denderend is. In een kort onderhoud met alle deelnemers blijkt dat zij er, op enkele uitzonderingen na, niet in slagen om zich min of meer correct of op een verstaanbare wijze uit te drukken in het Frans. Ter illustratie: op eenvoudige vragen zoals Où avez-vous fait vos études secondaires? of Quelle combinaison de langues avez-vous choisie? reageren sommigen zelfs met: Mag ik in het Nederlands antwoorden? "De zogenaamde communicatieve aanpak heeft tijdens de voorbije decennia de indruk gewekt dat een vreemde taal leren - ook een moeilijke taal zoals Frans - gemakkelijk zou zijn”, oordeelt Vanneste. “Frans is een grammaticaal veeleisende taal, waarvan de pedagogie een gestructureerde en systematische aanpak vergt. Het is een illusie te denken dat je Frans kan leren door de imitatie van het natuurlijk verwervingsproces, zeker als je er maar enkele uren per week mee geconfronteerd wordt. Overigens, tussen zijn 4 en 18 jaar heeft een ‘klein Fransmannetje’ ongeveer 60 000 uren praktijk, een Vlaamse jongere slechts 3 000... Franse jongeren genieten dus op natuurlijke wijze van een echte "bain de français", onze leerlingen op zijn best van een bescheiden voetbadje…” Volgens Vanneste moeten we naar een doeltreffend geplande organisatie van het taalonderwijs gaan, die een combinatie inhoudt van een gestructureerde en van een communicatieve aanpak. Hij voegt eraan toe dat we zeker niet mogen teruggrijpen naar een louter grammaticaal onderwijs waarbij leerlingen of studenten de meest exotische werkwoorden van het Frans correct konden vervoegen, maar niet in staat waren om op een fatsoenlijke manier een brood te bestellen.
Verontrustende situatie
“Deze situatie wordt al ruim een kwarteeuw aangeklaagd - ook door tal van ervaren en bekwame leraren Frans - maar niemand doet er echt iets aan”, besluit Vanneste. “Beleid en pedagogen lijken ziende blind te zijn en sluiten zich op in ronkende intentieverklaringen. Dit is zeer verontrustend, zeker als men weet dat de uitdagingen op het vlak van talenonderwijs - en van het onderwijs in het algemeen - zich blijven aandienen. In een stad zoals Antwerpen, bijvoorbeeld, hanteert straks meer dan 50% van de jongeren tot 20 jaar geen Nederlands als huis- of moedertaal en worden zij alsnog in ons Vlaams taalonderwijssysteem gedropt. Onze taalleraren zullen meer dan het onderste uit de kan moeten halen om tot degelijke resultaten te kunnen komen.”
Meer weten?
Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.been 03 265 47 11.
|
|
|
|
|
|
De naoorlogse beeldvorming over collaboratie werd steeds gedomineerd door stereotypes als de Vlaamse idealist of de katholieke Oostfrontstrijder die geen ideologische verwantschap hadden met de Duitse bezetter. Maar wanneer deze stereotiepe beeldvorming getoetst wordt aan de egodocumenten van tijdens de Tweede Wereldoorlog houdt ze niet langer stand, zo blijkt uit het doctoraal proefschrift van Aline Sax.
Oud-collaborateurs, die zich na de oorlog vrij snel weer in het openbare leven wisten in te werken, zorgden voor een erg eenzijdig zelfbeeld dat de nadruk legde op het Vlaams-nationalisme als drijvende kracht achter hun collaboratie. Vanaf de jaren negentig kwam er een kentering in het debat door enkele belangrijke en kritische studies over repressie en collaboratie. Toch bleef de focus in deze historische werken vooral liggen op de grote structuren, partijen en nationale en lokale leiders. De ‘gewone collaborateur’ bleef tot nog toe grotendeels buiten beeld. Met het proefschrift van Aline Sax krijgt nu ook deze kleine man een plaats in de geschiedschrijving.
Drie drijfveren voor collaboratie “Uit de documenten die ik onderzocht, bleek dat je Vlaamse collaborateurs op vlak van motivatie kan onderverdelen in drie groepen”, legt Sax uit. “De eerste groep omvat collaborateurs die handelden omwille van ideologische motieven. Deze mensen collaboreerden vanuit een maatschappelijke bekommernis en wilden zich actief inzetten voor de Nieuwe Orde. De tweede groep had zowel ideologische als persoonlijke motieven. Deze mensen leunden wel aan tegen Nieuwe Ordegezindheid, maar zetten deze overtuiging niet om in handelen, tot ze geconfronteerd werden met een persoonlijk probleem. Een derde groep wordt gevormd door personen die niét ideologisch beïnvloed waren en louter om persoonlijke redenen collaboreerden.” Twee derde van de collaborateurs valt onder die eerste en tweede categorie wat wil zeggen dat ideologie de belangrijkste drijfveer was om te collaboreren.
Dubbele identiteit In het tweede deel van haar doctoraat zoomt Sax in op dat ideologisch gedachtegoed. Ze onderzocht de blik van de collaborateurs op de wereld en zocht uit hoe ze hun geloof rijmden met hun daden. Daarbij baseerde ze zich op brieven en passages uit dagboeken. Sax kwam tot vier belangrijke conclusies. Allereerst was collaboratie naast een economische en ideologische beslissing ook een sociale stap. De keuze om te collaboreren bepaalde je netwerk. Ten tweede ontdekte ze dat ideologische collaborateurs een dubbele identiteit aannamen. Ze identificeerden zich met de Duitsers en het nationaalsocialisme, maar bleven ook trouw aan hun eigen Vlaamse roots. Hun identiteit verschoof naargelang hun omgeving: in Vlaanderen benadrukten ze de band met het nationaalsocialisme en daarbuiten speelde hun Vlaamse identiteit een belangrijke rol.
Hitler werd binnen het Vlaams nationaalsocialisme gezien als de ultieme leider die hen een betere toekomst zou brengen. Veel van deze collaborateurs legden ook een eed af waarbij ze hun persoonlijke loyaliteit aan Hitler beloofden.
Tot slot waren vele collaborateurs er wel van overtuigd dat een betere toekomst alleen bereikt kon worden door een groot engagement aan de dag te leggen. Ze hadden volgens zichzelf de plicht om in teken van hun geloof te vechten tot het eind. Het was de overwinning of de dood.
Aline Sax is eveneens gekend als bekroond jeugdschrijfster van historische romans. In haar boeken combineert ze historisch onderzoek met literaire fictie. “De bevindingen uit dit onderzoek ga ik niet meteen gebruiken voor een roman, maar het proefschrift wordt wel uitgegeven door uitgeverij Manteau.”
Voor Vlaanderen, volk en Führer - Aline Sax - Uitgeverij Manteau 22 september in de boekhandel 24,95 euro – Paperback – 430 blz
Meer weten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be of 03 265 47 11.
|
|
|
|
|
|
Computerprogramma Universiteit Antwerpen analyseert alle politieke berichten op Twitter
Politieke Barometer 2.0 meet online verkiezingskoorts
Er valt niet meer te ontsnappen aan de stembusslag van 14 oktober, ook online niet. Op Twitter worden dagelijks duizenden berichtjes gepost over de politieke partijen en over individuele politici. Heel vaak drukken die tweets een opinie uit: “Goed voorstel!” of “Wat een domme uitspraak!” Onderzoekers van de Universiteit Antwerpen ontwikkelden een computerprogramma dat die opiniërende uitspraken voortdurend analyseert.
Tom De Smedt (Faculteit Letteren en Wijsbegeerte) en Enric Junqué de Fortuny (Faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen) werkten samen met de professoren Walter Daelemans en David Martens een computerprogramma uit dat toelaat de uitgedrukte opinies over politieke partijen en politici op Twitter te volgen. Die sentimentanalyse resulteert in www.politiekebarometer.be , een website die dagelijks automatisch vernieuwd wordt. “Ons computerprogramma doorzoekt alle Nederlandstalige Twitter-berichten die de naam van een bekende politicus bevatten”, leggen de onderzoekers uit. “Het programma weet welke woorden een positief gevoel uitdrukken en welke een negatief gevoel. Die sentimenten of persoonlijke meningen zitten heel vaak in de gebruikte adjectieven.” De tien meest gebruikte adjectieven zijn: best, goed, boos, groot, sterk, klaar, eerlijk, duidelijk, racistisch en verstandig.
Door de adjectieven in de tweets te analyseren kan het computerprogramma de teneur van de opinie in het bericht bepalen. Door het sentiment van alle berichten over de politicus in kwestie samen te voegen, wordt een beeld van de algemene opinie gevormd. Het systeem volgt op een objectieve en systematische manier de evoluties in opinie over de partijen en kopstukken doorheen de tijd. Dat biedt heel wat interessante mogelijkheden: zo kan bijvoorbeeld het effect van een publiek optreden (deelname aan een debat, interview in een krant) gemeten worden. Een voorbeeld: toen Bart De Wever (N-VA) zijn dieetboek voorstelde, steeg het aantal tweets over zijn persoon naar ongekende hoogten. Zijn partij lijkt de grote ‘slokop’ op Twitter, maar heeft ook af te rekenen met het grootste aantal negatieve berichten. Meer weten?
|
|
|
|
|
Fana Michilsens (Universiteit Antwerpen) analyseerde de
slingerbeweging van gibbons “Een siamangaap in beweging kan in theorie gratis blijven
doorslingeren”
Siamangs en andere gibbons zijn echte specialisten in het
armslingeren. In het kader van haar doctoraat onderzocht Fana Michilsens
(Universiteit Antwerpen) hoe siamangs die bewegingen energiezuinig houden in
een gevarieerde omgeving. Siamangs en gibbons kunnen beschouwd worden als de kleine
broertjes van de mensapen. Ze gebruiken verscheidene manieren om zich voort te
bewegen, maar het meest van al verplaatsen ze zich al armslingerend door de
bomen van het Aziatische regenwoud. Hun lichaamspositie regelmatig aanpassen
aan de natuurlijke omgeving en tegelijk het energieverlies zo laag mogelijk
houden: Fana Michilsens ging na hoe de siamangs deze uitdaging tot een goed
einde brengen.
De energiezuinige slingerbeweging van de siamangs was al
onderwerp van eerder onderzoek. Maar toen hield niemand rekening met meebuigende
boomtakken op verschillende afstanden en hoogtes. Camera’s en krachtcellen in
het siamangverblijf van de Zoo van Antwerpen registreerden daarom
de bewegingen van de apen op opstellingen die meer bij de natuurlijke variatie
in steunstructuren aanleunen.
“Om energetisch efficiënt te bewegen, moet je de
energie-uitwisseling zo hoog mogelijk houden en het energieverlies beperken”,
legt Michilsens uit. “Tijdens het armslingeren halen de apen kinetische energie
uit snelheid en potentiële energie uit hoogte. Bij een perfecte slingerbeweging
worden die beide volledig in elkaar omgezet. Wanneer een siamang zichzelf dus
in beweging zet, kan hij in theorie gratis blijven doorslingeren.”
Wil een siamang door een complexe omgeving zoals een bos
kunnen slingeren, dan moet hij evenwel afwijken van zijn perfecte
slingerbeweging. De slingerafstand aanpassen aan de steunstructuren is namelijk
niet mogelijk door de vaste snelheid en lengte van de slingerbeweging.
Bovendien kan er bij de overgang van greep naar greep
energieverlies optreden door zogenaamde collisions. “Wanneer de overgang
niet vloeiend of aan een te hoge snelheid gebeurt, kan er een schok optreden. Vergelijk het met wanneer je te hoog gaat op een schommel.
Dan verslapt de spanning in het touw even en kom je met een schok terug op de
cirkelvormige baan terecht. Dat verlies van snelheid en hoogte, en dus energie,
wordt een collisional loss genoemd en gaat gepaard met energieverlies.
De siamangs moeten dat zoveel mogelijk beperken.”
Volgens Michilsens gebruiken de apen hun krachtige
armspieren om de lichaamspositie en het voortbewegingspatroon zo aan te passen
dat de volgende greep binnen handbereik ligt. “Zo kunnen ze verder slingeren
met een hoge energie-uitwisseling en een klein energieverlies. Hun goede inschattingsvermogen
en sterke armspieren maken van hen echte specialisten in het energiezuinig
armslingeren”, besluit ze.
Meer weten?
Dr. Fana Michilsens: fana.michilsens@ua.ac.be
|
|
|
|
|
Wetenschappers ontdekken dat beschermende laag een verkleuring veroorzaakt Vernislaag maakt Van Goghs gele bloemen oranjegrijs Waarom verkleurden enkele heldergele bloemen in Van Goghs Bloemen in blauwe vaas doorheen de tijd tot onaantrekkelijk oranjegrijs? Wetenschappers van de Universiteit Antwerpen en de TU Delft achterhaalden de oorzaak met behulp van gesofisticeerde röntgenstraalanalyse. Een tot dusver onbekend degradatieproces op het grensvlak tussen verf en vernis ligt aan de basis. De resultaten van het onderzoek worden gepubliceerd in de volgende uitgave van het wetenschappelijk blad Analytical Chemistry. Eerste auteur is Geert Van der Snickt, die recent aan de Universiteit Antwerpen doctoreerde in de conservatie en restauratie. Het onderzoeksteam werd geleid door prof. Koen Janssens (Universiteit Antwerpen) en bestond ook uit wetenschappers van de TU Delft, het Centre National de la Recherche Scientifique (Frankrijk), het Kröller-Müller-Museum in Otterloo, de European Synchrotron Radiation Facility (ESRF - Frankrijk) en het Deutsches Elektronen-Synchrotron (DESY - Duitsland). Grijze korst Vincent Van Gogh (1853-1890) schilderde Bloemen in blauwe vaas in 1887 in Parijs. In de vroege 20ste eeuw verwierf het Kröller-Müller-Museum het werk. Omdat de meester zijn werken meestal niet verniste, werden ze later bedekt met een beschermende afdeklaag. “Maar een conservatiebehandeling in 2009 onthulde een ongewone grijze, ondoorzichtige korst op de delen van het schilderij met cadmiumgele verf”, zegt schilderijconservator Margje Leeuwestein (Kröller-Müller). Het cadmiumgeel dat door Van Gogh werd gebruikt, was toen een relatief nieuw pigment. De wetenschappers toonden enkele jaren geleden al aan dat het gele cadmiumsulfide (CdS) in onverniste schilderijen oxideert aan de lucht tot wit cadmium sulfaat (CdSO4), waardoor gele verfpartijen langzaam verbleken. Ze stelden echter bij Bloemen in blauwe vaas vast dat het cadmiumgeel in dit schilderij bedekt was met een donkere, brosse korst, in plaats van met een min of meer witte transparante oxidatielaag . “Dat intrigeerde ons enorm”, vertelt Koen Janssens. “Het verwijderen van de oranjegrijze korst en verkleurde lak was niet mogelijk zonder de fragiele, originele cadmiumgele verf op deze delen te beschadigen”, voegt Leeuwestein toe. Staaltjes Het museum nam twee microscopische verfstaaltjes van het originele schilderij. De wetenschappers bestudeerden de staaltjes met krachtige bundels röntgenstralen. Deze stralen onthulden de chemische samenstelling en kristalstructuur van het materiaal op het raakvlak tussen verf en vernis. Tot hun verbazing vonden ze geen kristallijn cadmium sulfaat maar anglesiet (loodspaat, PbSO4). “Anglesiet is een ondoorzichtig bestanddeel dat zo goed als overal werd gevonden. De oorsprong van het lood is waarschijnlijk een loodhoudend droogmiddel dat aan het vernis werd toegevoegd”, legt Gerald Falkenberg (DESY) uit.
En waar bleef het cadmium dan? “Op het grensvlak tussen verf en vernis werden de vrijgestelde cadmiumionen gebonden door een degradatieproduct van het vernis zelf en vormde er zich een laagje cadmiumoxalaat (CdC2O4)”, vertelt Marine Cotte (ESRF). Samen met het anglesiet verklaart dit de ondoorzichtige, oranjegrijze korst die delen van het schilderij op macroscopisch niveau ontsiert.
“Het onderzoek naar dit degradatieproces van geverniste cadmiumgele olieverf laat toe om de huidige verschijningsvorm beter te begrijpen”, legt Joris Dik uit. “In de toekomst kan dit proces hopelijk beter geremd of zelfs voorkomen worden dankzij nieuwe conservatietechnieken. Of het vernis en de korst op ‘aangetaste’ schilderijen verwijderd kan worden, is nog niet duidelijk. Bij een eventuele verwijdering zal er immers altijd een deel van de originele cadmiumgele olieverf verloren gaan.” Succesvolle samenwerking Na deze ontdekking zal in alle musea waar men werken van Van Gogh heeft, de eventuele restauratie opnieuw op de agenda komen. “Veel van de schilderijen uit zijn Franse periode zijn in het verleden niet zo professioneel gevernist en het verwijderen van deze niet-originele laklagen is een van de uitdagingen waar conservators wereldwijd mee geconfronteerd worden”, stelt Ella Hendriks, hoofd Conservatie van het Van Gogh Museum in Amsterdam. “Deze wetenschappelijke informatie is vitaal om moeilijke beslissingen inzake complexe schoonmaakbehandelingen te ondersteunen.” “We ondervinden nog maar eens dat schilderijen van Vincent Van Gogh geen statische entiteiten zijn”, concludeert Koen Janssens. “Eigenlijk kunnen we ze beschouwen als een cocktail van chemicaliën die zich onvoorspelbaar gedraagt.” Geert Van der Snickt voegt hieraan toe: “Vooral de aanwezigheid van sulfiden brengt de duurzaamheid van de schilderijen in gevaar.” De onderzoeksgroep van Janssens gaat in de komende vier jaar de invloed van externe factoren (zoals de binnenatmosfeer van een museum en luchtpollutie) op de duurzaamheid van metaalsulfide pigmenten onder de loep nemen. Meer weten? Dr. Geert van der Snickt: geert.vandersnickt@ua.ac.be Prof. dr. Koen Janssens: koen.janssens@ua.ac.be. Op http://www.vangogh.ua.ac.be vindt u heel wat beeldmateriaal ter illustratie van het onderzoek.
|
|
|
|
|
Meer dan 83% van de volwassenen die het diploma secundair
onderwijs behaalden via het tweedekansonderwijs (TKO), geeft aan dat dit een
belangrijk keerpunt in hun leven was.
Dat stelt Gert Van Bunderen, student opleidings- en onderwijswetenschappen aan
de Universiteit Antwerpen. Voor zijn masterproef ondervroeg hij 450 cursisten. “Het is intrigerend om te zien hoe onderwijs en opleiding
mensen verrijkt en hen kansen aanreikt om zich te ontwikkelen”, legt Van
Bunderen uit. “Een bijzondere groep zijn de mensen die door de meest diverse
omstandigheden geen diploma secundair onderwijs verwierven en toch de moed
hebben om dit alsnog te behalen via het tweedekansonderwijs. Vaak is dit een
beslissing die verregaande gevolgen heeft zowel voor de persoon zelf als voor
zijn onmiddellijke omgeving. Het behalen van een secundair diploma is bij velen
immers geen eindpunt, maar een doorstart naar meer.” Positieve effecten Het tweedekansonderwijs, officieel ‘studiegebied algemene vorming’ genoemd,
stelt als doel volwassenen de mogelijkheid te geven een diploma secundair
onderwijs te behalen. Dit houdt niet alleen kennisoverdracht in, maar ook het
ontwikkelen van vaardigheden om beter te kunnen participeren aan het
maatschappelijke en professionele leven. Concreet betekent dit het verbeteren
van het geloof in eigen kunnen, de mondigheid, de zelfstandigheid, de
zelfredzaamheid op de arbeidsmarkt en het verantwoordelijkheidsgevoel. Verder studeren
Deze positieve effecten zijn zowel op privé- als professioneel gebied voelbaar.
Door het herwonnen geloof in eigen kunnen is de bereidheid groot om deel te
nemen aan initiatieven van het verenigingsleven en de buurtwerking. De
cursisten voelen zich ook beter in staat om nieuwe studies aan te vatten.
“Ik ben zo blij dat TKO bestaat”, getuigt een 25-jarige cursiste. “Zo heb ik
toch nog mijn diploma kunnen halen en studeer ik nu verder voor master
ingenieur bouwkunde. Zonder TKO was ik nooit meer zo ver geraakt. Het heeft
mijn leven veranderd!” Opmerkelijk is, rekening houdend met een geblutst
studieverleden, dat 51 van de onderzochte cursisten een bachelordiploma
behaalden en 5 een masterdiploma. Beroepsleven Op professioneel gebied geven cursisten aan dat ze meer keuzemogelijkheden
hebben en kunnen doorgroeien naar werk dat ze aangenamer vinden. In
vergelijking met de periode voor het behalen van het diploma is de
tewerkstellingsgraad en de jobtevredenheid sterk gestegen. Een belangrijk
aspect in deze context is dat de cursisten nu beter in staat zijn om zakelijke
brieven te schrijven en een sollicitatieprocedure te doorlopen.
“We kunnen concluderen dat de gunstige effecten van het
behalen van een secundair diploma blijven doorwerken op het leven van de
cursisten”, besluit Van Bunderen. “Het vertrouwen in de eigen mogelijkheden en
de motivatie om te participeren in onderwijs is na het behalen van een
secundair diploma enorm gegroeid. Dit hangt sterk samen met de
mogelijkheden om het eigen leven vorm te geven en zo meer onafhankelijkheid te
ervaren.”
Het onderzoek kwam tot stand in samenwerking met de
Federatie Tweedekansonderwijs Vlaanderen, de Universiteit Gent en de
Wetenschapswinkel Antwerpen.
|
|
|
|
|
|
Iedereen
wordt blootgesteld aan de chemische stof bisfenol-A (BPA). De gevolgen daarvan
zijn niet altijd even duidelijk, al heeft de stof met zekerheid
hormoonverstorende eigenschappen. Volgens Tinne Geens (Universiteit Antwerpen)
ligt onze dagelijkse inname aan BPA evenwel duizendmaal lager dan de toegestane
norm. Door een
grondige analyse van de verschillende blootstellingsroutes stelde
doctoraatsstudente Tinne Geens vast dat onze dagelijkse inname aan BPA ongeveer
duizendmaal lager ligt dan de huidige toegestane norm van 50 µg/kg lw/dag. Ze
onderzocht daarvoor een groot aantal biologische stalen. Bisfenol-A is
een chemische stof met een bedenkelijke reputatie. Ze wordt jaarlijks in grote
volumes door de industrie gesynthetiseerd en verwerkt. De stof vindt ontzettend
veel toepassingen in gebruiksvoorwerpen zoals verpakkingsmaterialen,
kunststoffen voor medische en tandheelkundige toepassingen, thermisch papier,
industriële plastics, brandvertragers en speelgoed. Maar tegelijk bevat ze ook
hormoonverstorende eigenschappen, zoals oestrogene of antiandrogene effecten.
Dat leidde al tot een verbod op de productie, verkoop en import van babyflessen
vervaardigd uit polycarbonaat, dat BPA bevat, zowel in de Europese Unie als
Canada en verscheidene staten van de VS. “We
kunnen met zekerheid zeggen dat iedereen blootgesteld is aan BPA, want de
afbraakproducten zijn detecteerbaar in de urine”, verklaart Geens. “In 99,5
procent van de onderzochte urinestalen werd BPA vastgesteld. Die concentraties
houden verband met het geslacht, gezinsinkomen en rookgewoonten van de
onderzochte adolescenten.” Omdat je de
stof terug kan vinden in de beschermlaag van blik, legde de onderzoekster
dranken uit blik en voedingsstalen uit conserven onder de loep. “De dranken uit
blik hadden een gemiddelde concentratie die 40 maal lager lag dan de
concentraties in voeding uit conserven. De aanwezige hoeveelheid is afhankelijk
van het type blik en de sterilisatiecondities, en niet zozeer van het type
voedsel in het blik.” Ter vergelijking werden ook een aantal drank- en
voedingswaren die niet in blik verpakt waren, geanalyseerd. BPA kon in geen
enkele van de dranken vastgesteld worden, terwijl de vaste voeding slechts een
lage gemiddelde concentratie bevatte.
Door de
verscheidene binnenhuisapplicaties tref je de stof ook aan in binnenhuisstof.
Geens maakte een inschatting van de dagelijkse inname via stof. “Het
binnenhuisstof levert uiteindelijk slechts een kleine bijdrage van minder dan
10% aan de totale dagelijkse blootstelling. Zelfs in de meest ongunstige
omstandigheden”, besluit ze.
Meer weten?
Prof. dr.
Adrian Covaci (promotor): 03 265 24 98.
|
|
|
|
|
Perifere neuropathieën zijn een groep van vaak
voorkomende erfelijke aandoeningen van het perifeer zenuwstelsel. De
aandoeningen vertonen uiteenlopende ziektebeelden en worden veroorzaakt door
mutaties in verschillende genen. Antwerpse onderzoekers (VIB/ Universiteit
Antwerpen) hebben voor de eerste maal aangetoond dat mutaties in het
HINT1-gen aan de basis liggen van een zeer ongewoon type van perifere
neuropathie. Hun onderzoek verschijnt in het toonaangevende tijdschrift
Nature Genetics.
>> Lees
meer
|
|
|
|
|
|
Patrick Soreyn (Universiteit Antwerpen) bracht computer- en internetgebruik van scholieren in kaart Leerlingen uit het secundair onderwijs nemen hun schoolwerk ernstiger als hun ouders hun computer- en internetgebruik beter begeleiden. Dat blijkt uit de masterproef van Patrick Soreyn (Universiteit Antwerpen), zelf docent in de lerarenopleiding. Verder kwam hij tot de conclusie dat meisjes meer begeleiding krijgen dan jongens en dat scholieren gemiddeld meer dan veertien uur per week aan de computer doorbrengen.
De computer en het internet beheersen het leven van heel wat jongeren. Ze gebruiken de nieuwe media niet alleen voor huiswerk, maar vooral ook voor sociale doeleinden en als ontspanning. Leerkrachten hebben het niet altijd gemakkelijk om hun leerlingen te motiveren voor schooltaken en ook ouders zitten vaak met de handen in het haar. Ze zijn zich bewust van de voordelen die de nieuwe media hebben, maar zien ook dat die media het schoolwerk van de kinderen vaak in het gedrang brengen. Hoe kunnen ouders het computer- en internetgebruik van hun tieners zodanig begeleiden dat het schoolwerk niet verwaarloosd wordt? Om een antwoord te vinden op deze vraag legde Soreyn een vragenlijst voor aan 452 leerlingen uit de eerste en tweede graad secundair onderwijs. De leerlingen uit de steekproef spendeerden per week gemiddeld 5,44 uur aan schoolwerk zonder daarbij gebruik te maken van de computer en 1,93 uur met gebruik van de computer. Daarnaast zaten ze gemiddeld 12,44 uur per week aan de computer als vrijetijdsbesteding.
Communicatie is sleutelwoord “Uit mijn onderzoek blijkt dat hoe meer begeleiding jongeren ervaren bij hun computer- en internetgebruik, hoe meer tijd ze besteden aan schoolwerk”, zegt Soreyn. “Communicatie lijkt het sleutelwoord te zijn binnen die begeleiding: praten met je kinderen over het gebruik van de nieuwe media en over hun veiligheid op het net en samen gebruik maken van die nieuwe media, hebben een positief effect op de studietijd. Een sterk communicatieve aanpak, gecombineerd met een beperkte controle van wat je kinderen op de computer doen, eventueel aangevuld met enkele beperkingen i.v.m. het tijdstip en/of de duur van het gebruik blijkt de beste strategie te zijn om de studietijd te bevorderen.” Deze aanpak werkt zowel bij jongens als bij meisjes en bij leerlingen uit de eerste en tweede graad secundair onderwijs. Als leerlingen meer begeleiding ervaren, gaan ze ook minder vrije tijd aan de computer doorbrengen.
Meer controle bij meisjes
Het onderzoek bracht ook aan het licht dat jongeren meer vrijheid krijgen in hun computergebruik naarmate ze ouder worden en dat ouders het computergebruik meer met hun dochters bespreken dan met hun zonen. Meisjes worden ook meer gecontroleerd dan jongens maar krijgen niet meer tijdsbeperkingen opgelegd. “Meisjes besteden ook meer tijd aan schoolwerk dan jongens”, besluit Soreyn. “Jongens brengen dan weer meer tijd aan de computer door als ontspanning. Leerlingen die meer vrije tijd doorbrengen aan de computer, gaan de computer ook meer inzetten voor schoolwerk.”
Meer weten?
Patrick Soreyn: patrick.soreyn@student.ua.ac.be Promoter Jozef Colpaert: jozef.colpaerts@ua.ac.be of 03 265 45 20
|
|
|
|
|
Professoren Bart Loeys en Dirk Van Hulle slepen prestigieuze beurzen in de wacht Wetenschappers die een toelage van de European Research Council krijgen, behoren tot de absolute top in hun onderzoeksdomein. Met Dirk Van Hulle en Bart Loeys valt de Universiteit Antwerpen dit jaar tweemaal in de prijzen. Van Hulle start een onderzoeksproject op rond genetische kritiek en teksteditie van literaire manuscripten, Loeys verdiept zich in afwijkingen aan de aortaklep. De toelages van de European Research Council (ERC) zijn behoorlijk prestigieus. Alleen wetenschappers van absoluut topniveau kunnen er een in de wacht slepen. De Advanced Grants zijn voorbehouden voor gevestigde onderzoekers. Met de professoren Stefaan Walgrave (Politieke Wetenschappen), Staf Van Tendeloo (Elektronenmicroscopie) en Reinhart Ceulemans (Biologie) heeft de Universiteit Antwerpen er ondertussen drie in huis. Met een Starting Grant krijgen uitstekende onderzoekers de kans een onderzoeksgroep op te zetten of verder uit te bouwen in een domein waarin ze de bakens van de wetenschap in hun discipline verzetten. Wendy Lowen (Wiskunde) en Jo Verbeeck (Fysica) hebben al een ERC-project lopen, Dirk Van Hulle (Taal- en Letterkunde) en Bart Loeys (Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen) gaan van start op 1 januari 2013. “Beide academici krijgen een onderzoekstoelage van meer dan een miljoen euro”, weet Anne Adams (Departement Onderzoek, Universiteit Antwerpen). “Ze krijgen nu de kans in volle vrijheid een team uit te bouwen en zeer innovatief onderzoek uit te voeren. De Universiteit Antwerpen spoort haar beste onderzoekers aan om zich kandidaat te stellen voor een ERC-beurs, en hoopt in de toekomst ook externe kandidaten naar Antwerpen aan te trekken. Binnenkort hebben we dus zeven projecten lopen. Dat bewijst dat de Universiteit Antwerpen een voedingsbodem voor onderzoekstalent is.” Meer weten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: 03 265 47 11 en peter.demeyer@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Onderzoekers Universiteit Antwerpen ontdekken nieuwe
schadelijke gevolgen van cannabisgebruik
Cannabisallergie vertoont
kruisreactie met groenten en fruit
Het lijkt er sterk op dat het lijstje met mogelijke
schadelijke gevolgen van cannabisgebruik weer wat langer wordt. Onderzoekers
van de Dienst Immunologie - Allergologie van de Universiteit
Antwerpen/Universitair ziekenhuis Antwerpen hebben immers vastgesteld dat een
allergie voor cannabis een uitgesproken kruisreactie vertoont met groenten en
fruit.
Ongeveer 25% van de bevolking kampt met een allergie. Mensen
kunnen ook allergisch zijn aan cannabis. Dat resulteert in luchtwegklachten en
huidreacties, maar vele cannabisgebruikers merken die symptomen niet op of
geven niet toe dat ze ongemakken ondervinden. Door een gebrek aan betrouwbare
tests was een cannabisallergie tot nu toe ook moeilijk op te sporen.
“Ons laboratorium heeft jarenlange ervaring in het
ontwikkelen van cellulaire diagnostische tests”, zegt prof. dr. Didier Ebo. “We
zijn er nu in geslaagd een betrouwbare test te ontwikkelen om de
cannabisallergie beter op te sporen.”
Uit het Antwerpse onderzoek blijkt ook dat de
cannabisallergie een sterke kruisreactie vertoont met de consumptie van
groenten en fruit. Ebo: “Patiënten vertonen vaak vrij uitgesproken allergische
reacties. Ten opzichte van tal van groenten en vruchten, maar ook van noten en
zaden. Bijzonder verontrustend is het vermoeden dat ook passieve gebruikers
allergisch kunnen worden. Dit betekent dat patiënten, zoals jonge kinderen, die
zelf geen cannabisgebruiker zijn, allergisch kunnen worden aan cannabiseiwitten
wanneer ze in de nabijheid verblijven van fervente cannabisrokers. Tenslotte
lijken sommige patiënten ook allergische reacties te vertonen ten opzichte van
bier en wijn.”
Meer weten?
Prof. dr. Didier Ebo
Universiteit Antwerpen – Universitair Ziekenhuis Antwerpen
Immunologie – Allergologie – Reumatologie
03 265 25 94 of 03 265 25 95
|
|
|
|
|
|
Oona
Mennes (Universiteit Antwerpen) analyseerde de gerechten uit Dagelijkse kost
Hoe
gezond is kooktelevisie?
Hoe
gezond zijn de gerechten die Jeroen Meus voorschotelt in het VRT-programma Dagelijkse
kost? Zit er veel variatie tussen de recepten en is het haalbaar om ze zelf
thuis klaar te maken? Oona Mennes (Universiteit Antwerpen) onderzocht de
nutritionele waarde van de maaltijden en gaf Meus, mits twee puntjes van
kritiek, een goed rapport.
Dagelijkse
kost
is dagelijks te zien op de openbare omroep, die de
opvoeding en educatie van de kijkers centraal stelt. Het publiek informeren
staat hoog op de agenda van de VRT. Maar de vraag rijst of ze in hun educatieve
voedingsprogramma ook daadwerkelijk voldoende aandacht besteden aan gezonde
voeding. Oona Mennes analyseerde voor haar masterproef alle hoofdgerechten tot
en met 31 maart 2012 die terug te vinden zijn op de website van het programma.
In totaal komt dit neer op 183 maaltijden.
Gezond,
maar iets te veel vet en zout
Het onderzoek wijst uit dat de hoofdgerechten voldoen aan de aanbevelingen van
de meeste voedingsstoffen volgens de richtlijnen van VIGEZ en de Hoge
Gezondheidsraad. De hoeveelheden vitamine C en D, enkelvoudig en meervoudig
onverzadigde vetzuren, omega-3, omega-6 en suikers beantwoorden aan de
adviezen. De hoofdgerechten bevatten gemiddeld minder calorieën en koolhydraten
dan aanbevolen. Ook wat de hoeveelheid eiwitten betreft, scoren de gerechten
prima. Maar dit geldt niet voor vegetarische gerechten en maaltijden onder drie
euro, die per portie onvoldoende eiwitten aanbrengen. Het calciumgehalte
ligt gemiddeld onder de aanbeveling, hoewel dit dan weer niet opgaat voor
vegetarische gerechten en gerechten uit de goedkoopste prijsklasse. IJzer is
bij de meeste maaltijden voldoende aanwezig, afgezien van, opnieuw,
vegetarische gerechten, gerechten met gevogelte en gerechten van minder dan
drie euro per portie.
“Minder
positief is dat de hoeveelheid verzadigde vetzuren en natrium (zout) boven de
maximumnorm liggen”, hekelt Mennes. “Deze overdaad is negatief voor de
gezondheid, vooral in het licht van de alomtegenwoordigheid van overgewicht en
obesitas.”
Veel
variatie en goedkoop
Qua variëteit scoren de gerechten opnieuw erg goed. Hoewel het aantal
vleesgerechten in de meerderheid is (44,8%), komen ook vis-, gevogelte- en
vegetarische maaltijden geregeld aan bod. Hetzelfde geldt voor zetmeelproducten
zoals pasta, rijst of aardappelen. Verder bevat 77,6% van de recepten verse
groenten. Een groot aantal gerechten bevat toevoeging van zout (94,5%) of peper
(92,3%), maar aan de meeste recepten (95,1%) worden ook verse kruiden
toegevoegd.
De
meeste recepten (65,9%) kosten tussen drie en zes euro per persoon. 21,96% van
de maaltijden is goedkoper dan drie euro per portie en 12,09% valt in de
prijsklasse zes tot tien euro per portie. De gemiddelde bereidingstijd van een
hoofdgerecht bedraagt 59 minuten. De meeste hoofdgerechten vereisen het gebruik
van één extra materiaal, gaande van aluminiumfolie tot een blender.
Geslaagd
Kortom, Dagelijkse kost heeft alles in huis om te worden ingezet ter
promotie van gezonde voedingsgewoontes. De meeste nutriënten beantwoorden aan
de voedingsaanbevelingen en de gerechten zijn erg variërend en haalbaar. “Het
programma zou kunnen helpen in strijd tegen overgewicht, maar niet met behulp
van het huidige receptenaanbod”, besluit Mennes. “Met het oog op het voorkomen
van hart- en vaatziekten is het van belang om (verzadigde) vetten en natrium
met mate op te nemen. Dit kan worden gerealiseerd door de hoeveelheid (rood)
vlees te beperken en zouttoevoeging te minimaliseren. Ook een verminderd
gebruik van boter of olie kan hiertoe bijdragen.”
|
|
|
|
|
|
“De omgeving is voor de televisietoerist belangrijker dan de
serie”
Katarakt, Witse, De Smaak van De Keyser,
Flikken … Steeds meer Vlaamse televisieseries werken samen met steden en
gemeenten die hopen hun stad of streek in een positief daglicht te stellen en
extra toeristen te lokken. Hier hebben ze soms aanzienlijke financiële middelen
voor over. Maar heeft deze vorm van citymarketing echt succes? Nele De
Bie en Jarco Braeckmans, studenten Communicatiewetenschappen aan de Universiteit
Antwerpen, onderzochten de motivaties en ervaringen van personen die naar
aanleiding van een televisieserie een stad of streek bezochten.
De bestaande literatuur over dit onderwerp focust eerder op
films dan televisieseries. Deze studies tonen grote variaties tussen
mediatoeristen . Sommigen bezoeken een plaats enkel en alleen omdat de film er
zich afspeelde, anderen omdat de omgeving hen aanspreekt. Braeckmans en De Bie
vroegen zich af in welke mate deze patronen zich voordoen bij Vlaamse
televisie-toeristen. Dit is nog weinig onderzocht.
Het onderzoek is gebaseerd op 202
enquêtes en 20 diepte-interviews die peilen naar welke locaties omwille van
welke series worden bezocht en welke motivaties en ervaringen hierbij een rol
spelen. Hieruit blijkt dat 22% van de ondervraagde mediatoeristen Haspengouw
heeft bezocht omwille van de serie Katarakt. Andere veel voorkomende
series zijn Flikken (10,8%) in de stad Gent en Aspe (9,6%) in de
stad Brugge. De verschillende locaties hebben algemeen gezien geen verschillend
effect op de ervaringen ter plaatse. Het merendeel van de bevraagde
mediatoeristen is tevreden met hun bezoek, voelde zich welkom en zou het
aanraden aan vrienden.
Serie slechts aanleidingEen van de opvallendste
resultaten uit het onderzoek is dat de televisieserie in kwestie bij weinigen
echt centraal staat op de uitstap. De serie is vaak slechts de aanleiding
voor een bezoek, om via deze weg een stad of streek beter te leren kennen. Op
de uitstap zelf is de serie bij de meesten van minder groot belang. Het bezoek is voor de toeristen in de eerste plaats
een vorm van ontspanning en amusement. Ook spreekt de omgeving hen aan. Slechts
enkele van de bevraagde mediatoeristen zijn in die mate fan van een serie dat
ze ter plaatse echt alle locaties willen zien. Eén iemand
vertelt dat hij scènes naspeelde.
Tv-series dan geen invloed op toerisme? “Dat de serie op de uitstap zelf niet centraal staat, wil
niet zeggen dat deze vorm van citymarketing niet aanslaat in Vlaanderen, in
tegendeel zelfs,” besluiten Braeckmans en De Bie. Het onderzoek toont dat de
televisieserie mensen vaak aanzet om de stad of streek uit de reeks te
bezoeken. Zo geven sommigen aan dat ze deze anders nooit bezocht zouden hebben.
De onderzoekers concluderen dan ook: “Citymarketing in televisieseries is dus
zeker een effectieve manier om mensen bewust te maken van een streek en om hen
te beïnvloeden deze te bezoeken”.
|
|
|
|
|
|
Professionele gamers, zijn dat nu topsporters of niet?
Over het antwoord op die vraag zijn de meningen al enige tijd verdeeld. In zijn
masterproef ontdekte Bram Heylen (Universiteit Antwerpen) dat de wereld van
competitief gamen veel gelijkenissen vertoont met die van de topsport.
Bram Heylen ondervroeg in zijn masterproef verschillende
topsporters, professionele gamers en recreatieve gamers naar hun motieven,
beleving, gedrag en profiel. Hij zag daarin opvallend veel overeenkomsten
tussen de topsporters en de professionele gamers.
“Topsporters en competitieve gamers hechten evenveel belang
aan competitie, doelen, uitdagingen, status en inkomen”, verduidelijkt Heylen.
“Ze scoren ook ongeveer gelijk op zaken als vaardigheidstraining , tactisch
denken, toewijding en plezier. Bij de recreatieve gamers is dat op alle vlakken
veel minder.”
Maar ondanks de gelijkenissen bestaan er ook nog wel
verschillen. Zo hechten de gamers veel meer belang aan hun materiaal en zijn ze
niet zo prestatiegericht als de topsporters. “De topgamers gebruiken het gamen
vaak ook louter om zich te ontspannen en voor de sociale interactie met
vrienden. Topsporters doen dit zelden met hun sport. Dat zou kunnen verklaren waarom de gamers over het
algemeen iets minder fanatiek met presteren en winnen bezig zijn.”
De resultaten geven wel duidelijk aan dat de professionele
gamers nog maar opvallend weinig gemeen hebben met de gewone, recreatieve
gamers.
De theoretische claim dat professioneel gamen zeer
vergelijkbaar is met professioneel sporten, lijkt dus niet zo ongegrond. Eind
november organiseert het Chinese Kunshan bijvoorbeeld de dertiende editie van
de World Cyber Games, waar de beste gamers uit de hele wereld zich met elkaar
meten. De winnaar krijgt een gouden medaille en een mooie som geld mee naar
huis. “Met ook een eigen logo en mascotte, een eigen hymne en een professionele
organisatie zijn de parallellen met een groot sportevenement al gauw merkbaar.
Niet helemaal onlogisch dus dat verschillende organisaties het competitief gamen willen laten erkennen tot
officiële sport”, besluit Heylen.
Meer weten?
Bram Heylen: bramheylen1@hotmail.comProf. dr. Steven Malliet (promotor): 03 265 52 83 of steven.malliet@ua.ac.be
|
|
|
|
|
Onderzoekers Universiteit Antwerpen bestudeerden de werkzaamheid van het rotavirusvaccin “Vaccin is sterk wapen tegen buikloop bij jonge kinderen” De rotavirusvaccinatie is zeer doeltreffend in de preventie van ernstige buikloop bij jonge kinderen. Tot die conclusie komen wetenschappers van de Universiteit Antwerpen. Hun onderzoeksresultaten verschijnen in het prestigieuze medische tijdschrift British Medical Journal. België was het eerste land in Europa dat vaccinatie tegen het rotavirus introduceerde in het zuigelingenschema. Volgens de aanbeveling van de Hoge Gezondheidsraad worden de verschillende dosissen van het orale vaccin toegediend op de leeftijd van 8 weken, 14 weken en eventueel een derde dosis op 16 weken (afhankelijk van het gebruikte vaccin). Onderzoekers van het Centrum voor de Evaluatie van Vaccinaties (CEV-VAXINFECTIO-Universiteit Antwerpen) startten in 2008 een studie op om de werkzaamheid van het vaccin na te gaan in een real-life setting. “Hiervoor werkten we samen met de pediatrische eenheden van 39 ziekenhuizen in België”, legt Tessa Braeckman uit. “We gingen op zoek naar jonge kinderen die gehospitaliseerd waren vanwege een ernstige buikloop, veroorzaakt door een rotavirusinfectie. De (vaccinatie)gegevens van deze kinderen werden vergeleken met de gegevens van gehospitaliseerde controlekinderen, die geen buikloop hadden. Uiteindelijk werden over een studieperiode van twee jaar 215 rotavirusgeïnfecteerde kinderen en 276 controlekinderen opgenomen in de analyse.” “Vaccinatie is doeltreffend” Het percentage kinderen dat ten minste één orale dosis van een rotavirusvaccin kreeg, lag veel hoger bij de controlekinderen (91%) in vergelijking met de rotavirusgeïnfecteerde kinderen (48%). De doeltreffendheid van twee dosissen van het enkelwaardige vaccin in de preventie van ziekenhuisopname vanwege rotavirusinfectie, was 90%. Een gelijkaardige doeltreffendheid (91%) werd gevonden in de leeftijdsgroep van de jonge kinderen (3-11 maanden) en bij kinderen ouder dan 12 maanden (90%). "Als we kijken naar de virusstammen die teruggevonden werden bij de rotavirusgeïnfecteerde kinderen, dan zien we dat het merendeel (52%) geïnfecteerd was met de G2P[4]-stam. De doeltreffendheid van het enkelwaardige vaccin tegen deze stam (die niet vervat zit in het vaccin), blijkt toch vrij hoog te zijn (85%). Bij een kwart (25%) van de rotavirusgeïnfecteerde kinderen werd eveneens een ander virus aangetroffen (adenovirus, astrovirus en/of norovirus). De doeltreffendheid van twee dosissen van het enkelwaardige vaccin lag bij deze kinderen met een co-infectie rond de 86%." “Deze resultaten tonen aan dat rotavirusvaccinatie van het jonge kind in België zeer doeltreffend is in de preventie van ziekenhuisopname vanwege buikloop, veroorzaakt door rotavirusinfectie, ondanks het hoge voorkomen van de virusstam G2P[4] en co-infectie met andere virussen. Vaccineren is dus zeker nuttig”, besluit Braeckman. Meer weten? Tessa Braeckman (pre-doctoraal onderzoekster): tessa.braeckman@ua.ac.be of 03 265 28 51. Pierre Van Damme (promotor): pierre.vandamme@ua.ac.be of 03 265 25 38. De resultaten van dit onderzoek werden gepubliceerd in het tijdschrift British Medical Journal (BMJ 2012;345:e4752). Het artikel kan vrij geraadpleegd worden via: http://bmj.com/cgi/content/full/bmj.e4752?ijkey=uBSU26oNBjLGzJ2&keytype=ref Centre for the Evaluation of Vaccination (CEV) Vaccin & Infectious Disease Institute Faculty of Medicine and Health Sciences University of Antwerp Campus Drie Eiken (Building R, room 2.17b) Universiteitsplein 1 2610 Antwerp (Wilrijk) – Belgium
|
|
|
|
|
Achttiende Colloquium Neerlandicum brengt 300 taalspecialisten naar Antwerpen Ook in Zuid-Korea leert men Nederlands Almaar meer buitenlandse studenten willen Nederlands leren. Niet onlogisch, want het Nederlands is absoluut een wereldtaal. Dat wordt nog een keertje verduidelijkt tijdens het achttiende Colloquium Neerlandicum, een evenement van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek. Van maandag 27 tot en met vrijdag 31 augustus verzamelen 300 neerlandici uit 35 landen zich op de Universiteit Antwerpen. Vlaams minister-president Kris Peeters trapt het congres af. Nederlands wordt steeds populairder onder buitenlandse studenten. Niet alleen voor interculturele communicatie, maar ook voor economische en wetenschappelijke doeleinden. Naar schatting houden zo’n 400 000 mensen over de grens zich bezig met de Nederlandse taal, en dat is meer dan ooit. Vaak komen ze ook naar Nederland of Vlaanderen: de zomercursus van de Nederlandse Taalunie in juli was een groot succes. De achttiende editie van het Colloquium Neerlandicum, met als thema ‘Andere Werelden’, is dan ook volledig gericht op de toekomst. Tijdens het vijf dagen durende wereldcongres kunnen de 300 deelnemers uit 35 landen zo’n 120 lezingen en 25 posterpresentaties bijwonen. Onder meer uit Georgië en Aruba, maar ook Zuid-Korea en Oekraïne zakken er professoren en docenten Nederlands naar Antwerpen af. De deelnemers worden ook van harte uitgenodigd om mee te denken over de toekomst van de neerlandistiek. Wereldtaal Het Nederlands van de Lage Landen staat met 23 miljoen sprekers op de 35e plaats van ruim 6000 talen, en dat is nog exclusief de zustertaal Afrikaans. Bovendien staat het in de top tien van internettalen. Het Woordenboek der Nederlandse Taal is het grootste woordenboek ter wereld. Nederlands is dus een wereldtaal die tevens wereldwijd wordt bestudeerd. De Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN) behartigt de belangen van docenten Nederlands aan universiteiten en hogescholen over de hele wereld. De meer dan 600 leden zijn actief in veertig landen en leiden zo’n 20 000 studenten op voor banen als docent Nederlands, onderzoeker, vertaler of tolk, journalist of cultureel medewerker. Praktisch: Achttiende Colloquium Neerlandicum: van maandag 27 augustus tot en met vrijdag 31 augustus op de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen (Prinsstraat 13, 2000 Antwerpen). Routebeschrijving Het volledige programma Het programmaboekje Een foldertje over het congres De openingszitting vindt plaats op maandag 27 augustus om 16 uur in de Aula Rector Dhanis (Kleine Kauwenberg 14, 2000 Antwerpen). Vlaams minister-president Kris Peeters houdt de openingstoespraak, auteur Geert Van Istendael de openingslezing. Nadien heet burgemeester Patrick Janssens om 18 uur iedereen welkom op het Antwerpse stadhuis. De pers is van harte uitgenodigd om de openingslezing van het colloquium bij te wonen, evenals de ontvangst op het stadhuis. Na de openingslezing is er van 18 uur tot 18.30 tijd om vragen te stellen in de aula. Desgewenst kan dit ook tijdens de receptie in het stadhuis. Meer weten? Voor vragen kunt u contact opnemen met Tjits Roselaar, Marloes van Bergen of Peter De Meyer. Tjits Roselaar: t.roselaar@ivnnl.com en vanaf 27/08 te bereiken op +32 (0)4 93 16 08 07. Marloes van Bergen: bureau@ivnnl.com en vanaf 27/08 op +32 (0)493 16 19 31. Peter De Meyer, persverantwoordelijke van de Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be en +32 (0)476 20 07 54.
Over de IVN De IVN stimuleert en ondersteunt onderwijs en onderzoek, met als kerndomeinen: taalkunde, letterkunde, cultuur, didactiek en vertalen. Denk hierbij aan Nederlands als tweede of vreemde taal, vergelijkende taal- en literatuurwetenschap, didactiek van de taal en cultuur van de Lage Landen, cultuurgeschiedenis en interculturele communicatie. In 1961 vond in Den Haag het eerste colloquium neerlandicum plaats. Dit wordt als de start van de verenigde internationale neerlandistiek beschouwd. Het tweedaagse congres vervulde een duidelijke behoefte, en er werd een Werkcommissie ingesteld om deze behoefte te vervullen. Al na het derde driejaarlijkse colloquium ontstond de wens voor een vereniging die de belangen van docenten Nederlands extra muros zou behartigen, en in 1970 werd de Werkcommissie de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek. In de loop der jaren is de Vereniging enorm gegroeid. Waren er in 1961 zeventien deelnemende docenten en duurde het congres twee dagen, in 2012 zijn er 300 deelnemers en meer dan 140 bijdragen, over vijf dagen verdeeld. Nederlandse nuchterheid mag tijdens het congres even worden vergeten; met zoveel neerlandici bij elkaar is het een schitterende mogelijkheid om ambitieuze bruggen te slaan naar de toekomst.
Internationale Vereniging voor Neerlandistiek Universiteit van Tilburg, kamer D257 Postbus 90153 5000 LE Tilburg, Nederland tel +31 (0)13 466 3571 bureau@ivnnl.com www.ivnnl.com
|
|
|
|
|
|
Ellen Danckaert (Universiteit Antwerpen) onderzocht het effect van homofoondominantie bij het nalezen
“Ook bij bewust nalezen zal je sneller over een dt-fout kijken”
Geen fout binnen de Nederlandse taal die zo vaak vervloekt wordt als zondigen tegen de dt-regels. Toch overkomt het iedereen wel eens. Zo’n fout kent dan ook verschillende oorzaken. Ellen Danckaert (Universiteit Antwerpen) onderzocht in haar masterproef het effect van homofoondominantie bij het nalezen van een tekst.
In haar masterproef toont Ellen Danckaert aan dat homofoondominantie een aanzienlijke rol speelt bij het beoordelen van mogelijke spelfouten. Homofonen zijn woorden die hetzelfde klinken, maar niet op dezelfde manier gespeld worden, zoals leiden en lijden of de werkwoordsvormen (ik) word en (hij) wordt. De werkwoordsvorm die het meeste voorkomt, wordt tijdens het lezen vaker als correct beoordeeld. Als een homofone werkwoordsvorm fout gespeld is, lezen we er daarom vaker overheen als het om de frequente vorm gaat. Eerder onderzoek van prof. dr. Dominiek Sandra en Lien Van Abbenyen van de Universiteit Antwerpen toonde al aan dat de vertrouwdheid met een homofoon en de frequentie van dat homofoon een belangrijk aspect vormt bij het maken van spelfouten tegen werkwoordsvormen. Danckaert bewijst nu dat je omwille van diezelfde factor ook sneller over een dt-fout zal lezen wanneer die werkwoordsvorm vaker voorkomt. De studente liet leerlingen van het ASO, het TSO en het BSO een tekst bewust nalezen op spelfouten binnen een bepaalde tijdsperiode. “De proefpersonen lieten vaker de fout ik wordt staan dan hij word”, verduidelijkt Danckaert,“omdat wordt een hogere frequentie heeft dan word. Wanneer ze een juiste werkwoordsvorm toch als fout aanduidden, was dat ook telkens het geval bij de laagfrequente, minder voorkomende vorm. Dat bewijst dus duidelijk het effect van homofoondominantie. Spellers en lezers die niet genoeg tijd krijgen om na te denken over de spellingsregels, vallen terug op de meest frequente homofoon die ze kennen.”
Metalinguïstisch vermogen
Uit het onderzoek bleek ook dat de studenten uit het BSO veel minder abstract kunnen omgaan met taal en de regels minder goed kennen. Toch was er geen oorzakelijk verband tussen de aan- of afwezigheid van zo’n metalinguïstisch vermogen en het bestaan van een effect van homofoondominantie. “We vallen allemaal aan ten prooi aan die homofoondominantie. De dt-regel vormt dan voor iedereen, weliswaar in verschillende mate, een probleem.” Om taalfouten te voorkomen, moeten de huidige spellingsregels volgens Danckaert op een overzichtelijke manier uitgelegd worden, met speciale aandacht voor de zinsontleding en het effect van homofoondominantie. “En je moet ruimte krijgen om fouten te maken”, besluit ze. “Een bange speller lijdt aan taalonzekerheid. Dat mag zeker niet in de hand gewerkt worden.” Meer weten? Ellen Danckaert: ellen.danckaert@gmail.com Prof. dr. Dominiek Sandra (promotor): 03 265 42 47 of dominiek.sandra@ua.ac.be Nina Verhaert (copromotor): nina.verhaert@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Katrein Ebinger (Universiteit Antwerpen) stelt vast dat armoede moeilijk thema blijft binnen scouting
“Scoutsleiding heeft verkeerd beeld over armoede”
Afgelopen jaar werkten zeven Vlaamse jeugdbewegingen rond het gezamenlijke thema ‘armoede’. Een grotere toegankelijkheid ten aanzien van jongeren in armoede was daarbij een belangrijk werkpunt. Uit de masterproef van Katrein Ebinger (Universiteit Antwerpen) blijkt echter dat de groepsleiding van Scouts en Gidsen Vlaanderen dat probleem verkeerd inschat.
Voor haar masterproef ondervroeg Ebinger de Antwerpse groepsleiding van de jeugdbeweging Scouts en Gidsen Vlaanderen over hoe zij tegen armoede aankijken, zowel binnen als buiten de scoutswerking. Daaruit blijkt vooral dat de leden een somber beeld hebben over de algemene armoede en dat ze hun eigen toegankelijkheid foutief inschatten. Zo vindt bijna 90 procent van de ondervraagden de eigen scoutsgroep voldoende toegankelijk voor kinderen en jongeren in armoede. Al zien de meesten wel nog ruimte voor verbetering. Opmerkelijk, want Scouts & Gidsen Vlaanderen bereikt gemiddeld slechts 7,7 procent kansarme leden per groep en scoort daarmee het slechtst ten opzichte van andere jeugdbewegingen. Volgens Ebinger komt dat omdat de leiding onvoldoende vertrouwd is met de drempels die er bestaan voor maatschappelijk kwetsbare jongeren en weinig op de hoogte is van het diversiteitsaanbod van Scouts en Gidsen Vlaanderen. “Jeugdbewegingen draaien op vrijwilligers en niet op professionelen”, verklaart ze. “Eerder onderzoek toonde al aan dat ze vaak de draagkracht missen om echt contact te leggen met maatschappelijk kwetsbare kinderen en hun ouders.”
Pessimistische kijk op armoede
Over armoede in het algemeen heeft de leiding eerder een somber beeld. Ze schat het percentage uitgesloten Vlamingen hoger in dan de gemiddelde Vlaamse jongere en het aantal kinderen en jongeren in armoede schat ze dubbel zo hoog in als in realiteit. “Die pessimistische kijk maakt het hen zwaar en moeilijk om met het thema te werken”, vervolgt Ebinger. “Ze zien scouting vooral als plezier, een moment om eventuele zorgen te vergeten. Niemand zegt het thema armoede onbelangrijk te vinden, maar de leiding ziet het niet als de taak van een jeugdbeweging om hier eenmalig rond te werken. Ze lijkt wel open te staan voor een samenwerking met de sociale sector.” Scouts en Gidsen Vlaanderen zal haar leiding dus moeten blijven motiveren als ze de toegankelijkheid van de jeugdbeweging willen vergroten. “Projecten als Open Kamp, Scouting op Maat, verminderd lidgeld en het jaarthema rond armoede bewijzen dat de jeugdbeweging zich wil engageren ten aanzien van kinderen en jongeren in armoede. De nationale leiding moet die lijn doortrekken en aanvullen met voldoende vorming en professionele ondersteuning als ze tot fundamentele veranderingen wil komen”, besluit Ebinger. Meer weten? Katrein Ebinger: katrein.ebinger@student.ua.ac.be Prof. dr. Jan Steyaert (promotor): jan.steyaert@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
De Europese Commissie kent twee Erasmus Mundus-opleidingen toe aan de Universiteit Antwerpen. Zowel de European Master in Comparative Morphology als de master Economics of Globalisation and European Integration treden zo toe tot de Champions League van de universitaire opleidingen in Europa. De erkenning maakt het mogelijk getalenteerde studenten uit het buitenland aan te trekken.
Met de Erasmus Mundus-opleidingen wil Europa haar studenten op wereldniveau kunnen laten meespelen. De opleidingen zijn zeer gespecialiseerd. De lessen worden gegeven door topprofessoren uit meerdere landen en door gastsprekers met naam en faam. Studenten die zich willen inschrijven, moeten eerst een selectieprocedure doorlopen. “Erasmus Mundus is het belangrijkste onderwijsprogramma van de Europese Commissie”, verduidelijkt Piet Van Hove, diensthoofd Internationale Samenwerking van de Universiteit Antwerpen. “Voor de periode 2009-2013 maakt Europa 940 miljoen euro vrij. Die gaan naar hoog aangeschreven opleidingen en naar internationale samenwerkingsprojecten.” De opleidingen, telkens door minstens drie Europese universiteiten samen georganiseerd, zijn niet te verwarren met het Erasmusprogramma, dat het studenten mogelijk maakt enkele maanden in een ander Europees land te gaan studeren. Van Hove: “Via Erasmus Mundus kan een universiteit toptalent in huis halen. Heel belangrijk ook met het oog op toekomstig wetenschappelijk onderzoek aan die universiteit.” De Europese Commissie bedenkt dit jaar dertig opleidingen met de Erasmus Mundus-stempel. Twee ervan worden gecoördineerd door de Universiteit Antwerpen. Het gaat over de opleiding European Master in Comparative Morphology (Departement Diergeneeskunde) en de master Economics of Globalisation and European Integration (Departement Economie).
Zuid-Afrika
Naast de gespecialiseerde opleidingen maakt de Europese Commissie in het kader van Erasmus Mundus ook middelen vrij voor grootschalige mobiliteitsprojecten, gefocust op één land of één regio buiten Europa. De komende jaren zal de Universiteit Antwerpen verder het EUROSA-project coördineren, dat talentvolle Zuid-Afrikaanse jongeren de kans geeft in Antwerpen of een andere Europese stad te studeren. De Universiteit Antwerpen werkt voor EUROSA samen met een zevental andere universiteiten. Europa begroot 1,6 miljoen euro voor het project. Sinds 2009 coördineert de Universiteit Antwerpen reeds het CONNEC-project, met focus op China. Bij diverse andere projecten is ze partneruniversiteit. De succesvolle deelname aan het Erasmus Mundus-programma kadert binnen het internationaliseringsbeleid van de Universiteit Antwerpen. De Universiteit Antwerpen meent dat een sterke internationale dimensie vandaag een absolute vereiste is voor de kwaliteit en de relevantie van onderwijs, onderzoek en dienstverlening.
Meer weten?
Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: 03 265 47 11, 0476 20 07 54 of peter.demeyer@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Sanne Hermans en Wim Verlinden (Universiteit Antwerpen)
gingen huisvestingsvoorkeuren van de Antwerpse student na
“Studenten
willen niet langer samen op kot”
Waarom zijn studenten bereid meer te betalen voor het ene
kot dan voor het andere? Masterstudenten organisatie en management Sanne
Hermans en Wim Verlinden (Universiteit Antwerpen) onderzochten de
huisvestingsvoorkeuren van de Antwerpse student. “Studenten verkiezen een
studio boven een kot, en een kotbaas is al helemaal niet meer gewenst.”
“Aan de hand van een websurvey die we verstuurden onder de
Antwerpse studenten, polsten we naar de betalingsbereidheid van bepaalde
kotkenmerken zoals woontype, oppervlakte en afstand”, legt Sanne Hermans uit.
“Uiteindelijk gingen we aan de slag met 1728 formulieren. 80% van de
formulieren werden ingevuld door vrouwen e n 20%
door mannen.
Prijs, woontype en locatie De prijs blijkt de beslissende factor bij het kiezen van een
kot. Dat studenten een goedkoper kot verkiezen boven een duurder mag geen
verbazing wekken. Wel zijn de studenten bereid heel wat meer te betalen voor
privacy. Uit de resultaten blijkt dat studenten bereid zijn gemiddeld 171,15
euro meer te betalen voor een verandering van een kamer met gemeenschappelijke
woonvoorzieningen naar een studio met privézitruimte, douche, wc en keuken.
Het woontype en de aanwezige voorzieningen zijn het tweede
belangrijkste element bij de beslissing over een kot. De studenten verkiezen
een studio boven een gewone kamer. Een inwonende kotbaas is helemaal niet meer
gewenst. “Dit is niet echt een verrassend resultaat”, stellen Hermans en
Verlinden. “Studenten hechten de laatste jaren immers meer belang aan privacy
en hygiëne. Maar dat een gemeenschappelijke keuken als negatief ervaren wordt,
is toch eerder verrassend. Studenten hadden voorheen aangegeven dat ze het niet
erg vinden om een keuken te delen omwille van het sociaal contact.”
Een derde belangrijke factor is de oppervlakte van het kot.
Kleinere koten zijn minder gewenst dan grotere. De resultaten leren ook dat
studenten liever een gemeubeld kot hebben dan een ongemeubeld kot, al is dit
geen doorslaggevende factor in de keuze voor een kot.
Het maakt voor studenten weinig uit of hun kot nu op 5
of 10 minuten wandelen van de onderwijsinstelling ligt, het verschil in
betalingsbereidheid is maar 6,6 euro/maand. Pas wanneer de verplaatsingsafstand
15, 20 of 25 minuten wordt, dan daalt de prijs die men wil betalen
per maand met respectievelijk 23, 32 en 78 euro.
Utopie
“Algemeen kan je dus stellen dat Antwerpse studenten kiezen voor een grote
gemeubelde studio zonder gemeenschappelijke voorzieningen, nabij de campus en
met een zo laag mogelijke prijs”, besluit Wim Verlinden. “Het is uiteraard een
utopie dat zo’n kot zou bestaan in een reële marktsituatie.”
Prof. Ann
Verhetsel, promotor van de eindverhandeling, ziet enige aanleiding voor
ongerustheid. “Het collectieve wonen dat steeds een zeer belangrijk aandeel had
binnen de studentenhuisvesting lijkt meer en meer te verdwijnen. Dit gebeurt
net op het moment dat de markt van gezinshuisvesting in toenemende mate nadenkt
en experimenteert met vormen van samenwonen, zoals kangoeroewonen. Hoewel koten
tot voor kort veelal kleinschalig of via publieke organisaties aangeboden
werden, beschouwen nu ook ontwikkelaars studentenhuisvesting als een lucratieve
markt. Doordat zij vanuit economisch oogpunt inspelen op de woonwensen van
studenten, lijkt het samenwonen verder te zullen afnemen.” Prof. Verhetsel
vestigt haar hoop op ‘verlichte’ investeerders die naast studio’s ook willen
inzetten op het verdere samen-wonen van studenten.
Figuur: Relatief nut woontype en voorzieningen (zitkamer, keuken,
sanitair)1= woonblok; alle voorzieningen gemeenschappelijk
2= woonblok; zitkamer en keuken gemeenschappelijk, sanitair privé
3= huis met kotbaas; alle voorzieningen gemeenschappelijk
4= huis met kotbaas; zitkamer en keuken gemeenschappelijk, sanitair
privé
5= huis met alleen studenten; alle voorzieningen gemeenschappelijk
6= huis met alleen studenten; zitkamer en keuken gemeenschappelijk,
sanitair privé
7= studio; niets gemeenschappelijk
8= studio; zitkamer en keuken gemeenschappelijk, sanitair privé
Meer weten?
Sanne Hermans sanne.hermans@student.ua.ac.be
Wim Verlinden wim.verlinden@student.ua.ac.be
Promotor prof. dr. Ann Verhetsel: ann.verhetsel@ua.ac.be
of 03 265 42 21
|
|
|
|
|
|
Patrick Hellemans (Universiteit Antwerpen) ging na welke weg
de beste voorbereiding op ondernemerschap biedt
“Getuigschrift
Bedrijfsbeheer in secundair onderwijs is overbodig”
De voorbije jaren is de aandacht voor ondernemerschap
binnen het onderwijs toegenomen. Met het getuigschrift Basiskennis
Bedrijfsbeheer, dat onder andere in het secundair onderwijs kan worden behaald,
kan je een eigen onderneming starten. Maar is dit wel de beste voorbereiding?
Uit de masterproef De beste leerweg naar een duurzame onderneming van
Patrick Hellemans (Universiteit Antwerpen) blijkt dit niet het geval te zijn.
Het diploma secundair onderwijs is een betere voorbereiding op voorwaarde dat
iedere leerling in het secundair onderwijs een degelijk pakket algemene vorming
verwerft.
Hellemans concludeert dat het algemeen secundair onderwijs,
het technisch secundair onderwijs en het kunstsecundair onderwijs een mooie
kans bieden om een duurzame onderneming te starten. Volgens de huidige
regelgeving moeten ondernemers die een onderneming starten op basis van een
diploma hoger onderwijs geen getuigschrift basiskennis bedrijfsbeheer
voorleggen, in tegenstelling tot ondernemers die een diploma secundair
onderwijs hebben. Maar op basis van de resultaten in de masterproef blijkt dat
de verplichting om ondernemers met een diploma secundair onderwijs een
getuigschrift basiskennis bedrijfsbeheer te laten behalen geen reden heeft.
Kans op succes
Hellemans berekende aan de
hand van de gekozen leerweg hoe groot de kans is dat een onderneming nog actief
is na vier jaar. Hiervoor analyseerde hij 11 658 ondernemingen. Uit zijn
onderzoek blijkt dat ondernemers, die ook beroepsbekwaamheid moeten bewijzen,
met een diploma secundair onderwijs 84,75 % kans hebben om een duurzame
onderneming te starten. Een getuigschrift van Basiskennis Bedrijfsbeheer,
behaald in het secundair onderwijs, geeft 81,35 % kans. Een ondernemer met een
diploma hoger onderwijs heeft een kans van 90,50%.
“Het verschil in kans tussen de verschillende leerwegen is
dus zeer klein,” zegt Hellemans. “Het getuigschrift van Basiskennis
Bedrijfsbeheer in het secundair onderwijs voegt niets toe aan deze kans en
bijgevolg biedt het aanbieden hiervan geen meerwaarde. Bij de geplande
hervorming van het secundair onderwijs zou men dus best opteren om het
getuigschrift niet langer aan te bieden. Ik ben wel van mening dat iedereen
gebaat is bij een sterk secundair onderwijs, zowel in het ASO, TSO, KSO en BSO,
met het oog op het starten van een duurzame onderneming. Hiertoe moeten alle
leerlingen een degelijke algemene vorming krijgen.”
Stimulans
Volgens Hellemans heeft het secundair onderwijs wel de taak om ondernemerszin
te stimuleren en de mogelijkheid om aan de slag te gaan als ondernemer, naast
werknemer, onder de aandacht te brengen. Vlaanderen hinkt achterop wat het
aantal starters betreft. Daarom is het precies van belang dat het secundair
onderwijs deze taken ter harte neemt.
“Uiteraard is het zo dat een
ondernemer onder andere kennis van regelgeving en economisch inzicht nodig
heeft om een onderneming te starten”, besluit Hellemans. “Verschillende
organisaties als UNIZO, VOKA, VDAB, Agentschap Ondernemen en FOD Economie, KMO,
Middenstand en Energie ondersteunen startende ondernemers en stellen op hun
websites heel wat informatie ter beschikking. De Vlaamse overheid ondersteunt
via het Agentschap Ondernemen initiatieven van UNIZO en VOKA en ik vind dat de
Vlaamse Overheid dit ook moet blijven doen.”
|
|
|
|
|
Hoewel Brussel een tweetalig gebied is, praat 80% van haar inwoners uitsluitend Frans. Ook de meerderheid van de diplomaten die zich voor hun werk voor de Europese Unie in Brussel vestigden, spreekt voornamelijk Frans. Toch is het de Nederlandstalige publiciteit die overheerst in de Brusselse treinstations. Dat ontdekte Sofie Thielemans (Universiteit Antwerpen) toen ze voor haar bachelorscriptie de gebruikte taal op de reclameaffiches in 31 Brusselse treinstations onderzocht.
Een groot aantal Belgen brengt dagelijks een tijdje op de perrons door. Als officieel tweetalige instellingen zijn de stations verplicht de twee landstalen te gebruiken. Welke talen worden gebruikt in de reclame op de perrons en in de stationshallen? Domineert een van die talen? Sofie Thielemans zocht het uit. Ze nam foto’s van de reclameaffiches in 31 Brusselse treinstations. Daarna maakte ze een inventaris op van de fotografische gegevens en kwam ze tot enkele interessante bevindingen. Spreiding Over het gehele onderzochte gebied kwam de studente meer Nederlandstalige affiches tegen dan Franstalige. Op een totaal van 162 foto’s, waren er 43 Franse affiches, 53 Nederlandse, 43 Engelse en 23 affiches zonder tekst. “Maar het wordt pas echt interessant als je Brussel opdeelt in verschillende regio’s”, zegt Thielemans. “In het centrum, maar vooral in het oosten van Brussel merkte ik een overwicht aan Nederlandstalige affiches. Dit is nochtans een van de meest Franstalige buurten. Je zou dit kunnen verklaren door de aanwezigheid van de Erasmushogeschool in Etterbeek. In het noorden domineren de Franstalige affiches dan weer en in het zuiden, waar ze ook voornamelijk Frans spreken, is het aantal Franstalige en Nederlandse affiches min of meer in evenwicht.” Verder stelde Thielemans vast dat ook het Engels een grote rol speelt op de affiches van de Brusselse treinstations. Soort reclame De studente ging ook na of de taalkeuze afhankelijk is van het soort product waarvoor men reclame maakt. Hiervoor maakte ze een onderscheid tussen een aantal categorieën zoals bijvoorbeeld bank- , auto- , en telefoniesector. Haar onderzoek toont aan dat er in bepaalde categorieën een evenwicht bestaat tussen het Frans en het Nederlands, terwijl sommige sectoren slechts gebruik maken van één taal. De groep ‘tentoonstellingen’ was bijvoorbeeld de enige waarbij het Frans domineerde. Bij de categorie ‘auto’s’ en ‘stationdiensten’ overheerste het Nederlands dan weer en in de groep ‘cultuur’ het Engels.
Eenheidsworst Bij het zoeken naar verbanden tussen de Franstalige en Nederlandstalige affiche van eenzelfde product stelde Thielemans vast dat de tekst uit het Frans vaak letterlijk vertaald werd naar het Nederlands of andersom. Dit gebeurt vaak zonder rekening te houden met de Franse of Vlaamse cultuur en eventuele woordspelingen. 64,58% zijn letterlijke kopieën van elkaar. Meer weten?
Sofie Thielemans: sofie.thielemans@student.ua.ac.be Promotor prof. dr. Alex Vanneste: alex.vanneste@ua.ac.be of 03 265 45 66
|
|
|
|
|
|
Sofie De Bondt (Universiteit Antwerpen) doet opvallende vaststelling over de grootte van klasgroepen
“Kleinere klasgroep zorgt niet voor betere prestaties”
Klassenverkleining werkt niet. Dat blijkt uit de masterscriptie van Sofie De Bondt (Universiteit Antwerpen). Zij onderzocht het effect van klasgrootte op de leesprestaties van leerlingen in het basisonderwijs.
“De grootte van de klas waar leerlingen in zitten heeft geen invloed op hun leesprestaties”, zegt Sofie De Bondt, studente aan het Instituut voor Informatie- en Onderwijswetenschappen van de Universiteit Antwerpen. “Nochtans wordt momenteel vanuit het onderwijsbeleid geïnvesteerd in klassenverkleining. Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd en Gelijke Kansen, maakte op 20 juli 2011 bekend dat het nieuwe omkaderingssysteem voor het basisonderwijs principieel is goedgekeurd.” Dit betekent dat voor kleuter- en lager onderwijs extra middelen worden voorzien. Zo zouden er met een budget van 52,7 miljoen euro tegen september 2012 liefst 1300 extra voltijdse leerkrachten in dienst worden genomen in het kleuteronderwijs. De extra aangeworven leerkrachten moeten ervoor zorgen dat het gemiddeld aantal kinderen per kleuterklas daalt van 17,5 naar 16,2. In het lager onderwijs zou er een daling moeten zijn van 17,0 naar 16,8.
Hoe groter, hoe beter?
De Bondt analyseerde de gegevens van 3415 leerlingen uit het vierde leerjaar basisonderwijs in Vlaanderen. De resultaten tonen aan dat er geen uitgesproken verband bestaat tussen de grootte van een klas waarin leerlingen zitten, en de prestaties die ze behalen op een leesvaardigheidtest. Bij dit onderzoek werd er nochtans rekening gehouden met kenmerken van de leerling, de klas en de school, die de resultaten zouden kunnen beïnvloeden. Onderzoekers beweren zelfs dat leerlingen baat zouden hebben bij grotere klassen. Wanneer leerlingen omringd worden door meer medestudenten van een gelijkaardig niveau, zouden ze meer van elkaar opsteken.
Cultureel kapitaal Aspecten die wel een effect op de leesprestaties hebben, zijn bijvoorbeeld het geslacht en de leeftijd van de leerlingen, de socio-economische status, het cultureel kapitaal (wanneer er meer dan 100 boeken in huis aanwezig zijn), de thuistaal van de kinderen, de gemiddelde klas-score op de leestoets en het percentage Nederlandstaligen in de klas. “Het onderzoek toont aan dat de klasgrootte geen voorspeller is voor leesprestaties”, besluit De Bondt. “Of dit wil zeggen dat men momenteel investeert in iets wat mogelijk zijn doel mist, weet ik niet, maar de vraag blijft welke motieven doorwegen in de beleidsvoering. Voor leerkrachten zal het nieuwe omkaderingssysteem in ieder geval welkom zijn, want de werkdruk zal hierdoor wellicht verminderen.”
Meer weten?
Sofie De Bondt:sofie_de_bondt@hotmail.com Promotor prof. dr. Sven De Maeyer: sven.demaeyer@ua.ac.be of 03 265 49 32
|
|
|
|
|
|
Wetenschappers uit elf Europese landen hebben op een objectieve manier het druggebruik in negentien Europese steden in 2011 vergeleken via de analyse van afvalwater. In België werden het afvalwater van Antwerpen en Brussel geanalyseerd in het Toxicologisch Centrum van de Universiteit Antwerpen door dr. Alexander van Nuijs, prof. Adrian Covaci en prof. Hugo Neels. De meest opmerkelijke vaststelling is dat het gebruik van cocaïne in Antwerpen het hoogste was van alle negentien steden.
In maart 2011 werd gedurende één week gelijktijdig dagelijks ongezuiverd afvalwater gecollecteerd in negentien grote Europese steden (Amsterdam, Antwerpen, Barcelona, Brussel, Budweis, Castellon de la Plana, Eindhoven, Helsinki, Londen, Milaan, Oslo, Parijs, Santiago de Compostela, Stockholm, Turku, Umea, Utrecht, Valencia, Zagreb). De stalen werden geanalyseerd voor humane excretieproducten van cocaïne, amfetamine, ecstasy, methamfetamine en cannabis. De resultaten worden vandaag gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Science of the Total Environment. Enkele opmerkelijke resultaten uit de studie:
- Het gemiddelde cocaïnegebruik van de negentien Europese steden was 700 mg/dag per 1000 inwoners. Het gebruik in Brussel lag lager dan dit gemiddelde met 500 mg/dag per 1000 inwoners, terwijl het cocaïnegebruik in Antwerpen ver boven het gemiddelde lag met 1950 mg/dag per 1000 inwoners. De waarde voor Antwerpen was de hoogste van alle negentien Europese steden.
- Een extrapolatie van de resultaten voor cocaïne resulteerde in een dagelijks Europees cocaïnegebruik van 356 kilo, wat overeenkomt met ongeveer 10 tot 15% van het mondiale cocaïneaanbod (geschat door de Verenigde Naties).
- Het gebruik van amfetamine en ecstasy was het hoogste in Antwerpen en de Nederlandse steden. In Brussel is het gebruik van deze substanties vergelijkbaar met het Europese gemiddelde.
- Methamfetaminegebruik is in Antwerpen en Brussel verwaarloosbaar laag. Een relatief hoog gebruik van deze drug werd teruggevonden in Budweis (Tsjechië) en de Scandinavische steden.
Meer weten?
Dr. Alexander van Nuijs Toxicologisch Centrum, Universiteit Antwerpen Universiteitsplein 1, 2610 Wilrijk T 03 265 27 43 M 0496 71 95 13 alexander.vannuijs@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Joy Verstichele (Universiteit Antwerpen) onderzocht de
beeldvorming van de culturele identiteit in kinderprogramma’s
“Beeldvorming
diversiteit is uit evenwicht”
Culturele identiteiten komen
amper aan bod in de Vlaamse kinderprogramma’s. Wanneer dit wel het geval is,
gebeurt dit altijd op een erg negatieve en stereotyperende manier. Deze
vaststelling ligt in lijn met het nationalistische denkkader dat wordt gehanteerd
door de VRT, waardoor er geen ruimte is voor culturele verschillen. Dat blijkt
uit de masterscriptie Politieke Communicatie van Joy Verstichele (Universiteit
Antwerpen) die de beeldvorming van de culturele identiteit onderzocht in
Vlaamse kinderprogramma’s met aandacht voor de politieke context.
“Diversiteit in de media is de
afgelopen maanden een ‘hot item’ gebleken”, zegt Verstichele. “Denk maar aan
Ben Crabbé die werd beschuldigd van racisme tegenover een Turkse kandidaat in
zijn dagelijkse spelshow Blokken. Het ging eerder om flauwe grapjes dan om een
vorm van racisme. Beschuldigingen aan het adres van het VRT-coryfee waren
misschien inderdaad kort door de bocht, maar een debat over de essentie van de
kritiek is er nooit gekomen. De echte vraag is hoe de media met diversiteit
kunnen en moeten omgaan.”
Ook in de wetenschap werd ruim
aandacht besteed aan diversiteit in de media. Maar waar de meeste onderzoeken
zich richten op het meten van het aantal minderheden op televisie, kijkt dit
onderzoek naar de manier waarop met die culturele minderheden wordt omgegaan in
onze kinderprogramma’s.
Met de paplepel ingegeven In zijn scriptie haalt
Verstichele aan dat waarden, normen, overtuigingen en attitudes al heel vroeg
worden gevormd. Kinderen van zes tot twaalf jaar, de doelgroep van de
programma’s die werden onderzocht, zijn op die leeftijd volop bezig met het
vormen van een eigen normen- en waardenkader. De percepties over diversiteit en
identiteit stammen dus voor een belangrijk deel uit de kinderjaren en worden
aangereikt door zowel de directe omgeving als de media.
“Nu de openbare omroep in
samenspraak met de Vlaamse regering heeft beslist om van Ketnet een volwaardige
kinder- en jongerenzender te maken, is het dan ook het moment om aandacht voor
diversiteit en multiculturaliteit in de beeldvorming te beklemtonen”, meent
Verstichele.
VRT hanteert nationalistisch denkkader Voor zijn onderzoek analyseerde de student tien kinderprogramma’s, nam
hij de beheersovereenkomst van de VRT onder de loep en interviewde hij
prominente mensen uit het werkveld waaronder minister van Media Ingrid Lieten
en enkele scenarioschrijvers.
Uit de kwalitatieve analyse van
zowel de huidige als de vorige beheersovereenkomst van de VRT blijkt dat de VRT
een nationalistisch denkkader hanteert. Op een systematische manier wordt er
van uitgegaan dat er een Vlaamse natie zou bestaan met één volk, op één
territorium, met één taal en met één gedeelde geschiedenis. Samen met de
opdracht om de sociale cohesie binnen Vlaanderen te versterken, wordt duidelijk
een assimilatiethese aangehangen. “De notie van integratie die hier wordt
gehanteerd is een heel eenzijdige waarbij aanpassing aan de culturele
meerderheid de norm wordt, zonder oog voor de eigenheid van culturele
minderheden”, stelt Verstichele.
Culturele negatie “Wanneer scenaristen nieuwe opdrachten krijgen van de VRT, is de
beheersovereenkomst daarvan de basis. Aangezien deze scenaristen de kiem zijn
van de beeldvorming, is er een duidelijke invloed van deze politieke documenten
op de kinderprogramma’s”, zo verklaart Verstichele de politieke invloed op de
beeldvorming.
Het is dan ook niet verwonderlijk
dat in de programma’s zelf de culturele identiteit bijna altijd wordt
genegeerd. Dit ligt volledig in lijn met de assimilatiethese die aanwezig is
doorheen de beheersovereenkomst. Culturele minderheden worden bijna altijd
weergegeven alsof er geen cultureel verschil zou bestaan. In de weinige
gevallen dat die culturele identiteit toch een rol speelt, is dit altijd in een
spottende of beledigende context. Daarenboven zijn stereotyperingen naar
nationaliteit en etniciteit niet ongewoon. “Het is niet uitzonderlijk om een
Nederlander met klompen of een autoritaire Duitser te zien.”
Andere aanpak “Het grote probleem van de
beeldvorming is niet dat culturele verschillen worden uitgewist, noch dat die
identiteit soms op een spottende manier wordt aangehaald, maar wel dat de
culturele identiteit nooit op een positieve manier naar voor komt. Het
evenwicht is totaal zoek”, zo vindt Verstichele.
Opmerkelijk is dat er in de kwaliteit van de beeldvorming geen
verschil bestaat tussen de VRT en de commerciële omroepen. Dit komt vooral
doordat nergens een echt kwaliteitsvol diversiteitsbeleid wordt gevoerd. “De
openbare omroep spreekt in de beheersovereenkomst wel over diversiteit en
kwaliteit, maar dit blijkt zich uitsluitend te concretiseren in het aantal
etnisch culturele minderheden dat op de televisie verschijnt en niet in de
manier waarop dit gebeurt”, besluit Verstichele. “Een herziening en intensifiëring
van de diversiteitsthematiek in de media lijkt me dan ook hoogdringend.”
Meer weten?
Student: Joy Verstichele Joy.Verstichele@student.ua.ac.be Promotor prof. dr. Christ’l De Landtsheer christl.delandtsheer@ua.ac.be
of 03 265 55 86
www.politiekecommunicatie.beDit onderzoek werd als tweede gerangschikt in de
Thesisprijs Politieke Communicatie, met eervolle vermelding.
Voorbeelden uit programma’s:
Fragment
‘W817’ (12/03/2012) Tom:
Is jullie salsa even goed als die van ons? (verwijzend naar de dipsaus die ze
aan het eten zijn). Birgit:
Ge moogt gerust zijn. Steve:
Die Ramon die kan er ook wat van! Tom:
Ramon? Met zo’n naam moet ge ooit in de misdaad terechtkomen. Birgit:
Of in een dansschool! Fragment
‘Hallo K3!’ (4/03/2012): Kristel:
Dat ontbrak er nog aan. Hier zijn maar twee slaapkamers in plaats van drie. Josje:
Misschien hebben we niet goed gekeken. Kristel:
Hollands glorie zegt ook iets!
|
|
|
|
|
Welke percepties leven er bij werknemers en studenten omtrent de
logistieke sector? Lynn De Bock en Valerie Smid trachten in hun gezamenlijke masterproef
aan de Universiteit Antwerpen onder begeleiding van dr. Christa Sys, een beeld
te scheppen van de verschillende factoren die een invloed kunnen hebben op de
carrièrekeuzes van vrouwelijke bedienden in de logistiek.
Gezien het toenemend belang van logistiek in de huidige economie is het
interessant om deze sector vanuit een genderperspectief te bekijken. Het
onderzoek wil achterhalen waarom er relatief weinig vrouwen willen werken als
bediende in de logistieke sector. Heeft het te maken met het imago en/of specifieke
eisen van de sector? Of denken vrouwen dat ze minder doorgroeimogelijkheden
hebben en minder goed betaald worden dan mannelijke collega's? Heeft het imago
van de logistiek een invloed op de keuze voor een logistiek georiënteerde
opleiding?
Meer concreet wil de masterproef een antwoord
geven op volgende vragen: - Welke percepties hebben vrouwelijke bedienden
uit de Vlaamse logistieke sector over hun loon en doorgroeimogelijkheden?
- Hoe zijn vrouwen terechtgekomen in de
bediendenfunctie?
- Waarom zijn er zo weinig vrouwen aanwezig in de
logistiek?
- Waarom kiezen studenten voor een logistiek
georiënteerde opleiding en hoe staan zij tegenover de aspecten van de sector?
Naast desk research is er gewerkt met enquêtes en interviews. Geografisch
richt het onderzoek zich op Vlaanderen in het algemeen en de provincie
Antwerpen in het bijzonder.
Uit de desk research komen reeds een aantal interessante
vaststellingen: - Ook al is de logistiek een speerpuntsector, toch
is het moeilijk om exacte cijfers te vinden over de werkgelegenheid van mannen en
vrouwen in die sector. Dit komt onder meer
omdat er ook buiten de logistieke bedrijven heel wat activiteiten zijn die met
logistiek te maken hebben.
- Bestaande overheidsmaatregelen worden in de
praktijk niet altijd gesteund door logistieke actoren.
- Gedurende het onderzoek werden een aantal
verenigingen (OTM - Organisatie van Traffic Managers, VIL - Vlaams Instituut
voor de Logistiek en LOGOS - vormingsfonds van het Paritair Comité nr. 226)
onder de loep genomen. Zij dragen duidelijk bij tot een verbetering van het
imago van de logistieke sector.
- Onderzoek in Nederland en de Verenigde Staten
toont aan dat 'perceptie realiteit’ is, voornamelijk wat betreft de carrièrekeuzes
van vrouwen in de logistiek
De enquête gaat na welke percepties er leven bij studenten die een
logistiek georiënteerde opleiding volgen en bij werknemers uit het middenkader.
Ze levert enkele interessante conclusies op.
De eerste vraag die gesteld werd luidde: hoe bent u terechtgekomen in
de logistieke sector? Uit de resultaten blijkt dat 25% van de respondenten voor
de logistiek koos puur uit interesse, 16% geeft andere redenen aan zoals
bijvoorbeeld omdat ze zijn doorgegroeid uit een andere functie, ofwel via een uitzendkantoor
of per toeval. Slechts 14% koos voor de logistiek omdat ze hiervoor een
opleiding gevolgd hebben. Het valt ook op dat slechts 80 van de 276
respondenten een logistieke vooropleiding hebben gevolgd. Opleiding is dus niet
alles bepalend voor een eventuele carrière in de logistieke sector.
Ten tweede geven de resultaten van dit onderzoek aan dat mannen en
vrouwen een verschillende mening hebben over loongelijkheid en
doorgroeimogelijkheden.
Diepte-interviews met zes mannen en zes vrouwen uit hogere logistieke
functies dienen ter aanvulling van dit kwantitatief onderzoek. De respondenten
gaven aan dat loongelijkheid en doorgroeimogelijkheden verschillend zijn per
niveau van een onderneming en dat de minderheid van vrouwen in topfuncties
mogelijk te verklaren valt door de hoge flexibiliteitseisen die de sector
stelt. Deze zijn voor velen moeilijk te combineren met de zorg voor een gezin.
Studenten werden ook gevraagd naar hun percepties met betrekking tot de
logistiek. Hier kwam naar voren dat zij zowel de kans op werk als het verwachte
loon positief inschatten. Aspecten zoals werkdruk en flexibele werkuren worden
eerder als negatief gezien. Onderstaande tabel geeft de antwoorden weer van de 80
hogeschool- en universiteitsstudenten die deelnamen aan de enquête.
Extralegale voordelen scoren opmerkelijk goed. Dit wil zeggen dat
studenten hier veel belang aan hechten wanneer zij solliciteren voor hun eerste
baan. Dit kan een aanbeveling zijn voor de toekomstige werkgevers. Van de 80
studenten antwoordde 90% positief op de vraag of zij na hun studies een baan in
de logistiek ambiëren. Uit de bedrijvenenquête blijkt nochtans dat 72% van de
respondenten geen logistieke vooropleiding heeft gehad. De vraag is nu of deze
trend zich verder zal zetten. Mogelijk komt met een nieuwe generatie ook een
nieuwe man-vrouwverhouding tot stand binnen de sector.
Er is een gerichte campagne nodig die niet alleen de logistiek promoot,
maar ook als doel heeft de arbeidsmarkt te laten kennismaken met de diverse
beroepsfuncties binnen de sector. Bij deze promotievoering is het van belang om
te peilen naar de percepties die er zijn over de sector. Mensen ervaren
percepties als realiteit. Het is dan ook belangrijk om bij potentiële
werkkrachten een beeld te creëren dat gebaseerd is op correcte percepties en
dus correcte realiteiten.
Minister van Mobiliteit en Openbare Werken Hilde Crevits: “Flanders Logistics ijvert voor een
aantrekkelijker imago voor de sector. We willen zo de logistieke sector bij een
breder publiek bekend maken en aantonen dat het om veel meer gaat dan
vrachtwagens en magazijnen. Als dat vrouwen helpt om voor een logistieke job te
kiezen, dan is dat positief. Het grote publiek trachten we te bereiken met
duidelijke boodschappen als ‘Zonder logistiek geen kledij in de boetiek’. Ook
de Havendag laat iedereen op een praktische manier kennismaken met de
verschillende activiteiten in de sector. Jongeren proberen we gericht aan te
spreken met een lessenpakket over logistiek voor scholen. Bij de jonge
generatie merken we dat de verschillen tussen mannen en vrouwen stilaan
verdwijnen. In mijn eigen diensten zie ik meer en meer vrouwen in leidinggevende
posities. De campagnes van Flanders Logistics moeten ervoor zorgen dat die
trend zich verderzet.”
wie?
Lynn De Bock (°1989) studeerde in 2011 vijf
maanden in Singapore (Singapore Management University) en behaalde in 2012 haar
Master in de Toegepaste Economische Wetenschappen aan de Universiteit
Antwerpen. Haar specialisatie en interesse gaan hoofdzakelijk uit naar
internationaal management en logistiek.
Valerie Smid (°1989) behaalde in 2012 haar Master in de
Toegepaste Economische Wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Haar
interesse gaat voornamelijk uit naar de logistieke sector en zijn actoren.
Lynn De Bock Dr. Christa Sys (promotor) Faculteit Toegepaste Economische
Wetenschappen Wetenschappelijk directeur Steunpunt Goederen-
en personenvervoer Departement Transport en Ruimtelijke
economie Prinsstraat 13, 2000 Antwerpen
|
|
|
|
|
De Associatie Universiteit en Hogescholen Antwerpen
(AUHA) zal nog een extra jaar geleid worden door Alain Verschoren. “Op die
manier kunnen we de continuïteit garanderen”, zegt Verschoren. “Belangrijk,
zeker nu een aantal hogeschoolopleidingen integreren in de universiteit.”
Alain Verschoren, die ook rector is van de Universiteit
Antwerpen, leidt de Antwerpse associatie al drie jaar. Zijn mandaat werd zopas
met een jaar verlengd. “Tijdens dat extra jaar gaan we het profiel voor de
ideale associatievoorzitter opstellen”, legt Verschoren uit. “In Antwerpen
geloven we rotsvast in het belang van de associatie, maar die zou best geleid
worden door een eigen voorzitter. Die man of vrouw moet een bemiddelende rol
kunnen spelen tussen de universiteit en de hogescholen. Niet onbelangrijk, want
nu het integratiedecreet goedgekeurd werd, moet echt werk gemaakt worden van
een maximale samenwerking tussen de hogeschool- en universiteitsopleidingen.”
Het extra jaar zorgt voor continuïteit in de associatie, en
ook op de Universiteit Antwerpen wordt het uitgestippelde beleid de komende
jaren verder gezet. In oktober begint Verschoren aan zijn tweede termijn van
vier jaar als rector en nu werden ook de andere academische topfuncties
bevestigd. Prof. Johan Meeusen blijft vicerector, prof. Jean-Pierre Timmermans
voorzitter van de Onderzoeksraad en prof. Joke Denekens voorzitter van de
Onderwijsraad.
|
|
|
|
|
|
Stephanie Valckx (Universiteit Antwerpen) boog zich over het
pestbeleid in Antwerpse basisscholen
Helft van
de lagere scholen heeft geen geschreven pestbeleid
Scholen besteden de laatste jaren meer en meer aandacht
aan pesten. Ludieke acties zoals de move tegen pesten van Ketnet en de
antipestweek van de Vlaamse overheid kennen een opmars, maar hebben de scholen
ook een kwalitatief uitgewerkt pestbeleid op papier? Stephanie Valckx
(Universiteit Antwerpen) beet zich voor haar masterscriptie vast in het
onderwerp.
Van alle
bevraagde scholen gaf de helft aan niet over een geschreven pestbeleid te
beschikken. Stephanie Valckx selecteerde uiteindelijk zeven Antwerpse
basisscholen die wel een schriftelijke neerslag van hun pestbeleid hebben en
ontdekte dat er nog heel wat leemtes zijn.
“Het uitwerken van een pestbeleid steunt
voornamelijk op de algemene beginselen neergelegd in het Verdrag van de Rechten
van het Kind (VRK)”, legt Valckx uit. “Vlaanderen zelf heeft daarentegen geen
wettelijk kader ontwikkeld dat inspeelt op deze materie. De vormgeving van het
pestbeleid wordt vaak overgelaten aan plaatselijke initiatieven van scholen. Literatuur
toont nochtans aan dat een pestbeleid dat in geschreven vorm aanwezig is, leidt
tot een vermindering in pestincidenten.”
De meerderheid van de onderzochte scholen
schenkt in de definiëring van pesten veel aandacht aan de gevolgen voor de
slachtoffers, maar deze aandacht vertaalt zich niet in de praktijk, waar vooral
gefocust wordt op de pester en het verbeteren van zijn gedrag.
Nieuwe vormen van pesten Uit het onderzoek van
Valckx blijkt dat er zeer weinig aandacht is voor racisme, ongewenst seksueel
gedrag, cyberpesten en steaming. In het VRK staat het ‘belang opbrengen voor
andere beschavingen’ nochtans centraal en wordt uitdrukkelijk vermeld dat
ongewenst seksueel gedrag niet getolereerd kan worden. Desondanks besteden de
onderzochte scholen hieraan geen aandacht in hun pestbeleid. Ondanks de
verhoogde media-aandacht voor cyberpesten, steaming en hate speech worden deze
vormen van pesten ook zeer zelden vermeld.
Straffen
De reactie op pestincidenten gebeurt in de meerderheid van de onderzochte scholen
volgens eenzelfde filosofie. Er wordt namelijk zo veel mogelijk ingespeeld op
de verantwoordelijkheid van de leerlingen zelf. Het werken aan een goede sfeer
binnen de klas en bij uitbreiding de hele school staat hierbij centraal. Een
tweede schakel in het reageren op pestincidenten vormt de leerkracht. Pas
daarna worden er zorgcoördinatoren, directeurs en ouders ingeschakeld. Finaal
wordt er een beroep gedaan op het CLB waarbij aangegeven wordt dat dit alleen
in uitzonderlijke gevallen gebeurt.
Om na te gaan of het pestbeleid voor alle
leerlingen even consequent wordt toegepast, is het uitschrijven van een
procedure een goed idee. Door het pestbeleid uit te schrijven wordt een poging
gedaan om willekeur in de bestrijding van pestgedrag tegen te gaan. Het biedt
een kader waar alle betrokkenen naar kunnen refereren in acties die ze
ondernemen. Uit het onderzoek blijkt dat de meerderheid van de onderzochte
scholen hun procedures nauwgezet volgen.
Passieve houding Hoewel het VRK ervoor
pleit om de mening van het kind centraal te stellen en kinderen mee te laten
beslissen in zaken die hen aanbelangen, vermeldt geen enkele school overleg met
of participatie van leerlingen in de totstandkoming van het pestbeleid.
Voornamelijk het leerkrachtenteam wordt ingezet om het pestbeleid te creëren.
Ouders en de gemeenschap worden zeer weinig betrokken.
In de communicatie van het beleid zijn er
verschillen te ontdekken tussen de onderzochte scholen. Er zijn scholen die
actief ouders en leerlingen gaan informeren over het beleid maar deze zijn in
de minderheid . De andere scholen hebben een meer ‘passieve houding’ en gaan er
bijvoorbeeld vanuit dat ouders en leerlingen het pestbeleid zelf zullen
opzoeken op de website.
“De evaluatie van
het pestbeleid is in de grote meerderheid van de onderzochte scholen
onbestaande op dit moment”, besluit Valckx. “De recentheid van het beleid en
het niet ervaren van problemen kunnen hier als redenen worden aangehaald. De
meeste scholen geven wel aan dat ze hieraan in de toekomst willen werken.”
|
|
|
|
|
|
Stephanie Valckx (Universiteit Antwerpen) boog zich over het
pestbeleid in Antwerpse basisscholen
Helft van
de lagere scholen heeft geen geschreven pestbeleid
Scholen besteden de laatste jaren meer en meer aandacht
aan pesten. Ludieke acties zoals de move tegen pesten van Ketnet en de
antipestweek van de Vlaamse overheid kennen een opmars, maar hebben de scholen
ook een kwalitatief uitgewerkt pestbeleid op papier? Stephanie Valckx
(Universiteit Antwerpen) beet zich voor haar masterscriptie vast in het
onderwerp.
Van alle
bevraagde scholen gaf de helft aan niet over een geschreven pestbeleid te
beschikken. Stephanie Valckx selecteerde uiteindelijk zeven Antwerpse
basisscholen die wel een schriftelijke neerslag van hun pestbeleid hebben en
ontdekte dat er nog heel wat leemtes zijn.
“Het uitwerken van een pestbeleid steunt
voornamelijk op de algemene beginselen neergelegd in het Verdrag van de Rechten
van het Kind (VRK)”, legt Valckx uit. “Vlaanderen zelf heeft daarentegen geen
wettelijk kader ontwikkeld dat inspeelt op deze materie. De vormgeving van het
pestbeleid wordt vaak overgelaten aan plaatselijke initiatieven van scholen.
Literatuur toont nochtans aan dat een pestbeleid dat in geschreven vorm
aanwezig is, leidt tot een vermindering in pestincidenten.”
De meerderheid van de onderzochte scholen
schenkt in de definiëring van pesten veel aandacht aan de gevolgen voor de
slachtoffers, maar deze aandacht vertaalt zich niet in de praktijk, waar vooral
gefocust wordt op de pester en het verbeteren van zijn gedrag.
Nieuwe vormen van pesten
Uit het onderzoek van
Valckx blijkt dat er zeer weinig aandacht is voor racisme, ongewenst seksueel
gedrag, cyberpesten en steaming. In het VRK staat het ‘belang opbrengen voor
andere beschavingen’ nochtans centraal en wordt uitdrukkelijk vermeld dat
ongewenst seksueel gedrag niet getolereerd kan worden. Desondanks besteden de
onderzochte scholen hieraan geen aandacht in hun pestbeleid. Ondanks de
verhoogde media-aandacht voor cyberpesten, steaming en hate speech worden deze
vormen van pesten ook zeer zelden vermeld.
Straffen
De reactie op pestincidenten gebeurt in de meerderheid van de onderzochte
scholen volgens eenzelfde filosofie. Er wordt namelijk zo veel mogelijk
ingespeeld op de verantwoordelijkheid van de leerlingen zelf. Het werken aan
een goede sfeer binnen de klas en bij uitbreiding de hele school staat hierbij
centraal. Een tweede schakel in het reageren op pestincidenten vormt de
leerkracht. Pas daarna worden er zorgcoördinatoren, directeurs en ouders
ingeschakeld. Finaal wordt er een beroep gedaan op het CLB waarbij aangegeven
wordt dat dit alleen in uitzonderlijke gevallen gebeurt.
Om na te gaan of het pestbeleid voor alle
leerlingen even consequent wordt toegepast, is het uitschrijven van een
procedure een goed idee. Door het pestbeleid uit te schrijven wordt een poging
gedaan om willekeur in de bestrijding van pestgedrag tegen te gaan. Het biedt
een kader waar alle betrokkenen naar kunnen refereren in acties die ze
ondernemen. Uit het onderzoek blijkt dat de meerderheid van de onderzochte
scholen hun procedures nauwgezet volgen.
Passieve houding
Hoewel het VRK ervoor
pleit om de mening van het kind centraal te stellen en kinderen mee te laten
beslissen in zaken die hen aanbelangen, vermeldt geen enkele school overleg met
of participatie van leerlingen in de totstandkoming van het pestbeleid.
Voornamelijk het leerkrachtenteam wordt ingezet om het pestbeleid te creëren.
Ouders en de gemeenschap worden zeer weinig betrokken.
In de communicatie van het beleid zijn er
verschillen te ontdekken tussen de onderzochte scholen. Er zijn scholen die
actief ouders en leerlingen gaan informeren over het beleid maar deze zijn in
de minderheid . De andere scholen hebben een meer ‘passieve houding’ en gaan er
bijvoorbeeld vanuit dat ouders en leerlingen het pestbeleid zelf zullen opzoeken
op de website.
“De evaluatie van
het pestbeleid is in de grote meerderheid van de onderzochte scholen
onbestaande op dit moment”, besluit Valckx. “De recentheid van het beleid en
het niet ervaren van problemen kunnen hier als redenen worden aangehaald. De
meeste scholen geven wel aan dat ze hieraan in de toekomst willen werken.”
Meer weten?
Stephanie
Valckx:
Stephanie.Valckx@student.ua.ac.be
of 0474 23 26 68
Promotor prof. dr.
Gracienne
Lauwers: gracienne.lauwers@ua.ac.be
of03 238 11 55
|
|
|
|
|
|
Studente Universiteit Antwerpen onderzocht de rol van drugsbendes in de favela’s van Rio
“Drugstrafikanten en staatsofficieren spelen onder één hoedje”
Linde Buysse(Universiteit Antwerpen) onderzocht voor haar masterproef of de drugsbendes in de favela's van Rio de Janeiro bepaalde staatsfuncties vervullen die theoretisch gezien door de Braziliaanse overheid worden uitgevoerd.
“Op mijn achttiende trok ik naar Rio waar ik enkele maanden vrijwilligerswerk in de favela’s verrichte”, gaat Buysse van start. “Het fascineerde me dat die favela's geen ongestructureerde wijken waren, maar georganiseerde -weliswaar illegale- ministaten binnen een staat. Uit de vakliteratuur bleek ook dat de drugsbendes er bepaalde diensten leveren zoals het beslechten van geschillen, het voorzien in straatverlichting en water, de toegang tot gezondheidszorg, het verzorgen van uitvaartdiensten en zo verder. Zo groeide mijn idee dat drugsbendes er misschien bepaalde staatsfuncties vervullen.” Buysse ging na of er in de favela’s sprake was van institutioneel isomorfisme, een proces waarbij een organisatie zich op een of andere manier probeert te spiegelen aan andere organisaties. “Drugsbendes kunnen worden opgevat als organisaties die door bepaalde omstandigheden de staat trachten te kopiëren binnen het grondgebied van de favela's”, meent Buysse. “Hetzij omdat dit hen van hogerop wordt opgelegd of verzocht, hetzij vanuit onzekerheid om zo hun macht te verzekeren en het leven in de favela's te sturen.” Om na te gaan of de bendes bepaalde staatsfuncties vervullen, stelde Buysse een lijst op met de ideale functies van een liberale, democratische staat zoals het verlenen van fundamentele rechten en de handhaving van veiligheid en orde. Op basis hiervan werden acht hypothesen geconstrueerd die ze dan toetste aan de realiteit.
Geen medeleven
Uit haar resultaten bleek dat drugsbendes in eerste instantie niet de intentie hebben de samenleving in de favela's te sturen en de staat de overstijgen. Ze proberen eerder de favela-samenleving zo te sturen dat ze een maximale winst opbrengt voor de drugshandel. Uit de resultaten bleek ook dat drugstrafikanten wel degelijk continu op zoek zijn naar manieren om hun aanwezigheid te legitimeren. Dit doen ze door te infiltreren in de lokale bewonersvereniging Associação de Moradores (AM) en zo banden aan te gaan met politieke actoren, maatschappelijke actoren en favelabewoners. Drugstrafikanten nemen vanuit een “maatschappelijke verwachting” en niet vanuit een medeleven bepaalde functies op zich en/of voorzien middelen voor de AM en de favelabewoners om bepaalde functies te vervullen. Als zij dit niet doen, verliezen ze de steun van de omgeving. Aangezien de staat in vrijwel alle favela's in praktisch al zijn functies afwezig is, laten de favelabewoners de drugstrafikanten hun gang gaan in ruil voor een bedrieglijke bescherming en veiligheid. Dit patroon wordt versterkt door op korte termijn denkende politici die stemmen vragen in ruil voor middelen waarmee de trafikanten en de AM de favela-massa tevreden moeten stellen.
Driehoeksrelatie
Opvallend is de wederkerende driehoeksrelatie tussen de staat, de maatschappelijke actoren en de drugstrafikanten. Eerst en vooral is er de staat. Sommige politici helpen en beschermen trafikanten doordat zij politieoperaties en juridische acties tegen houden. Bovendien helpen corrupte bureaucraten trafikanten bepaalde diensten te leveren in favela’s en beschermt de politie trafikanten tegen betaling. Ten tweede zorgen trafikanten op hun beurt voor stemmen en kopen politieagenten en bureaucraten om, om bepaalde diensten en een bedrieglijke veiligheid voor de favelabewoners te kunnen verzekeren. Tot slot proberen maatschappelijke groepen zoals de AM en NGO's bij spanningen tussen de favelabewoners en de trafikanten te bemiddelen en mediëren zij de relaties tussen trafikanten, private actoren en politieke vertegenwoordigers. Deze driehoeksrelatie zorgt ervoor dat bewoners heel moeilijk een stempel kunnen drukken op de uitkomsten en beslissingen voor favela's. Hierdoor blijven ze cliënten eerder dan medespelers. Bovendien hebben ze geen andere keuze dan zich te wenden tot de trafikanten en hun AM-handlangers omdat ze anders minder voordelen krijgen. Op die manier wordt corruptie en drugscriminaliteit geïnstitutionaliseerd, als een deel van het systeem en gaat het dus niet om een parallelle macht die het bestaan van de staat bedreigt.
Conclusie
“De staat is met andere woorden dus niet afwezig, maar aanwezig via dit kluwen van netwerken en houdt zich zo niet aan het sociaal contract tussen staat en burger”, concludeert Buysse. “Dit sociaal contract hebben trafikanten op hun beurt zeer effectief weten te handhaven. Zo creëren de drugstrafikanten en de staatsofficieren samen een staat van onveiligheid die de mensenrechten schendt.”
Meer weten?
Linde Buysse linde_buysse@hotmail.com Promotor prof. Petra Meier: Petra.Meier@ua.ac.beof 03 265 55 93.
|
|
|
|
|
|
Franziska Kupfer (Universiteit Antwerpen) onderzocht de luchthavenkeuze van luchtvaartmaatschappijen voor vracht
“Mogelijkheid tot nachtvluchten is erg belangrijk voor een cargoluchthaven”
In internationaal vrachtvervoer speelt luchttransport een belangrijke rol. Het belang nam alleen maar toe door de globalisering en zal de komende jaren nog groeien. Franziska Kupfer (Universiteit Antwerpen) onderzocht op welke basis luchtvaartmaatschappijen beslissen om al dan niet met vrachtvliegtuigen op een luchthaven te vliegen. “De aanwezigheid van expediteurs en de mogelijkheid nachtvluchten te kunnen uitvoeren zijn belangrijke factoren.”
Het bestaande onderzoek naar luchtvervoer, en meer specifiek ook het onderzoek rond luchthavenconcurrentie, focuste zich vooral op passagierstransport. Maar in de voorbije 35 jaar groeide het vervoer van cargo via de lucht sneller dan het personenvervoer. Nieuwe productieprocessen en een groeiende afstand tussen de productiecentra en consumptiecentra liggen aan de basis van die toename. Boeing voorspelt voor de volgende twintig jaar bovendien een groei van ca. 6% per jaar voor het luchtvrachtvervoer. “In Europa concurreren talrijke luchthavens om dezelfde vracht, waardoor deze een goede kennis over de luchthavenkeuze van luchtvaartmaatschappijen nodig hebben. Met deze kennis kunnen zij dan doelgerichter luchtvaartmaatschappijen aantrekken”, vertelt Franziska Kupfer van het Departement Transport en Ruimtelijke Economie van de Universiteit Antwerpen. In haar doctoraatsthesis focust Kupfer daarom op de luchthavenkeuze van luchtvaartmaatschappijen. Meer specifiek onderzocht ze hoe luchtvaartmaatschappijen hun luchthavens voor geplande operaties (i.e. operaties volgens een vooraf vastgelegde dienstregeling) met vrachtvliegtuigen in Europa kiezen. De literatuur beschrijft de keuze voor een luchthaven als min of meer sequentieel, maar Kupfers gesprekken met luchtvaartmaatschappijen toonden aan dat de keuze eerder als een proces moet worden gezien, dat in verschillende stappen gebeurt, die niet noodzakelijk sequentieel worden doorlopen en die elkaar ook vaak kunnen overlappen. Kupfer: “De luchtvaartmaatschappijen kijken bijvoorbeeld naar de economische draagkracht van de regio waarop zij willen vliegen, naar de beperkingen waarmee zij rekening moeten houden (bv. verbod op nachtvluchten), maar ook naar andere operationele factoren zoals congestie op de luchthaven. Bovendien houden zij altijd rekening met de financiële kant van hun beslissingen.”
Expediteurs
In het empirische gedeelte van Kupfers onderzoek werden luchtvaartmaatschappijen gevraagd om te kiezen tussen telkens twee fictieve luchthavens met verschillende eigenschappen. In totaal verzamelde de onderzoekster antwoorden van 26 verschillende luchtvaartmaatschappijen. Die maatschappijen vertegenwoordigen meer dan 50% van de luchtvaartmaatschappijen met geplande operaties met vrachtvliegtuigen in Europa. “De aanwezigheid van expediteurs is de belangrijkste factor in de luchthavenkeuze”, legt Kupfer uit. “Een luchthaven waar expediteurs zoals Kuehne+Nagel of Panalpina een vestiging of vertegenwoordiger hebben, zijn voor luchtvaartmaatschappijen dus veel interessanter dan luchthavens waar dit niet het geval is.” De aanwezigheid van passagiersoperaties op een luchthaven kwam daarentegen als niet belangrijk naar voor. Theoretisch zouden luchtvaartmaatschappijen met hun vrachtvliegtuigen dus ook op luchthavens kunnen vliegen, die geen passagiersvluchten aanbieden. In Kupfers doctoraatsscriptie werden ook de verschillen in voorkeuren van diverse groepen luchtvaartmaatschappijen onderzocht. “Luchtvaartmaatschappijen die vooral grote luchthavens zoals Brussel, Frankfurt of Amsterdam bedienen, letten vooral op de aanwezigheid van expediteurs. Luchtvaartmaatschappijen daarentegen, die vooral regionale luchthavens zoals Luik bedienen, focussen in hun beslissingen vooral op de mogelijkheid van nachtvluchten,” aldus Kupfer.
Alleen vracht
De resultaten van dit proefschrift kunnen beleidsmakers en luchthavens in hun werk ondersteunen. “Deze inzichten kunnen beleidsmakers helpen wanneer ze met een toenemende trafiek op overbelaste grote luchthavens te maken krijgen. Omdat passagiersoperaties minder belangrijk blijken in de luchthavenkeuze met betrekking tot vracht, zouden operaties met vrachtvliegtuigen, vanuit het standpunt van de luchtvaartmaatschappijen, eventueel ook vanuit een luchthaven die alleen vracht behandelt kunnen gebeuren.” De implicaties van dit onderzoek voor luchthavens verschillen naarmate het type luchthaven. “Grote luchthavens moeten zich vooral richten op het aantrekken van expediteurs om aantrekkelijker te worden voor operaties met vrachtvliegtuigen,” zegt Franziska Kupfer. “Regionale luchthavens daarentegen kunnen vooral competitief blijven als ze de mogelijkheid tot nachtvluchten kunnen aanbieden.”
Meer weten?
Dr. Franziska Kupfer: franziska.kupfer@ua.ac.be of 03 265 41 87.
|
|
|
|
|
|
Alex Van Damme (Universiteit Antwerpen) onderzocht welke politici met de meeste media-aandacht gaan lopen
“Federale politici komen meer in de media dan hun Vlaamse collega’s”
Federale politici krijgen nog steeds veel meer media-aandacht dan hun collega’s die actief zijn op het Vlaamse niveau. Ook politici in conflictsituaties zijn erg nieuwswaardig. Zo ging de meeste mediabelangstelling de voorbije acht jaar naar Yves Leterme. Dat blijkt uit de scriptie van student politieke communicatie Alex Van Damme (Universiteit Antwerpen).
“Ik bouwde mijn onderzoek op rond een hitparade van de twintig politieke functies die de voorbije acht jaar de meeste spreektijd hebben gekregen op de journaals van VTM en VRT”, legt Van Damme uit. “Daaruit blijkt dat de media-aandacht voor politici grotendeels wordt bepaald door de functies die zij bekleden. Zo gaat de premier lopen met bijna een tiende van de totale spreektijd voor Belgische politici. Regeringsleden zijn samen een kwart van de tijd aan het woord. Hoe lager de politieke functie, hoe kleiner het aandeel in het nieuws.”
Langdurige regeringsformaties
Tijdens de langdurige regeringsonderhandelingen na de federale verkiezingen van 2007 en 2010 was de media-aandacht over de verschillende politieke functies anders verdeeld. De premier moest aan spreektijd inboeten ten voordele van de verkiezingsoverwinnaars van dat moment. Ook partijvoorzitters kregen veel meer spreektijd dan in ‘reguliere’ periodes, aangezien zij mee onderhandelen over een nieuw regeerakkoord.
Federaal versus Vlaams
Dat federale politici nog steeds veel meer aan het woord zijn dan Vlaamse is een eigenaardige vaststelling in tijden waarin er steeds meer bevoegdheden worden overgedragen aan de deelstaten. Het Vlaamse bestuursniveau is wel aan een inhaalbeweging begonnen. Zo krijgt de minister-president bijna twee keer zoveel spreektijd als acht jaar geleden. Politici in problemen zijn ook erg nieuwswaardig. Politieke berichtgeving focust immers steeds meer op conflictsituaties. Zo kreeg Yves Leterme enorm veel media-aandacht tijdens de Fortis-affaire en was Karel De Gucht niet van het scherm weg te slaan gedurende de heisa rond het migrantenstemrecht. Dit zou voor een deel kunnen verklaren waarom het federale bestuurniveau nog steeds veel meer in het nieuws komt dan het Vlaamse. Vlaanderen heeft immers ‘zachtere’ bevoegdheidsdomeinen en daar vindt bovendien geen clash tussen taalgemeenschappen plaats. Verder blijkt uit de resultaten dat een politica met dezelfde functie minder spreektijd krijgt dan een politicus. Geen enkele vrouw haalt de top-tien van politici die de voorbije acht jaar de meeste spreektijd hebben gekregen. “Het is interessant om te kijken hoe deze hitparade van politieke functies in de toekomst verder zal evolueren”, besluit Van Damme. “Misschien zal de Vlaamse minister-president de premier ooit van de troon stoten, maar dit zal althans niet voor de nabije toekomst zijn.” Meer weten?
Alex Van Damme alex-vandamme@hotmail.com Promotor: prof. Peter Van Aelst peter.vanaelst@ua.ac.be of 03 265 57 23 10 politici die de meeste spreektijd hebben gekregen (2003-2011)
 Tabel 1. Hitparade van politieke functies naar televisieaandacht (in percent). Politieke functie / Periode 03-04 04-07 07-08 08-09 09-10 10-11 gemiddelde Totaal[1] Federaal premier 9 9,2 3,9 10,1 6,5 8,2 8,3 8,3 Vlaams Minister-president 2,7 4,9 3,3 6 7,2 4,4 4,87 4,87 Partijvoorzitter (grote 2 1,57 2,8 1 1,8 2,9 1,90 14,5 en/of traditionele partij) Federaal vicepremier 1,8 2,33 2,05 1,9 1,34 1,16 1,86 8,3 Vlaams vicepremier 2,7 1,1 1,65 1,85 0,8 0,55 1,31 2,1 Federaal minister 0,9 1 0,85 1,22 1,32 0,9 1,03 10 Vlaams minister 0,65 1 0,91 1 0,87 1,07 0,95 6,3 Partijvoorzitter kleine partij 0,66 0,47 1,03 1 0,88 0,73 0,71 3 Kamervoorzitter 0,9 0,9 1 0,2 0,4 0,2 0,63 0,63 Voorzitter Vlaams Parlement 0,3 0,3 0,5 0,2 0,2 0,4 0,31 0,31 Federaal staatssecretaris 0,3 0,18 0,08 0,3 0,55 0,43 0,29 1,9 Fractieleider Vlaams Parlement 0,4 0,34 0,19 0,22 0,3 0,18 0,28 2 Fractieleider Kamer 0,2 0,24 0,1 0,33 0,2 0,16 0,22 2,4 Europees Commissaris * * 0,1 0,1 0,9 0,4 0,23 0,23 Burgemeester grote 0,32 0,24 0,16 0,18 0,2 0,17 0,22 4,1 Vlaamse stad Senaatsvoorzitter 0,1 0,1 0,5 * 0,3 0,3 0,18 0,18 Fractieleider Senaat 0,12 0,02 0,02 0,03 0,05 0,2 0,07 0,7 Senator 0,05 0,06 0,12 0,06 0,04 0,02 0,05 3,2 Kamerlid 0,04 0,03 0,03 0,03 0,03 0,05 0,04 5,2 Vlaams parlementslid 0,03 0,02 0,01 0,02 0,03 0,01 0,02 2,2 N: 40199 1: Dit geeft het gemiddelde percentage spreektijd aan die functiebekleders samen krijgen (bv al de Kamerleden).
[1] Dit geeft het gemiddelde percentage spreektijd aan die functiebekleders samen krijgen (bv al de Kamerleden).
|
|
|
|
|
Kenniscentrum voor Transport- en Maritiem Recht (Universiteit Antwerpen) overhandigt eerste opleidingscertificaten Actramar heeft zijn eerste alumni Op het einde van de negentiende eeuw lag Antwerpen aan de basis van het internationaal maritiem recht. Met de oprichting van het kenniscentrum Actramar zetten de Universiteit Antwerpen en de Hogere Zeevaartschool eind 2010 die traditie verder. De eerste afstuderenden kregen afgelopen vrijdag hun certificaat. Voor de oprichting van Actramar sloegen drie faculteiten en instituten binnen de Universiteit Antwerpen en de Hogere Zeevaartschool de handen in elkaar. De universiteit is al jaren actief in het transport- en maritiem recht, maar deze krachtenbundeling zorgt op meerdere vlakken voor een meerwaarde. Zo werd het nieuwe postgraduaat in het Transport- en Maritiem Recht gelanceerd, dat onder meer gevolgd kan worden door professionals uit de haven- en transportwereld. De eerste drie afstuderenden (Evi Van Aken, Loic Van Elst en Wim Briers) kregen op vrijdag 6 juli hun certificaat overhandigd. Ze doorworstelden in twee jaar een volledig transportrechtprogramma van 30 credits, en zijn daarmee klaar voor de arbeidsmarkt en voor een mooie toekomst in dit rechtsdomein. “Transport- en maritiem recht zijn dagelijks van nut, zeker in een wereldhaven als de Antwerpse”, zegt de voorzitter van Actramar, prof. Thierry Vanelslander (Universiteit Antwerpen). “Onze havens zijn bloeiende economische polen, en dat brengt ook de nodige geschillen en problemen met zich mee. Dat kan gaan van een container die verkeerd afgeleverd wordt, tot een lading die in het water terecht komt als een schip zijn stabiliteit verliest en kantelt. En als een schip een olieramp veroorzaakt, zoals de Exxon Valdez, vormt dat juridisch een hele kluif.” Intussen is de volgende lichting studenten halverwege het studieprogramma, en komen de inschrijvingen voor starters in het academiejaar 2012-2013 binnen. Binnen Actramar wordt ook aan fundamenteel en interdisciplinair wetenschappelijk onderzoek gedaan. Het Kenniscentrum zet zijn deuren ook open voor vragen om advies vanuit de havengemeenschap, de overheid en het bedrijfsleven. Verder werden ook al twee succesvolle studiedagen georganiseerd, rond afhandeling en rond verstekelingen, en komt er in het najaar al een volgende studiedag, ditmaal rond havenarbeid. Meer weten? www.ua.ac.be/actramar Thierry Vanelslander, voorzitter Actramar: 03 265 40 34 en 0486 44 72 09 thierry.vanelslander@ua.ac.be Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: 03 265 47 11 en 0476 20 07 54 peter.demeyer@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Jef Deyaert (Universiteit Antwerpen) onderzocht het engagement van jongeren in de jeugdbeweging
“Scoutsleiders haken steeds sneller af”
Jef Deyaert (Universiteit Antwerpen) onderzocht voor zijn masterscriptie de vrijwilligerstendensen binnen Scouts en Gidsen Vlaanderen. Hij stelde vast de gemiddelde ‘houdbaarheidsdatum’ van een scoutsleider heel wat korter werd de afgelopen jaren. “
De afname in de duur van het engagement van leiding houdt voor de werking en het voortbestaan van lokale groepen een niet te onderschatten risico in”, zegt Deyaert.
Voor zijn onderzoek baseerde Deyaert zich op de nationale ledendatabase van Scouts en Gidsen Vlaanderen (S&GV) en een steekproef van 1076 gestopte vrijwilligers. Hij stelde een aparte dataset op van leid(st)ers die hun carrière startten tussen 2000 en 2011. Voor de tijdsanalyse legde hij de bovengrens op 2007. Enkele opvallende gegevens:
- Uit de resultaten blijkt dat de instroom van zowel mannen als vrouwen stabiel is doorheen de tijd. De gemiddelde mannelijke instroom (72,7%) ligt wel net iets hoger dan de gemiddelde vrouwelijke instroom (70,6%).
- De gemiddelde blijfduur voor leiding over de jaren heen neemt daarentegen af. Waar leiding in 2000 nog gemiddeld 4,35 jaar actief bleef, was dat in 2007 slechts 3,05 jaar. Dit betekent een procentuele daling van het leidingsengagement met 29,9 procent over een tijdsspanne van zeven jaar.
- Van alle gestarte leiding tussen 2000 en 2011 kwamen overwegend meer mannen (54%) dan vrouwen (46%) in leiding.
- Tussen 2000 en 2007 nam het aantal actieve jaren sneller af voor mannen dan voor vrouwen. Het mannelijke engagement nam af met 1,6 jaar en het vrouwelijk engagement met 1 jaar.
Deyaert ging ook na of mannen oververtegenwoordigd zijn binnen leidinggevende posities in de organisatie. Uit zijn onderzoek blijkt dat de overgrote meerderheid van de startende groepsleiding effectief mannen zijn. Over de geanalyseerde periode werd 60,3 procent van de functie groepsleiding door mannen opgenomen. Maar S&GV werkt met drie soorten groepen: groepen met alleen mannelijke of vrouwelijke leden, en gemengde groepen. Wanneer Deyaert die opsplitste, bleek dat we in mannengroepen bijna uitsluitend mannelijke groepsleiding vinden en in vrouwelijke groepen bijna uitsluitend vrouwelijke groepsleiding. Bij de gemengde groepen zien we wel dat er opvallend meer leiders (61,1%) dan leidsters de taak van groepsleiding opnemen.
Te weinig vrije tijd Uit het onderzoek blijkt dat mannen en vrouwen significant verschillende redenen hebben om hun engagement stop te zetten. Het blijkt dat mannen, eerder dan vrouwen, hun engagement stopzetten omwille van een gevoel van te oud te zijn. Vrouwen stoppen dan weer sneller omwille van problemen met andere leiding binnen de groep. De factor ‘te weinig vrije tijd’ bleek voor zowel mannen als vrouwen een zeer belangrijke reden om hun engagement stop te zetten. Tenslotte blijkt dat een gebrek aan engagement voor leidsters zwaarder doorweegt dan voor leiders. Als laatste aspect onderzocht Deyaert of het engagement van leiding, actief in een verstedelijkte omgeving, minder duurzaam is dan dat van leiding actief in meer rurale gebieden. Dit bleek niet het geval. Vicieuze cirkel “Wanneer het aantal ervaren leiders in een jeugdbeweging daalt, wordt het moeilijker om bepaalde tradities, gewoontes en gebruiken van de ene generatie op de andere over te brengen”, zegt Jef Deyaert. “Oudere leiders worden door jongere leiding vaak aanzien als rotsen in de branding. Als deze coryfeeën hun engagement vroeger stopzetten, kunnen scoutsgroepen in moeilijkheden komen. Niet alleen de overdracht van gewoontes komt dan in gevaar, maar ook de vertrouwensrelatie die er bestaat tussen de leidingsploeg en de ouders van leden.” “De afname in de duur van het engagement van leiding houdt voor de werking en het voortbestaan van lokale groepen een niet te onderschatten risico in”, besluit Deyaert. “De dalende duurtijd gecombineerd met een stabiele instroom betekent ook dat de omvang van de leidingsploegen aan het afnemen is. Dat in combinatie met een licht stijgend ledenaantal betekent dat er per lid minder (ervaren) leiding aanwezig zal zijn. Dit houdt niet alleen een gevaar voor een kwalitatieve en veilige werking in, maar zorgt ook voor extra druk op de schouders van andere leiding, wat op zijn beurt kan bijdragen aan het feit dat ze sneller stoppen, waardoor een vicieuze cirkel zou kunnen ontstaan. Het is voor S&GV dus zeer belangrijk dat deze tendens goed wordt opgevolgd.” Meer info? Jef Deyaert: jef.deyaert@gmail.com Promotor: prof. dr. Dimitri Mortelmans: dimitri.mortelmans@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Even nog en de langverwachte Olympische Spelen in Londen beginnen. Ook op de Universiteit Antwerpen neemt de spanning stilaan toe. Liefst vijf studenten trekken naar de Britse hoofdstad om er het beste van zichzelf te geven. Op dinsdag 10 juli om 11.30 uur zwaait rector Alain Verschoren hen uit.
Volgens de (voorlopige) cijfers van de Vlaamse Studentensportfederatie VVSF sturen de Vlaamse hogescholen en universiteiten een vijftiental studenten naar de Olympische Spelen in Londen. Vier van die topatleten studeren aan de Universiteit Antwerpen. De cijfers zijn nog niet definitief en instellingen met elkaar vergelijken ligt niet voor de hand, maar rekening houdend met het totale studentenaantal mag de Universiteit Antwerpen zich zonder meer de meest olympische onder de Vlaamse universiteiten noemen. Naast de vier deelnemers aan de eigenlijke Spelen stuurt Antwerpen ook nog een deelneemster richting Paralympics, die eind augustus in Londen plaatsvinden. De namen:
- Felix Denayer, Hockey,Faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen
- Jeffrey Thys, Hockey, Faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen
- Kimberly Buys, Zwemmen, Faculteit Farmaceutische, Biomedische en Diergeneeskundige Wetenschappen
- Ward Bauwens, Zwemmen, Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen
- Annick Sevenans, Rolstoeltennis, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen
Op dinsdag 10 juli om 11.30 uur zwaait de Universiteit Antwerpen haar olympische delegatie uit. Dat gebeurt in aanwezigheid van onder meer rector Alain Verschoren, afgevaardigden van de sportfederaties en een lid van het BOIC. De twee zwemmers en de beide hockeyers zijn aanwezig, alleen tennisster Annick Sevenans laat zich verontschuldigen. Plaats van afspraak: het Agora Caffee op de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen (hoek Grote Kauwenberg/Vekestraat). Meer weten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be en 0476 20 07 54
|
|
|
|
|
In 2011 kregen in Vlaanderen 1212 meisjes onder de 20
jaar een of meerdere kinderen. Per 1000 meisjes tussen 15 en 20 jaar werden
iets minder dan 7 meisjes moeder: een op de 150 kreeg dus een kind. Deze
cijfers liggen lager dan de cijfers van 2010. De daling situeerde zich – net
als vorig jaar – voornamelijk onder de meerderjarige moeders, wat doet
vermoeden dat met betrekking tot de zeer jonge moeders een ondergrens is
bereikt. Marjolijn De Wilde (onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen –
Centrum voor Sociaal Beleid - CSB) analyseerde de cijfers.
Deze analyse gaat over ouderschap in Vlaanderen.
Tienerabortussen zijn niet inbegrepen (abortuscijfers voor 2011 zijn nog niet
bekend), het gaat dus niet om tienerzwangerschappen.
Het bevallingscijfer (= aantal bevallingen per 1000 meisjes)
onder Vlaamse tieners was de voorbije jaren (2001-2009) stabiel tot licht
dalend (zie figuur 1). In 2010 vond er voor het eerst sinds lang een eerder
grote daling plaats. Deze daling zet zich verder in 2011. Met 6,7 bevallingen
per 1000 meisjes tussen 15 en 20 jaar lag het bevallingscijfer in die
leeftijdsgroep de voorbije 15 jaar nooit zo laag. De daling is het sterkst
bij de meerderjarige moeders (18 of 19 jaar).
14 moeders waren tussen de 14 en de 15 jaar. Voor het eerst
sinds 1998 werden er geen meisjes jonger dan 14 jaar moeder. Het aantal
minderjarigen dat een kind kreeg, bleef relatief constant op een kleine 300
moeders. Dit kan betekenen dat met betrekking tot het aantal meisjes dat op
minderjarige leeftijd moeder wordt een zekere ondergrens is bereikt.
Bij de meerderjarige meisjes lijkt er echter nog daling
mogelijk. Op deze leeftijd stijgt het aandeel jongeren dat op frequente basis
vrijt, wat de kans op een (ongeplande) zwangerschap verhoogt. De dalende
tendens in bevallingen onder deze meisjes, die nu al enkele jaren aanhoudt, kan
betekenen dat jongeren bewuster omgaan met anticonceptie of dat ze vaker voor
abortus kiezen. Uitsluitsel hebben we hierover voorlopig niet, omdat de
abortuscijfers van 2010 en 2011 pas in september bekend gemaakt worden.
Bron: Cijfers SPE (Studiecentrum voor Perinatale
Epidemiologie) op basis van het obstetrisch en perinataal dossier en het
neonataal dossier Figuur 1: evolutie
bevallingscijfer (=aantal bevallingen per 1000 meisjes) in het Vlaams Gewest
voor meisjes tussen 15 en 19 jaar  Bron: SPE + ADSEI + eigen berekeningen Figuur 2: evolutie aantal
bevallingen bij meisjes jonger dan 20 jaar (10-19 jaar) in het Vlaamse Gewest
 Bron = SPE
|
|
|
|
|
Onderzoekers van het Centrum Medische Genetica (Universitair Ziekenhuis
Antwerpen/Universiteit Antwerpen) hebben in samenwerking met collega’s van de
Johns Hopkins Universiteit in Baltimore (VS) een nieuwe stap gezet in de
ontrafeling van de genetische oorzaken van de levensgevaarlijke
aortaverwijdingen: de ontdekking van een nieuw gen.
Aorta-aneurysma’s zijn verwijdingen van de hoofdslagader en kunnen, als ze
niet behandeld worden, tot een dissectie of scheur met vaak dodelijke afloop
leiden. Aortadissecties zijn de doodsoorzaak bij 1-2% van de westerse
bevolking.
Nieuw gen
De identificatie van het nieuwe gen wordt vandaag gepubliceerd in het
toptijdschrift Nature Genetics. De onderzoeksgroep van de Universiteit
Antwerpen onder leiding van professoren Loeys en Van Laer is hiermee niet aan
zijn proefstuk toe en bevestigt zo zijn leidende rol in de wereld op het vlak
van de genetica van aorta-aneurysma’s. In het verleden werden door de
onderzoekers al verschillende genetische oorzaken voor aorta-aneurysma’s
ontdekt, maar nu wordt voor de eerste keer aangetoond dat veranderingen in de
factor die de erfelijke informatie bevat voor de aanmaak van een cytokine (met
name transforming growth factor beta 2 of TGFbeta2) of groeifactor aan de
basis liggen van een erfelijke vorm van aorta-aneurysma.
Essentiële rol
Deze groeifactor bepaalt hoe de cellen in de aortawand zich gedragen. Deze
ontdekking bevestigt de essentiële rol die TGFbeta speelt in het
ontstaansmechanisme van erfelijke aortaverwijdingen. Dit inzicht leidt ook tot
onmiddellijke gevolgen voor de behandeling van deze groep van aandoeningen.
Bestaande geneesmiddelen met een remmend effect op de TGFbeta-activiteit kunnen
nu ook gebruikt worden in de behandeling van aorta-aneurysma’s.
Meer weten?
Bart Loeys:
Bart.Loeys@ua.ac.be , 03 275 97
68
Lut Van Laer: Lut.Vanlaer@ua.ac.be
of 03 275 97 59
Dorien Schepers: Dorien.Schepers@ua.ac.be
of 03 275 97 83
Nikhita Ajit Bolar: Nikhita.AjitBolar@ua.ac.be
of 03 275 97 83
Geert Mortier: Geert.Mortier@ua.ac.be
of 03 275 97 66
|
|
|
|
|
|
Valerie De Brabanter (Universiteit Antwerpen) nam
sprookjeskennis bij hedendaagse jongeren onder de loep
“Disney
bepaalt hoe jongeren aankijken tegen sprookjes”
Er was eens een studente Taal- en Letterkunde die de
kennis van het volkssprookje Assepoester bij jongeren wilde onderzoeken.
Ze ging na welke versie van dit sprookje het best bekend is bij de jeugd en
kwam tot enkele betoverende inzichten. “Disney heeft enorm veel invloed”,
klinkt het.
“Assepoester is een van de bekendste sprookjes aller
tijden”, zegt Valerie De Brabanter(Universiteit Antwerpen). “Het is een eeuwenoud ‘rags-to-riches’-verhaal waarin
een jong meisje haar armoedig bestaan finaal kan achterlaten wanneer de prins
haar uitkiest om zijn vrouw te worden.”
De Brabanter
onderzocht de twee bekendste versies: Cendrillon ou la petite pantoufle de
verre van Charles Perrault uit 1697 en Aschenputtel van de
gebroeders Grimm uit de negentiende eeuw. Verder besteedde ze aandacht aan
bewerkingen voor film en televisie zoals Cinderella van Disney.
De jongeren
Haar testpubliek bestond uit 28 leerlingen van 14 en 15 jaar (3de jaar ASO).
Eerst vroeg ze hen om zelf een versie van het Assepoesterverhaal neer te
schrijven, met oog voor alle personages en handelingen die volgens hen in het
verhaal voorkomen. Daarna schotelde ze hen een enquête voor waarin eerst enkele
feitelijke gegevens werden gevraagd zoals geslacht en leeftijd en nadien
werd gepeild naar hun verdere sprookjeskennis.
In totaal nam ze
24 enquêtes af. Vier van de 28 proefpersonen slaagden er namelijk niet in
een Assepoesterverhaal neer te schrijven omdat ze naar eigen zeggen niet genoeg
vertrouwd waren met sprookjes.
Disneyfication
De Brabanter kwam tot enkele boeiende inzichten. Ze stelde vast dat Assepoester
in de 21e eeuw duidelijk nog steeds draagkracht bezit. Het verhaal blijft
hangen dankzij thema’s als kindermishandeling, ouderlijke liefde of het gebrek
eraan, rivaliteit tussen broers en zussen en nieuwe huwelijken met bijkomende
nieuw samengestelde gezinnen.
De Cendrillon-versie
van Perrault bleek dominant. De leerlingen haalden immers de meeste kenmerken
uit zijn versie aan zoals bijvoorbeeld de glazen muiltjes, de afwezigheid van
Assepoesters vader en de hulp van de goede fee. Toch werd de naam Perrault
nergens in de enquêtes vermeld. Dit is mogelijk te verklaren doordat Perraults Assepoester
als inspiratie diende voor de Disneyfilm, die wel grote bekendheid geniet bij
de jeugd. Elf leerlingen gaven aan dat de gebroeders Grimm volgens
hen de eerste versie hadden geschreven. Niet verwonderlijk, gezien de naam
‘Grimm’ onlosmakelijk verbonden is met het sprookjesgenre. Inhoudelijk kwamen de versies die de
leerlingen neerschreven echter niet overeen met het verhaal van de gebroeders
Grimm.
Disney blijkt
enorm invloedrijk op het vlak van sprookjeskennis bij jongeren. Maar liefst 19
van de 24 leerlingen hadden de film al gezien. Deze invloed gaat in sommige
gevallen zo ver dat de zelfgeschreven versie een exacte kopie werd van het
verhaal van de film. Eén leerling meende zelfs dat Disney de auteur is van het
sprookje.
Verder beschreven
de mannelijke jongeren de kern van het verhaal zonder aandacht te
besteden aan uitgebreide details terwijl hun vrouwelijke medeleerlingen zich
gemakkelijker lieten verleiden tot het creëren van eigen sprookjes met grote
aandacht voor details en sprookjesconventies.
Opvallend was dat
zeer weinig leerlingen zich bekommeren om het lot van de stiefzussen op het
einde van het verhaal. Slechts twee leerlingen maakten melding van wat hen nog
te wachten staat. Algemeen worden de zussen, net als hun moeder,
gekarakteriseerd als kwaadaardige en verwende personages, die profiteren van
Assepoesters goedheid. Dit is zeker toe te schrijven aan Walt Disney die – meer
dan wie ook – de vrouwelijke kwaadaardige personages sterk uitwerkte. Disney
schetst in zijn films immers een zeer sterk contrast tussen goed en kwaad,
waarbij het kwade doorheen de film meestal de bovenhand heeft tot wanneer aan
het slot uiteindelijk het goede zegeviert.
Conclusie
“Hedendaagse jongeren zijn nog steeds vertrouwd met de klassieke volkssprookjes
van Grimm en Perrault”, besluit De Brabanter. “Al moet je dat nuanceren doordat
Disney een erg groot aandeel heeft in de sprookjeskennis van kinderen en
jongeren vandaag de dag.”
Meer weten?
Valerie De Brabanter:
valerie.debrabanter@student.ua.ac.be
Vanessa Joosen (promotor): vanessa.Joosen@ua.ac.be
of 03 265 45 98
|
|
|
|
|
|
Sam Smit (Universiteit Antwerpen) deed onderzoek naar
professionele echtscheidingsbemiddeling
“Ouders
met kinderen doen vaker beroep op bemiddeling dan kinderloze koppels”
Professionele echtscheidingsbemiddeling is sinds 2001 een
veelbelovende methode om echtscheidingen op een positieve en efficiënte manier
te behandelen. Maar tot nu toe werd geen onderzoek gedaan naar wie beroep doet
op deze hulpverlening. Sam Smit, student Politieke en Sociale Wetenschappen aan
de Universiteit Antwerpen, onderzocht in welke mate scheidende koppels gebruik
maken van deze dienst, wat hun profiel is en welke invloed beleidsbeslissingen
hadden op de bekendheid en populariteit van bemiddeling.
Met meer dan 30 000 echtscheidingen per
jaar is relatieontbinding een belangrijke beleidsnota geworden in België. Bij
voorkeur wordt de echtscheiding in der minne opgelost en wordt de rechtszaal
vermeden. Bemiddeling wordt vaak als een mogelijk antwoord op verscheidene problemen
van de echtscheidingsprocedure naar voor geschoven. Het leidt namelijk tot
stabielere overeenkomsten, minder kosten en een hogere tevredenheid.
Opmerkelijk zijn de beperkte gegevens over de door bemiddeling bereikte
personen.
Opleidingniveau Op basis van data
uit het onderzoeksproject Scheiding in Vlaanderen (SiV) onderzocht Sam
Smit onder leiding van prof. dr. Dimitri Mortelmans de doelgroep die kennis
heeft en gebruik maakt van echtscheidingsbemiddeling en hoe deze groep
gekenmerkt kan worden. Uit het onderzoek blijkt dat vooral hoogopgeleiden
kennis hebben van professionele echtscheidingsbemiddeling, maar dat zij er niet
meer dan laagopgeleiden gebruik van maken.
“Hoger opgeleiden
hebben een grotere kans om professionele echtscheidingsbemiddeling te kennen
dan lager opgeleiden”, legt Smit uit. “Maar dit betekent niet dat
laagopgeleiden minder snel in bemiddeling zullen gaan als zij eenmaal op de
hoogte zijn van deze mogelijkheid. De verlaagde participatie van laagopgeleiden
is dus niet zo zeer te wijten aan een hoge drempel, maar wel aan de lagere
bekendheid van professionele echtscheidingsbemiddeling.”
Beleid Vanwege de maatschappelijke
relevantie probeert de wetgeving sinds de jaren negentig door opeenvolgende
wetswijzigingen het echtscheidingsproces steeds te optimaliseren. In de
wetswijziging van 2005 werd bemiddeling een volwaardige methode van
geschiloplossing naast de gerechtelijke methode. De Belgische wetgever legde
ook enkele kwaliteitsvereisten vast waaraan de bemiddelaar moet voldoen en er
werd financiële bijstand voorzien voor minvermogenden. De wet van juli 2006
verplichtte rechters dan weer om scheidende koppels met kinderen te informeren
over de mogelijkheid tot professionele echtscheidingsbemiddeling. Deze
wetswijzigingen hadden duidelijk impact: ouders met kinderen waren na de
wetswijziging niet alleen meer op de hoogte van professionele
echtscheidingsbemiddeling, maar maakten ook beduidend meer gebruik van
bemiddeling dan (ex-)koppels zonder kinderen.
Effect
“Het beleid heeft zijn
effect op ouders in scheiding niet gemist ”, besluit Smit. “Niet alleen is de
kennis groter bij koppels met kinderen, zij maken ook beduidend meer gebruik
van bemiddeling. Opvallend is wel de kloof van kennis tussen laag- en
hoogopgeleiden, zeker omdat opleiding voor de rest geen effect heeft op
het gebruik van professionele echtscheidingsbemiddeling.”
Meer weten?
Sam Smit: sam.smit@ua.ac.be
Prof. dr. Dimitri Mortelmans (promoter): dimitri.mortelmans@ua.ac.be of 03 265 55 35
|
|
|
|
|
|
Hoe werd de Arabische Lente in de verschillende Westerse kranten benaderd? Dat was het uitgangspunt van de scriptie waarmee masterstudente Politieke Communicatie Kirsten Van Camp (Universiteit Antwerpen) op 2 juli de Thesisprijs 2012 in de wacht sleepte.
De manier waarop journalisten het nieuws inkaderen noemt men in vaktermen framing. Een onderwerp kan benaderd worden vanuit verschillende invalshoeken waardoor telkens een ander aspect van het verhaal belicht wordt. Framing wordt ook wel eens als pejoratieve term gebruikt om de actie te omschrijven waarbij journalisten bewust kiezen voor een bepaalde invalshoek om nieuwsgebeurtenissen in een door hen gewenste context te plaatsen. Het is dan de journalist die bepaalt welke elementen uit de realiteit worden geselecteerd, weggelaten of benadrukt.
Werkwijze
De Arabische Lente is een interessante case om framing te bestuderen aangezien media voor internationale thematieken voor vele burgers en zelfs beleidsmakers de enige bron van informatie vormen. Masterstudente Politieke Communicatie Kirsten Van Camp analyseerde gedurende acht weken de berichtgeving over de opstanden in Libië en Tunesië in vier Westerse kranten. De Standaard en Het Laatste Nieuws in eigen land, de Franse kwaliteitskrant Le Monde en het Amerikaanse dagblad met internationaal aanzien The New York Times. Als ijkpunt gebruikte ze de val van de dictators, en dus analyseerde ze de periode vier weken voor de dood van Khadaffi in Libië en de vlucht van Ben Ali in Tunesië, en de vier weken erna.
Stereotiepe verwachtingen Uit haar onderzoek bleek dat de onderzochte kranten als invalshoek zeer sterk de human interest en het pure conflict benadrukte. De onderzochte kranten benaderden de Arabische Lente nauwelijks in termen van de economische gevolgen of in termen van morele of religieuze vraagstukken. In de gehele periode focusten de journalisten eerder op de oorzaken dan mogelijke oplossingen voor het conflict. Vooral voor Tunesië was dit verschil zeer sterk. Als “bakermat” voor de Arabische Lente hoeft dit niet te verwonderen: de hele Maghrebijnse regio is jaren lang nauwelijks “nieuws” geweest. Dit nieuwe conflict schreeuwde om duiding. Zowel in Tunesië als in Libië werd er voor de val van de dictators opvallend meer gekozen om het pure conflict te benadrukken, terwijl na hun val vooral gekozen werd om het conflict te kaderen aan de hand van wat er in eigen land gebeurt en gezegd wordt door politici en experten.
“Wanneer ik de media vergeleek, viel het op dat mijn stereotiepe verwachtingen niet uitkwamen”, zegt Van Camp. “Hoewel De Standaard meer naar de oorzaken graaft van het conflict dan Het Laatste Nieuws, en Het Laatste Nieuws eerder de human interest benadrukt, zijn de verschillen niet significant. Wel betrok Het Laatste Nieuws meer het eigen land om de Arabische Lente te kaderen. Tussen de internationale kwaliteitspers werden wel duidelijke verschillen waargenomen, waarbij Le Monde de Arabische Lente opvallend minder kadert in termen van conflict en de economische gevolgen in vergelijking met De Standaard en de New York Times.”
Effect media Afhankelijk van waar men woont, welk medium men verkiest, over welk betrokken land men informatie leest en wanneer dit gebeurt, krijgen burgers krantenartikels te consumeren met een verschillende invalshoek. “De media moeten zich ervan bewust zijn dat ze een grote invloed hebben op de visie van de bevolking”, besluit Van Camp. “Ze bepalen immers de manier waarop het publiek de oorzaken, gevolgen en het belang van die conflicten percipiëren. Dit kan dan weer gevolgen hebben voor de beleidsmakers en de keuzes die zij maken over waar diplomatieke en materiële hulpmiddelen zullen worden ingezet.” Van Camp won een cheque ter waarde van 500 euro en kreeg felicitaties van de juryvoorzitter en defensieminister Pieter De Crem. De jury omschreef de scriptie als ‘een degelijk onderzoek met actuele relevantie dat zeker nog verder onderzoek waard is’.
Meer weten?
Kirsten Van Camp: Kirsten.vancamp2@student.ua.ac.be Promotor prof. dr. Jeroen Van Laer: jeroen.vanlaer@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Rector Alain Verschoren legt eerste steen van nieuwe gebouw op Campus Middelheim Universiteit Antwerpen schiet ‘Operatie Buitencampus’ op gang De studenten vertrekken op vakantie, maar dat betekent niet dat het leven aan de Universiteit Antwerpen stilvalt. Integendeel: dinsdag legde rector Alain Verschoren de eerste steen van een nieuw gebouw op de Campus Middelheim. Dat symbolische moment is tevens het begin van een grote operatie op de buitencampussen. De voorbije jaren investeerde de Universiteit Antwerpen vooral in haar Stadscampus, in het hart van de Metropool. “De Stadscampus is nu afgewerkt”, legt rector Alain Verschoren uit. “Die moet er voor een hele tijd tegen kunnen. Ook op de buitencampussen (Campus Middelheim, Campus Groenenborger en Campus Drie Eiken) gebeurde er de laatste jaren een en ander, maar daar schakelen we nu enkele versnellingen hoger.” Dinsdag legde de rector de eerste steen van het nieuwe Gebouw I op de Campus Middelheim, grenzend aan het gelijknamige ziekenhuis. Verschoren: “Tegen het einde van 2013 zullen de departementen Infrastructuur, ICT, PBW en Milieu hier hun intrek nemen. Het gebouw, een investering van vijf miljoen euro, zal een honderdtal werkplekken omvatten. Er zullen vier vergaderzalen, een teleconferenceroom en een serverroom zijn. Onze Commissie Kunst op de Campus voorziet drie kunstwerken: het wandtapijt Hibiscus van Frieda Van Dun, een sculpturaal werk van Nadia Naveau en een conceptueel werk van Arne Quinze.” Life sciences Op Campus Middelheim komt binnen enkele jaren ook een nieuw restaurant (drie miljoen euro) en er wordt plaats gemaakt voor een echt campusplein. Op de aangrenzende Campus Groenenborger verrijst dan weer Gebouw Z (tien miljoen euro). “Dat wordt de thuishaven van onze nieuwe Faculteit Toegepaste Ingenieurswetenschappen”, legt de rector uit. “Het gebouw zal onderdak bieden aan labo’s, bouwateliers, onderzoeksruimten, pc-klassen en burelen.” Ook op de Campus Drie Eiken in Wilrijk verandert er de volgende jaren heel wat. Zo liggen momenteel de plannen voor Gebouw O op tafel (13 miljoen euro). Dat onderwijsgebouw zal acht auditoria, twee microscopiezalen, een practicumzaal, de bioruimte en de reprografie omvatten. De bouwactiviteiten zullen ook gepaard gaan met een grote verhuisoperatie. Verschoren: “Als die hele verhuis- en bouwbeweging achter de rug is, kunnen we onze Campus Drie Eiken met recht en reden onze life sciences campus noemen. Die campus, grenzend aan het Universitair Ziekenhuis, zal dan de farmaceutische, medische, biomedische en diergeneeskundige wetenschappen herbergen. Op die manier is de Universiteit Antwerpen prima gewapend voor de uitdagingen van de toekomst.” Meer weten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: 0476 20 07 54 en peter.demeyer@ua.ac.be
Gebouw I Campus Middelheim (Foto Universiteit Antwerpen)

|
|
|
|
|
Universiteit Antwerpen
Université Catholique de Louvain
Universiteit Gent
Université Libre de Bruxelles
Université de Mons
Vrije Universiteit Brussel
PERSUITNODIGING
Woensdag 4 juli om 11:30 uur
Club van de Universitaire Stichting
Egmontstraat 11 – 1000 Brussel
Doorbraak in de zoektocht naar
het Brout-Englert-Higgsdeeltje met de
deeltjesversneller te CERN De krachtigste deeltjesversneller ter
wereld laat weer van zich horen, en wel met bijzondereresultaten over zijn belangrijkste
onderzoeksmissie. In hun zoektocht naar nieuwe deeltjes hebbenfysici belangrijke informatie mee te delen.
Wij willen u daarom komende woensdag 4 juli om 11.30uur uitnodigen om live de presentatie bij
te wonen van deze onderzoeksresultaten terwijlwetenschappers van de zes betrokken
Belgische universiteiten tekst en uitleg voorzien. De Belgische onderzoekers die bij dit unieke experiment betrokken
zijn, volgen op woensdag 4 juli de
eerste publieke presentaties van de nieuwe resultaten in de
zoektocht naar het Brout-Englert-Higgs deeltje.
Zij zullen hun licht laten schijnen over de nieuwe
wetenschappelijke bevindingen, die een belangrijk
hoofdstuk in de geschiedenis van moderne natuurwetenschap
toevoegen. De zes deelnemende
universiteiten uit België zijn Universiteit Antwerpen, Université
Libre de Bruxelles, Universiteit Gent,
Université
de Mons, Vrije Universiteit Brussel en Université Catholique de Louvain.
Om 9:00 beginnen de technische presentaties en vanaf 11:30 geven
de Belgische onderzoekers een korte
maar niet-technische voorstelling van de bevindingen. Afsluitend
volgt een vraag- en antwoordsessie.
De Large Hadron Collider of kortweg de deeltjesversneller te CERN
(de Europese organisatie voor
kernonderzoek) heeft een omtrek van 27 kilometer en bevindt zich
ongeveer 100 meter onder de grond op
de Frans-Zwitserse grens nabij Genève. De eerste grote uitdaging
voor dit unieke experiment is het
zoeken naar bewijzen voor het bestaan van een deeltje dat
verantwoordelijk zou zijn voor de massa van
de deeltjes in het universum rondom ons. Dit is een cruciaal
ontbrekend puzzelstukje in de standaard
theorie die fysici sedert verschillende decennia gebruiken om
zowat alle bekende fenomenen in de natuur
op microschaal te beschrijven.
Datum: 4 juli 2012
van 11:30 tot 12:30
Locatie: Club van
de Universitaire Stichting – Egmontstraat 11 in 1000 Brussel
De persconferentie wordt gevolgd
door een broodjeslunch met mogelijkheid tot individuele interviews.
Website locatie: www.universitairestichting.be
Beeldmateriaal en
persstatements van CERN kan u vanaf 11:00 vinden op: www.cern.ch
Prof. Evelyne Daubie (Université de Mons), Evelyne.Daubie@umons.ac.be Prof. Jorgen D’Hondt (Vrije
Universiteit Brussel), Jorgen.DHondt@vub.ac.be Prof. Vincent Lemaitre (Université Catholique de Louvain), vincent.lemaitre@uclouvain.be Prof. Dirk Ryckbosch (Universiteit
Gent), Dirk.Ryckbosch@UGent.be Prof. Catherine Vander Velde
(Université Libre de Bruxelles), Catherine.Vander.Velde@ulb.ac.be Prof. Pierre Van Mechelen (Universiteit Antwerpen), Pierre.VanMechelen@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Prof. dr. Frankie Schram (Universiteit Antwerpen)
bestudeerde integriteitsbeleid van OCMW’s
“Vlaamse
OCMW’s hebben nog een hele weg af te leggen”
Vier op de vijf Vlaamse OCMW’s beschikken niet over een
integriteitsplan, en hebben ook geen plannen om er een uit te werken. 35% heeft
evenmin een deontologische code, een instrument dat nochtans verplicht is sinds
oktober 2008. Deze en andere cijfers komen uit een grootschalig onderzoek van
de Universiteit Antwerpen naar het integriteitsbeleid binnen de Vlaamse OCMW’s.Integriteit
is een hip woord. Op verschillende bestuursniveaus is er aandacht voor, en ook
het wetenschappelijk onderzoek naar het thema neemt almaar toe. Onder leiding
van prof. dr. Frankie Schram voerden studenten van de Faculteit Politieke en
Sociale Wetenschappen van de Universiteit Antwerpen een grootschalig onderzoek
naar het integriteitsbeleid binnen de Vlaamse openbare centra voor
maatschappelijk welzijn. 98 OCMW’s verleenden hun medewerking aan het
onderzoek.
“79,6% van deze OCMW’s beschikt niet over een integriteitsplan”, aldus
prof. Schram. “Dat heeft mogelijk te maken met het ontbreken van een decretale
verplichting, maar een verkeerde inschatting van het belang van een dergelijk
plan kan ook aan de basis liggen. Nochtans laat een dergelijk plan toe om op
een gecoördineerde wijze aan integriteit binnen de organisatie te werken.
Opvallend: hoe groter het OCMW, hoe hoger de kans dat het over een
integriteitsplan beschikt. Bij de grote OCMW’s - met meer dan tweehonderd
voltijdse personeelsleden - heeft één op de drie een dergelijk instrument.
73,7% van de OCMW’s zonder, heeft ook geen plannen om er een uit te werken.
Vreemd, omdat het thema integriteit steeds belangrijker wordt in onze
samenleving.”
Een
deontologische code als basisinstrumentSinds 2008
moeten OCMW’s bij decreet beschikken over een deontologische code voor het
personeel. Van de 98 deelnemende OCMW’s hebben er 57 (65%) zo een code. Een
kwart van de OCMW’s geeft aan dat er hiaten in de eigen code zitten en in een
aantal gevallen wordt het personeel ook niet op de hoogte gebracht van het
bestaan van die code.
Prof.
Schram: “Uit ons onderzoek blijkt dat de code bovendien in vele gevallen niet
gebruikt wordt. In ongeveer de helft van de OCMW’s met code wordt deze naar
eigen zeggen niet of nauwelijks actief gebruikt. De verplichting tot het hebben
van een code die elk OCMW zelf vrij kan invullen, wordt niet gezien als een
mogelijkheid om aan de eigen organisatiecultuur te werken. Het hebben van een
code blijkt een trigger te zijn om ook andere integriteitsinstrumenten
te ontwikkelen en te werken aan de ethische kwaliteit van de organisatie.”
SchendingenDat een
deontologische code en een integriteitsplan absoluut hun nut kunnen hebben,
bewijzen de cijfers: de overgrote meerderheid van de OCMW’s wordt
geconfronteerd met integriteitsschendingen. Een deontologische code en een
integriteitsplan bieden de mogelijkheid om die schendingen te beperken. Het
gaat om volgende vormen:
1.
fraude
28,4%
pesterijen
28,4%
3.
belangenconflicten 23%
4.
misbruik en manipulatie van
informatie 14,9%
5.
geweld 13,5%
6.
ongewenst seksueel
gedrag 10,8%
7.
nepotisme
6,8%
wangedrag op
privévlak 6,8%
9.
discriminatie 5,4%
10.
omkoping 1,4%
Nochtans
ontbreekt ook in heel wat OCMW’s een voldoende ethisch bewustzijn. Eén op vier
OCMW’s zegt nog nooit te maken gehad te hebben met integriteitsschendingen.
“In de helft
van de OCMW’s worden er maatregelen genomen om integriteitsschendingen te
voorkomen”, legt prof. Schram uit. “Als er toch meldingen zijn, worden die in
de meeste gevallen ook aangepakt. Vaak wordt de leidinggevende ver wittigd of wordt er een beroep gedaan op een externe
instantie. Problematisch: 31% van de respondenten geeft aan dat klachten over
of meldingen van integriteitsschendingen binnen hun OCMW niet worden
geregistreerd. In vier gevallen op tien wordt er ook geen feedback gegeven aan
de melder. Als er wel feedback gegeven wordt, is dat meestal mondeling.”
“We kunnen concluderen dat de Vlaamse OCMW’s nog een hele weg af te
leggen hebben op het vlak van hun integriteitsbeleid. Niet alleen ontbreken
meermaals de wettelijk verplichte instrumenten, ook ziet men die instrumenten
nog te veel als regels, terwijl zij net open instrumenten zijn waar maatwerk
optimaal kan worden gerealiseerd. Ze bieden mogelijkheden om aan de
organisatiecultuur te werken.”
Meer weten?
Prof. dr. Frankie Schram: frankie.schram@ua.ac.be of 02 518 20 73. Maandag 2 juli bereikbaar voor 14 uur en na
17 uur.
Het boek Integriteitsbeleid van de Vlaamse OCMW’s
verschijnt bij Uitgeverij
Vanden Broele en kan online
besteld worden.
ISBN 978 90 4960 713 5 – Vastbladig (2012) – 272 blz. – € 58
|
|
|
|
|
De Vlaamse Regering keurde
vandaag in eerste lezing principieel het nieuwe besluit over de Bijzondere
Onderzoeksfondsen goed. Een nieuwe regelgeving was vereist, omdat het huidige
besluit einde van dit jaar vervalt. De Universiteit Antwerpen verwelkomt het
nieuwe besluit. “Het geeft meer gewicht aan de sociale en humane wetenschappen,
domeinen waar we in Antwerpen zeer sterk in staan”, luidt het.
Het gaat om een belangrijke
materie, omdat de overheid via het Bijzondere Onderzoeksfonds (BOF) de
universiteiten middelen toekent, waarmee deze het fundamenteel
kennisgrensverleggend onderzoek binnen hun muren kunnen ondersteunen, en een
instellingseigen onderzoeksbeleid voeren. Dit is zonder meer van belang omdat
de universiteiten de motor vormen van het wetenschappelijk onderzoek in
Vlaanderen. Uit tal van studies blijkt dat het Vlaams wetenschappelijk
onderzoek in internationale vergelijkingen uitstekend presteert én produceert,
zowel in hoeveelheid als in kwaliteit, en dat zeker in verhouding met de gedane
investeringen.
Het besluit regelt zowel het
gebruik van de middelen van het BOF, als de sleutel waarmee de globale Vlaamse
toelagen over de universiteiten worden verdeeld. De nieuwe versie herneemt tal
van goede bepalingen uit het bestaande besluit, maar voert ook tal van
verbeteringen in. Hierbij kan onder meer worden gewezen op een verfijning en
verdere ondersteuning van de bijkomende onderzoeksmandaten voor jonge vorsers
(tenure track mandaten) en van de Methusalem-financiering voor de meest
vooraanstaande Vlaamse vorsers.
Daarnaast worden een aantal
voorwaarden opgelegd inzake deugdelijk bestuur en interne regelgeving, alsook
maatregelen ter bevordering van het genderevenwicht onder de vorsers, zonder
evenwel de autonomie van de universitaire beleidsvoering te ondergraven of aan
de geldende kwaliteitsvereisten te tornen.
Sociale en humane
wetenschappen Op het vlak van de verdeelsleutel
der middelen zijn er voor de Universiteit Antwerpen drie belangrijke
innovaties.
1.
Het gewicht in de sleutel van de bijdragen in
het Vlaams Academische Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane
Wetenschappen neemt toe. Hierdoor zal de output van deze wetenschapsgebieden –
sterk vertegenwoordigd binnen de Universiteit Antwerpen – meer in rekening
worden gebracht bij de toekenning van onderzoeksmiddelen.
2.
In de toekomst zal het gewicht in de sleutel van
toppublicaties in alle wetenschapsgebieden gelijk zijn. In het huidig model
woog een uitstekende publicatie uit een gebied met meer vorsers en publicaties
(zoals de geneeskunde) meer door dan een gelijkaardig kwalitatieve publicatie
uit een gebied met minder vorsers (zoals de materiaalwetenschappen of de
farmaceutische wetenschappen).
3.
Van nog groter belang is de invoering van een
gegarandeerd minimum en een groeipad naar een verhoogd minimumaandeel. Onder
meer de Universiteit Antwerpen kende de afgelopen jaren immers een sterke groei
in wetenschappelijke productie. Zo nam het aantal doctoraten in Antwerpen de
afgelopen vijf jaar met 50% toe, het aantal publicaties met 30% en het aantal
citaties ernaar met 40%. Door het gesloten enveloppesysteem dat de
overheidsfinanciering voor de universiteiten en het wetenschappelijk onderzoek
thans kenmerkt, leidde dit echter niet noodzakelijk tot een stijging van het
aandeel in de toelagen, wel integendeel.
Het nieuwe besluit erkent nu
expliciet de verdiensten van alle universiteiten en ieders wezenlijke bijdrage
tot de doelstellingen van Vlaanderen in Actie, alsook hun belangrijke regionale
rol ter stimulering van de kenniseconomie.
Kleine en middelgrote
universiteiten Om ook voor de drie kleine en
middelgrote universiteiten (Universiteit Antwerpen , VUB en UHasselt) een
duurzame groei mogelijk te maken, wordt in het nieuwe BOF-besluit voor ieder
van hen een minimumaandeel gegarandeerd, gelijk aan het competitief in 2011
behaalde aandeel (voor de Universiteit Antwerpen: 11,75%). Tegelijk wordt voor
de drie universiteiten een individueel groeipad naar een verhoogd gegarandeerd
minimumaandeel bepaald, dat alleen conditioneel is aan de absolute groei van de
eigen onderzoeksoutput. Op deze wijze kan het aandeel van de Universiteit
Antwerpen, mits volgehouden sterke prestaties van onze vorsers, in 2017 groeien
tot 13%, wat dan verder als nieuw minimumaandeel wordt gehanteerd.
De Universiteit Antwerpen
verwelkomt het nieuwe besluit en dankt de overheid voor haar erkenning van het
belang van het onderzoek aan àlle Vlaamse universiteiten. Ze rekent vast op de
aangekondigde verdere realisatie van de inspanningen tot realisatie van de
Lissabon doelstelling: 1% publieke ondersteuning voor O&O tegen 2020. Elke
investering in (fundamenteel) onderzoek is immers goed besteed en levert een
return voor een innovatieve kenniseconomie zoals door de overheid betracht.
Meer weten?
Peter De Meyer,
persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be en 0476 20 07
54
|
|
|
|
|
Op zaterdag
23 juni kan iedereen een kijkje nemen in de labo’s van topwetenschappers
Universiteit Antwerpen ademt
biotechnologie Biotechnologie is hot, ook en
vooral op de Universiteit Antwerpen. De Biotechdag op zaterdag 23 juni is dus
absoluut een kolfje naar de hand van de Antwerpse topwetenschappers. Zij zetten
de deuren van hun labo’s op Campus Drie Eiken een dag lang wijd open.
Een ver-van-mijn-bedgebeuren, die biotechnologie? Absoluut
onwaar. Biotechnologie betekent
vandaag al meer voor jouw leven dan je vermoedt, en die impact zal in de
toekomst alleen maar toenemen. Vlaanderen vervult een voortrekkersrol in het
biotechnologisch onderzoek en wil dat op zaterdag 23 juni aan iedereen tonen.
Een veertigtal laboratoria heet alle geïnteresseerden welkom.
Ook de
Universiteit Antwerpen neemt enthousiast deel. Op de Campus Drie Eiken in
Wilrijk kunnen nieuwsgierigen een kijkje nemen in vier laboratoria, stuk voor
stuk wereldtoppers in hun genre. Je komt er alles te weten over genetisch
onderzoek, diagnostische tests, biomedische beeldvorming en de bestrijding van
bacteriële en virale infecties. Er worden rondleidingen en demonstraties
georganiseerd, documentaires getoond en je kan praten met de onderzoekers.
De deelnemende labo’s:
-
Het
Departement Moleculaire Genetica: de wetenschappers voeren onderzoek naar het ontstaan van ziekten zoals
alzheimer en parkinson. Op de Biotechdag kan je een presentatie en een
rondleiding volgen met als thema ‘Ga mee op zoektocht naar de oorzaken
van zenuwziekten!’
-
Het Laboratorium Medische Microbiologie:
deze onderzoeksgroep behoort tot de wereldtop op vlak van studies naar
antibioticagebruik en resistentie evenals ontwikkeling van diagnostica. Op
zaterdag 23 juni kom je er te weten hoe een staal van een patiënt vandaag
geanalyseerd wordt en hoe dat in de toekomst veel sneller zal gaan.
-
Het
Bio Imaging Lab, Visielab en MICA: hier wordt er onderzoek verricht naar de mechanismen die aan de basis
liggen van neurodegeneratie en neuroplasticiteit. De onderzoeksgroep
doet onder meer aan stamcelonderzoek.
-
Het
Centrum voor Proteomics: bij deze wetenschappers draait alles rond eiwitten. Die eiwitten of
proteïnen liggen gecodeerd in het menselijk DNA. Het zijn de actieve moleculen
in ons lichaam die betrokken zijn in alle fysiologische processen.
Veranderingen in onze eiwithuishouding kunnen dan ook zware gevolgen hebben.
Tijdens de Dag van de Biotechnologie kunnen kinderen zelf een bijdrage leveren
aan het wetenschappelijk onderzoek naar astma, en dat door uit te ademen in een
meetinstrument.
|
|
|
|
|
Antwerps
hoger onderwijs lanceert unieke opleidingen in de veiligheidswetenschappen
Wie aan veiligheid denkt, moet in
Antwerpen zijn Het Antwerpse hoger onderwijs is drie aanwinsten
rijker. Vanaf september bieden de Plantijn Hogeschool, de Antwerp Management
School en de Universiteit Antwerpen elk een nieuwe opleiding aan, telkens rond
het thema veiligheid. “Antwerpen is met zijn haven en industrie een regio waar
veiligheid nooit ver weg is”, zegt prof. Josse Van Steenberge (Universiteit
Antwerpen). “Het hoger onderwijs speelt daar op in.” Op de Universiteit Antwerpen vond op donderdag 21
juni het slotsymposium van het project Verbonden in Veiligheid plaats. Dat
netwerk bundelt een 160-tal bedrijven uit Vlaanderen en Nederland, en is ook
verankerd binnen de onderwijswereld. Aan Vlaamse kant zijn het Provinciaal
Veiligheidsinstituut, de Plantijn Hogeschool, de Antwerp Management School en
de Universiteit Antwerpen betrokken. Nederland wordt vertegenwoordigd door de
Bredase Avans Hogeschool, die de beste opleiding Integrale Veiligheid van
Nederland aanbiedt. De provincies Antwerpen en Noord-Brabant en de Europese
Unie (via het EFRO-project) financieren het netwerk.
“De veiligheidsproblematiek is in de ruime
Antwerpse regio, met haar wereldhaven en bijhorende industrie, nooit ver weg”,
legt prof. Josse Van Steenberge uit. ”Alle actoren staan mee in voor die
veiligheid, en ook de onderwijswereld speelt dus een belangrijke rol. Vanaf
september 2012 bieden de betrokken onderwijsinstellingen daarom elk een
opleiding binnen het domein van de veiligheidswetenschappen aan.”
VoortrekkersrolOp de Plantijn Hogeschool kunnen studenten terecht
voor de professionele bachelor Integrale Veiligheid. De Universiteit Antwerpen
lanceert de master in de Veiligheidswetenschappen, de Antwerp Management
School verwelkomt de eerste studenten in de master Strategische SHEQ.
De Universiteit Antwerpen speelt al jaren een
voortrekkersrol wanneer het om veiligheidsonderwijs gaat. Van Steenberge:
“Vanuit diverse invalshoeken wordt er aan de faculteiten Rechten,
Toegepaste Economische Wetenschappen, Politieke en
Sociale Wetenschappen, Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen en Wetenschappen
onderzoek verricht rond het thema veiligheid.”
Unieke opleidingHet is dan ook niet verwonderlijk dat de
Universiteit Antwerpen uitpakt met de master in de Veiligheidswetenschappen,
een opleiding die uniek is in Vlaanderen. De tweejarige opleiding is
interdisciplinair, grensoverschrijdend en integraal: met veiligheid,
beveiliging, milieu, kwaliteit en sociale veiligheid komen alle aspecten van
veiligheid aan bod.
“Tijdens de voorbereiding van deze nieuwe
masteropleiding werden 4 000 organisaties uit België en Nederland bevraagd naar
het profiel en de competenties van afgestudeerde studenten”, legt prof. Van
Steenberge uit. “Daaruit blijkt dat het werkveld nood heeft aan twee profielen:
managers in veiligheid binnen organisaties of bedrijven, en onderzoekers in
veiligheid, die veiligheidsvraagstukken op een wetenschappelijke manier kunnen
benaderen.”
Meer weten?
Katrien Van
Geystelen (Verbonden in Veiligheid / Universiteit Antwerpen) Inge Croux
(Plantijn Hogeschool): 03 220 55 60
Anja Tys
(Antwerp Management School): 03 265 47 33
Ad Schenkels
(Avans Hogeschool): 0031 65 110 11 90
Liesbeth
Fivez (Provinciaal Veiligheidsinstituut): 03 203 42 00
www.verbondeninveiligheid.eu
|
|
|
|
|
|
In het academiejaar 2012-2013 zet het Antwerpse hoger
onderwijs het begrip ‘veiligheid’ centraal. Dat heeft alles te maken met drie
gloednieuwe opleidingen rond dat thema. Ze worden op donderdag 21 juni
voorgesteld op het symposium Verbonden in Veiligheid.
De veiligheidsproblematiek is in de ruime Antwerpse regio,
met haar wereldhaven en bijhorende industrie, nooit ver weg. Alle actoren staan
mee in voor die veiligheid, en ook de onderwijswereld speelt dus een
belangrijke rol. De Universiteit Antwerpen, de Plantijn Hogeschool en de
Antwerp Management School hebben die boodschap begrepen. Zij starten in
september elk met een veiligheidsopleiding.
De bachelor Integrale Veiligheid (Plantijn Hogeschool), de
master in Veiligheidswetenschappen (Universiteit Antwerpen) en de master
Strategische SHEQ (Antwerp Management School) worden aan de wereld voorgesteld
op donderdag 21 juni vanaf 13.30 uur tijdens het slotcongres Verbonden in
Veiligheid. Deze opleidingen werden ontwikkeld in nauwe samenwerking met de
Nederlandse Avans Hogeschool en het grensoverschrijdend netwerk Verbonden in
Veiligheid, met een 160-tal bedrijven uit Vlaanderen en Nederland.
Praktisch:
Het Slotcongres Verbonden in Veiligheid: donderdag 21 juni
van 13.30 tot 16.45 uur in het Hof van Liere op de Stadscampus van de
Universiteit Antwerpen (Prinsstraat 13, 2000 Antwerpen).
Meer weten?
Katrien
Van Geystelen (Universiteit Antwerpen): 03 265 54 79
Josse
Van Steenberge (Universiteit Antwerpen): 03 265 54 79
Carl
Smeuninx (Plantijn Hogeschool): 03 220 55 60
|
|
|
|
|
In de
nalatenschap van Gerard Walschap werd een nooit eerder gepubliceerde
schelmenroman gevonden. Walschap werkte aan Metten Marten tussen 1946 en
1953. In de roman vertelt de grootmeester met vaart en verve de avonturen van
een dertienjarige vlerk die samen met een paar zonderlingen de wereld in trekt.
Het Gerard Walschap
Genootschap, Uitgeverij Vrijdag en de Universiteit Antwerpen nodigen u graag
uit op de voorstelling van dit pareltje, en dat op maandag 25 juni om 20 uur op
de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen. U vindt de uitnodiging in de
bijlage.
Om praktische redenen vragen we
u uw komst te melden voor vrijdag 22 juni. Dat kan via info@uitgeverijvrijdag.be of op 03
345 60 40. download
|
|
|
|
|
Zin
om deze zomer het centrum van Antwerpen eens op een andere manier te verkennen?
Dan is de wandelrally van USAB, de Universitaire Stichting voor
Armoedebestrijding, wellicht iets voor u. De zoektocht gidst u langs allerlei
gebouwen die te maken hebben met armoede of armoedebestrijding, maar ook met rijkdom.
USAB
zamelt geld in om de armoede in de stad Antwerpen te bestrijden, maar de
organisatie wil vooral ook de studenten en de medewerkers van de Universiteit
Antwerpen sensibiliseren om mee te denken rond armoede en het bestrijden ervan.
“Een wandelrally is daar erg geschikt voor”, vertelt Eva Van Keer, studente
Meertalige Professionele Communicatie en mede-initiatiefneemster van de
sponsorzoektocht. “Onze tocht laat de deelnemers het historische centrum van
Antwerpen op een andere manier zien. Zo kunnen we mensen aantonen dat er ook
armoede aanwezig is in ieders eigen buurt.”
De
studenten werkten de tocht uit samen met de leden van het dagelijks bestuur van
USAB en met de levensbeschouwelijke diensten van de Universiteit Antwerpen. Van
Keer: “De rally start op de Stadscampus van de universiteit. De wandeling leidt
de deelnemers langs allerlei gebouwen die te maken hebben met armoede of
armoedebestrijding, maar ook met rijkdom.”
De
wandelrally loopt nog tot 31 oktober 2012. Een boekje kost vijf euro. Met de
opbrengst wil USAB vier huizen renoveren. In die huizen, alle vier
gelegen in de onmiddellijke buurt van de Stadscampus, kunnen mensen met
beperkte financiële middelen voor een betaalbare prijs een degelijke woonst
huren. Onder de winnaars van de sponsorzoektocht worden enkele knappe prijzen
verloot.
Praktisch:
Alle
info over de wandelrally vindt u op www.usab.be . Daar vindt u ook
de informatie over de verkooppunten van het boekje. Dat boekje kan ook besteld
worden op stip@ua.ac.be .
Meer
weten?
Eva Van Keer: e.vankeer@hotmail.com.
|
|
|
|
|
|
Naar alle waarschijnlijkheid
leven er otters in een gebied van Natuurpunt in Limburg. Dat blijkt uit opnames
van Kristijn Swinnen, onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen. De opnames
dateren van 20 april en 9 mei 2012 en gebeurden in Smeetshof, een natuurgebied
van Natuurpunt. Dat is een uitgestrekt en moeilijk toegankelijk moerasgebied
van 187 hectare in Bocholt. Smeetshof maakt deel uit van het grensoverschrijdend
natuurgebied Grenspark Kempen-Broek. In het gebied werden onlangs ook bevers
waargenomen. Het nieuws komt na de bekendmaking van opnames van een otter in
Willebroek, eerder dit jaar.
“De otter heeft nood aan grote,
aaneengesloten en waterrijke natuurgebieden. Die zijn nu terug in Limburg te
vinden,” zegt Chris Steenwegen, directeur van Natuurpunt. “De vondst van het
territorium van de otter is een enorme opsteker voor de vrijwilligers. Zij
hebben zich al jarenlang ingezet voor het natuurherstel in de streek.”
Onverwacht resultaat van
beveronderzoek Het was opnieuw Kristijn Swinnen,
bioloog van de Universiteit Antwerpen, die de opnames van de otter maakte.
Swinnen doet onderzoek naar bevers in Vlaanderen, maar krijgt nu ook otters
voor zijn camera’s. Begin april filmde Swinnen een otter op doortocht in
Willebroek. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat het om hetzelfde dier gaat als
in Willebroek. De vindplaatsen liggen op meer dan 100 km van elkaar en bevinden
zich in een ander rivierensysteem (Scheldebekken en Maasbekken).
Er werd tweemaal een otter
gefilmd, maar uit de opnames valt niet af te leiden of het tweemaal om
hetzelfde dier gaat, of om verschillende otters. Het is in elk geval goed
nieuws. Ofwel zijn er verscheidene dieren aanwezig, ofwel is er een dier dat op
zijn minst een tijdje in het gebied heeft verbleven.
“In het gebied werden tot 2006
regelmatig waarnemingen van otters gedaan, maar die waren tot nu toe nooit
bevestigd,” zegt Kristijn Swinnen. “Mogelijk is de otter altijd aanwezig gebleven
in dit gebied. Nu hebben we voor het eerst een onweerlegbaar bewijs in handen.”
Succes voor grootschalig
natuurherstel In het Smeetshof heeft Natuurpunt
een project voor grootschalig natuurherstel uitgevoerd. Er werd opnieuw ruimte
gegeven aan het moeras, er werden poelen aangelegd. Het gebied vormt een ideale
biotoop voor de otter. Er zijn onverstoorde oevers, uitgestrekte moerasbossen
en visrijke vijvers. De otter kan er zich veilig verplaatsen over grote
afstanden, heeft er veilige rustplaatsen en vindt er voldoende voedsel.
Tot begin de jaren 1980 waren er nog geregeld meldingen van otters in deze
regio. Samen met de Maasvallei stond de streek bekend als een van de laatste
leefgebieden van de otter in Vlaanderen.
“Maar om de otters een duurzame
toekomst te bieden, moet er nog heel wat gebeuren,” zegt Diemer Vercayie
van de Zoogdierenwerkgroep van Natuurpunt. “Enerzijds moet Natuurpunt over de
nodige middelen kunnen beschikken om de bestaande gebieden te beheren.
Anderzijds moeten er initiatieven komen om grote leefgebieden met elkaar te
verbinden door kleine reservaatjes langs de waterwegen tussen de grote
leefgebieden in.”
Het Smeetshof vormt samen met de
aangrenzende gebieden De Luysen – Mariahof, Grootbroek en Stramprooierbroek,
beheerd door respectievelijk Natuurpunt, Agentschap voor Natuur en Bos en
Limburgs Landschap, een groot waterrijk gebied waar de otter zich thuis voelt.
|
|
|
|
|
|
In het wetenschappelijk topvakblad Nature stelt
prof. dr. Dirk Van Dyck van de Universiteit Antwerpen een nieuwe manier voor om
de locatie van atomen vast te stellen. De werkwijze heeft mogelijk een grote
impact op de studie van materiaalkarakteristieken.
De positie van de atomen bepaalt in grote mate welke
eigenschappen een materiaal heeft. Wie de ligging van die atomen kan
achterhalen, verkrijgt dus een belangrijk inzicht in de verbetering van een
bepaalde materie. Kristallen hebben op dat vlak nog maar weinig geheimen voor
de wetenschap. Amorfe structuren vormden tot voor kort een ander, veel
complexer verhaal. Binnen de onderzoeksgroep Elektronenmicroscopie voor
Materiaalonderzoek (EMAT) aan de Universiteit Antwerpen slaagde prof. dr. Dirk
Van Dyck er in een nieuwe methode te ontwikkelen om ook bij die materialen
atomen nauwkeurig te situeren.
“Aan de hand van elektronenmicroscopie gaan we de atomen
beschieten met elektronen”, verklaart Van Dyck. “Bij de interactie met een
atoom splitst de elektronengolf als het ware in golfjes die elk hun eigen weg
gaan. Door de fasesnelheid en –afstand van die deelgolfjes te bepalen, kunnen
we de exacte positie van het atoom berekenen.”
Van Dyck vergelijkt de nieuwe methode graag met de theorie
van de oerknal voor het ontstaan van het heelal. “Het heelal is ontstaan uit
een oerknal waarbij er brokstukken met hoge en lage snelheid de ruimte
invlogen. Omdat de afstand evenredig is met de snelheid waarmee zo’n brokstuk
zich verplaatst , zou je zo kunnen berekenen wanneer de oerknal heeft
plaatsgevonden. Mijn onderzoek spitste zich toe op een soortgelijk principe. De
elektronen vertrekken namelijk ook vanuit één punt: de impact met het atoom. De
methode heeft daarom de toepasselijke naam Big Bang Tomografiemeegekregen.”
Voor de uitwerking van de methode werkte hij samen met prof.
dr. Fu-Rong Chen, een collega uit Taiwan. De
wetenschappers deden een beroep op het tweedimensionale materiaal grafeen om de
theorie uit te testen. “Grafeen bestaat uit twee lagen koolstofatomen. Onze
methode maakt het mogelijk om de locatie van al die atomen nauwkeurig vast te
stellen.”
Voor Van Dyck houdt de innoverende aanpak alweer een nieuwe
uitdaging in. “Van liefst 90% van alle proteïnen die de basis vormen van
levende materie kon tot dusver de atomaire structuur nog niet bepaald worden.
Daar wil ik nu verder onderzoek naar voeren. Ik diende er al alvast drie
patentaanvragen voor in bij de Universiteit Antwerpen.”
Meer weten?
Prof. dr. Dirk Van
Dyck: 03 265 32 58 of dirk.vandyck@ua.ac.be
|
|
|
|
|
Atomen
in actie
Onderzoekers van de Universiteit Antwerpen en de KU Leuven zijn er in
geslaagd om de beweging van de atomen in een cluster van slechts een twintigtal
atomen live in beeld te brengen. Het prestigieuze Nature Communications
besteedt ruim aandacht aan deze unieke prestatie.
Voor hun
onderzoek gebruikten de wetenschappers de ultrakrachtige elektronenmicroscoop
die recent binnen de Antwerpse onderzoeksgroep EMAT werd geïnstalleerd. “Je
ziet de atomen als het ware dansen en rondspringen op een ultradun koolstoflaagje”,
legt Sara Bals (Universiteit Antwerpen) uit. “Door de beweging van de
individuele atomen nauwkeurig te volgen, zie je hoe de atomen binnen de cluster
zich herschikken en hoe de cluster daarbij telkens verschillende vormen
aanneemt.”
Het Leuvense team
van de afdeling Vaste-Stoffysica en Magnetisme beschikt over moderne technieken
om clusters te produceren met samenstelling en grootte naar wens met controle
tot op het niveau van individuele atomen. Atomaire clusters hebben een veelvoud
aan toepassingen in bijvoorbeeld katalyse of biosensoren en kunnen mogelijk ook
gebruikt worden binnen de nano-elektronica. Deze clusters kunnen ook beschouwd
worden als elementaire bouwstenen voor nieuwe materialen. De informatie die
binnen dit onderzoek verkregen werd, is van groot belang om het vormingsproces
van clusters beter te begrijpen en te verbeteren. De deeltjes kunnen bovendien
als testobject dienen bij het toetsen van kwantummechanische effecten.
Dit onderzoek
is een toonaangevend voorbeeld van interuniversitaire samenwerking tussen de
Universiteit Antwerpen en de KU Leuven waarbij zowel experimentele als
theoretische onderzoeksgroepen betrokken zijn. Het Antwerpse luik van dit
onderzoek kadert binnen het NANO Centre of Excellence aan de Universiteit Antwerpen
waarbij experimenten (EMAT onderzoeksgroep) en theorie (CMT onderzoeksgroep)
elkaar aanvullen en versterken.
Deze figuur illustreert de evolutie van de cluster onder de Qu-Ant-EM
elektronenmicroscoop. De atomen bevinden zich eerst in een voornamelijk vlakke
structuur en herschikken zich op minder dan een halve seconde tot een compacte
cluster. Deze evolutie, die alleen theoretisch werd voorspeld, werd nu voor het
eerst rechtstreeks waargenomen.

Meer weten:
Sara
Bals
Peter Lievens
03 265 32
84 Sara.Bals@ua.ac.be
Peter.Lievens@fys.kuleuven.be
Hieronder ziet u een filmpje dat perfect de clustering van de atomen aantoont.

Atomic scale dynamics of
ultrasmall germanium clustersS. Bals, S. Van
Aert, C.P. Romero, K. Lauwaet, M.J. Van Bael, B. Schoeters, B. Partoens, E.
Yücelen, P. Lievens & G. Van Tendeloo
De volledige tekst zal vanaf 12 juni 2012 te vinden zijn
op de website van Nature Communications : www.nature.com/ncomms
|
|
|
|
|
|
Alexander van Nuijs (Universiteit Antwerpen) zocht naar drugssporen in afvalwater van de hoofdstad
Brusselaars snuiven het liefst een lijntje
op katholieke feestdagen
Pasen, paasmaandag, Kerstmis en oudejaarsavond: op die
dagen lag het cocaïnegebruik in Brussel in 2010 het hoogst. Het paasweekend en
oudejaarsavond waren dan weer absolute topdagen op het vlak van xtc-gebruik.
Die opvallende vaststellingen komen uit het onderzoek van Alexander van Nuijs,
verbonden aan het Toxicologisch Centrum van de Universiteit Antwerpen.
De resultaten van het onderzoek staan vandaag in het Magazine
Universiteit Antwerpen. Alexander van Nuijs analyseerde in 2010 elke dag
een staal Brussels rioolwater. “Cocaïne en xtc worden na inname door het
menselijk lichaam gemetaboliseerd”, legt de kersverse doctor uit. “Die
metabolieten komen via het toilet in het rioolwater terecht. Door
representatieve stalen van dat afvalwater tijdens een langere periode te
onderzoeken kunnen we het recente drugsgebruik in een bepaald gebied meten.”
Het Brusselse onderzoek van van Nuijs is het eerste dat op
grote schaal meerdere soorten drugs opspoort. “Dat de 1,1 miljoen Brusselaars
relatief weinig cocaïne en xtc verzetten op weekdagen en dat de componenten in
het afvalwater behoorlijk pieken tijdens de weekends, ligt in de lijn der
verwachtingen. Maar de hoogste uitschieters noteerden we op feestdagen, zoals
Pasen, paasmaandag, Kerstmis en oudejaar. Op oudejaarsavond ligt het
xtc-gebruik vijfmaal hoger, het cocaïnegebruik driemaal hoger dan in een
gemiddeld weekend.”
Weinig methamfetamine “Voor xtc en cocaïne kunnen we dus trends vaststellen”,
legt van Nuijs uit. “Dat kunnen we niet voor andere drugs, zoals heroïne. Die
drug is niet echt aanwezig in het Brusselse uitgangsmilieu. Het wordt meer
gebruikt in de uithoeken van de maatschappij. Van methamfetamine, een drug die
veel in Scandinavië, Tsjechië en Noord-Amerika gebruikt wordt, liggen de
hoeveelheden in het afvalwater van onze hoofdstad verwaarloosbaar laag.”
In vergelijking met een eerder,
kleinschaliger onderzoek in Antwerpen blijkt dat het cocaïnegebruik in Brussel
twee tot drie keer lager ligt. “In de hoofdstad wordt per dag per duizend
inwoners gemiddeld 500 milligram verbruikt. Dat staat ongeveer gelijk aan vijf dosissen per dag per duizend
inwoners. In Antwerpen kwamen we uit op vijftien dosissen.”
Representatieve stalen Als een onderzoeker zomaar lukraak een staal afvalwater zou
nemen, is de kans reëel dat de resultaten vertekend worden. “De staalname
gebeurt net voor de zuivering in een station”, vertelt de Antwerpse
onderzoeker. “Het is belangrijk dat de inhoud van een fles representatief is
voor een hele dag. Daarom heeft elk waterzuiveringsstation speciale apparatuur
die gedurende 24 uur elke keer een stukje van heel de dagelijks afvalstroom in
een fles doet. Met heel gevoelige methoden analyseerde ik alle stalen.”
Meer weten?
Dr. Alexander van Nuijs: alexander.vannuijs@ua.ac.be.
Het volledige Onderzoeksdossier over ‘sewage epidemiology’
kunt u lezen in het Magazine Universiteit Antwerpen (online via www.ua.ac.be/magazine ).
van Nuijs
et al., Environment International, 2011, 37, 612
van Nuijs et al., Journal of Environmental Monitoring, 2011,
13, 1008
|
|
|
|
|
|
Dr.
Katrien Bombeke (Universiteit Antwerpen) wil ‘arts als persoon’-visie in
medisch onderwijs
Leren studenten
geneeskunde het af om patiëntgericht te zijn?
Patiëntgerichte
geneeskunde: het zou een pleonasme moeten zijn. Is geneeskunde immers niet
vanzelfsprekend gericht op de patiënt? Al te vaak hoor je zieken klagen dat ze
zich een nummer voelen of dat ze weinig informatie krijgen. Katrien Bombeke
(Universiteit Antwerpen) onderzocht in haar doctoraatsscriptie hoe het medisch
onderwijs toekomstige artsen beter kan ondersteunen in de ontwikkeling van hun
patiëntgerichtheid.
Patiëntgerichte artsen
hebben extra aandacht voor de zieke mens in zijn unieke context, en voor de
biologische, psychische en sociale factoren in het ziekteproces. Zij beschouwen
de patiënt als een gelijkwaardige partner bij het nemen van beslissingen en een
gezonde arts-patiëntrelatie is voor hen een basisvoorwaarde voor goede
geneeskunde. Wetenschappelijk is er toenemende bewijskracht voor de positieve
effecten van patiëntgerichte zorg zoals tevreden patiënten, een betere
therapietrouw, een betere gezondheid én het is bovendien kostenbesparend.
Het medisch onderwijs
investeert daarom in het trainen van communicatievaardigheden en het
ontwikkelen van patiëntgerichte attitudes. “Desondanks toont onderzoek aan dat
de patiëntgerichtheid van studenten geneeskunde daalt tijdens de opleiding”,
zegt dr. Katrien Bombeke (Universiteit Antwerpen). “Vooral het stagejaar vormt
een kwetsbare periode. Communicatietraining leert studenten effectief
patiëntgerichte attitudes en vaardigheden aan, maar de transfer van de
schoolbanken naar de klinische arena verloopt moeizaam.”
Communicatieonderwijs “Mijn doctoraatsproject
onderzocht hoe het medisch onderwijs toekomstige artsen beter kan ondersteunen
in de ontwikkeling van hun patiëntgerichtheid. Weinig onderzoekers hebben tot
nu toe getracht om vanuit de belevingswereld van de studenten zelf de
alarmerende erosie te begrijpen. Welke factoren stimuleren en belemmeren
studenten om patiëntgericht te zijn? In hoeverre bereidt het
communicatieonderwijs hen voor op patiëntgerichte geneeskunde in de dagelijkse
praktijk?”
Bombeke mat de evolutie
van patiëntgerichte attitudes tijdens het stagejaar bij studenten mét en zonder
communicatieonderwijs als voorbereiding op hun stagejaar. “Tegen onze
verwachtingen in daalden alleen de studenten die getraind waren in communicatie
in hun patiëntgerichte attitude, terwijl de ongetrainde groep stabiel bleef.
Diepte-interviews brachten valkuilen aan het licht met betrekking tot het
communicatieonderwijs en de klinische stages. Conclusie: de innerlijke motor
tot patiëntgerichtheid, i.e. de attitude van studenten geneeskunde, verdient op
zich niet de negatieve belangstelling die het tot nu toe kreeg.”
Wel hebben studenten geneeskunde het duidelijk moeilijk om
patiëntgericht te zijn in de praktijk, ondanks een positieve attitude. Bombeke:
“Factoren die uit ons onderzoek naar voor kwamen als belangrijke determinanten
van deze moeilijke overgang zijn divers. Zo is het essentieel dat de artsen op
stage waar de studenten naar opkijken en waar ze zich aan spiegelen, ook
patiëntgericht werken. Daarnaast blijkt de reële werkvloer te verschillend te
zijn van het veilige trainingslabo waarin zij ‘ideale’ vaardigheden trainden.
Bovendien eisen vermoeidheid, tijdsdruk en het overweldigd worden door intense
ervaringen, zoals de confrontatie met diep menselijk lijden, hun tol.”
De
arts als persoon Hoe
kan het medisch onderwijs dan de patiëntgerichtheid bevorderen, rekening
houdend met deze belangrijke invloeden? Het onderzoek identificeerde een
sleuteldeterminant van patiëntgericht gedrag: de ‘arts-als-persoon’. “Die
omhelst de persoonlijke en professionele ontwikkeling van de arts zelf,
inclusief het omgaan met eigen emoties en invloedrijke biografische aspecten
(zoals eigen ziekte), en zelfzorg. De ondersteuning van de ‘arts-als-persoon’
moet reeds beginnen tijdens het medisch onderwijs, bijvoorbeeld door
patiëntgerichtheid te spiegelen in het aanbod van studentgericht onderwijs,
begeleiding en ondersteunende arts-studentrelaties.
In
haar proefschrift doet Katrien Bombeke verscheidene onderwijskundige
aanbevelingen om dit te kunnen verwezenlijken. “Het aanbieden van tutorship
tijdens het stagejaar en het stimuleren van zelfbewustzijn en inzicht in
persoonlijke attitudes en sociale invloeden kan naast het aanleren van
vaardigheden op een meer realistische trainingsvloer de studenten beter voorbereiden
op deze moeilijke overgangsfase. Daarnaast is integratie van
communicatieonderwijs in klinische stages belangrijk, en kan meer continuïteit
in deze stages de relaties tussen studenten en stagemeesters enerzijds en
patiënten anderzijds bevorderen.”
Meer weten?
Dr. Katrien Bombeke: katrien.bombeke@ua.ac.be.
De doctorandus is huisarts en
verbonden aan het Centrum Huisartsgeneeskunde van de Faculteit Geneeskunde en
Gezondheidswetenschappen van de Universiteit Antwerpen. Haar promotoren zijn
prof. dr. Paul Van Royen, prof. dr. Benedicte De Winter en prof. dr. Sandrina
Schol.
|
|
|
|
|
Een jaar geleden stond de hele wereld even stil na de kernramp in Fukushima. Ondertussen is het al lang weer business as usual, maar het thema kernenergie duikt toch heel geregeld op in de actualiteit. Maar wie is er nog echt mee? Kan onze samenleving wel zonder kernenergie? Wat verandert er in ons dagelijks leven na de kernuitstap? Op welke informatie kunnen we ons best (niet) baseren? Wat is de rol van de media in het debat? Over die en vele andere vragen buigen wetenschappers zich tijdens twee debatavonden, in samenwerking met ARGUS, het milieupunt van KBC en Cera. De avonden worden gemodereerd door Bart Cortoos (VRT). Ze starten telkens om 19 uur in lokaal B.001 op de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen (ingang hoek Grote Kauwenberg/Vekestraat). Op donderdag 7 juni prof. Aviel Verbruggen (Universiteit Antwerpen), met zijn 30 jaar ervaring in de materie en lid van het Intergovernmental Panel on Climate Change, een reeks uitdagende vragen op een rij. Hoe is de verdeling van de economische, ecologische en sociale lusten en lasten in het (kern)energievraagstuk? Hoe beoordeel je de duurzaamheid van een technologie, of van een energiesysteem? Zijn beslissingen daarin (on)omkeerbaar? Is de keuze die gemaakt wordt verzekerbaar?
Op donderdag 14 juni staan kennisvraagstukken en beeldvorming centraal. Welke kennis is er beschikbaar en hoe wordt die in de samenleving “ontsloten”? Zijn we ons bewust van de onzekerheden ? Welke zijn de controverses bij de actoren en bij de publieke opinie? Komen meningsverschillen en onzekerheden aan bod in communicatie en media, en hoe draagt dit bij tot een breed democratisch debat? Prof. Gert Verschraegen (Universiteit Antwerpen) buigt zich als kennis- en wetenschapssocioloog over het kennisvraagstuk en prof. Pieter Maeseele (Universiteit Antwerpen) licht de beeldvorming in media en maatschappelijk debat toe vanuit de communicatiewetenschappen. Hier vindt u de uitnodiging. Het volledige programma kunt u raadplegen op www.ua.ac.be/fukushima/programma. Het spreekt voor zich dat journalisten hartelijk welkom zijn.
|
|
|
|
|
Tien
jaar geleden keurde België als tweede land ter wereld een euthanasiewet
goed. Vandaag wordt er vanuit verschillende hoeken gepleit voor een
herziening/uitbreiding van de wet. De discussie is dus opnieuw geopend.
Het
doctoraal proefschrift van Evelien Delbeke (Faculteit Rechten van de
Universiteit Antwerpen) is dus brandend actueel. Haar boek “Juridische
aspecten van zorgverlening aan het levenseinde” levert haar de André
Prims-Prijs op. Die tweejaarlijkse prijs wordt uitgereikt door de Vlaamse
Vereniging voor het Gezondheidsrecht. Het bekroonde proefschrift wordt
uitgegeven bij Intersentia in de Reeks Gezondheidsrecht. Het werk bevat ook een ontwerp van wetsvoorstel waarin alle
levenseindebeslissingen worden geregeld.
Evelien
Delbeke neemt de prijs op donderdag 7 juni in ontvangst in de Senaat (zaal M, Paleis der Natiën, Leuvenseweg 7 te 1000 Brussel).
De plechtigheid start om 14 uur. De laureate bespreekt om 14.30 uur deze vijf
stellingen:
- Het
toepassingsgebied van de Euthanasiewet moet worden uitgebreid. Ook
minderjarigen moeten euthanasie kunnen vragen. Voorts moet de
euthanasieverklaring worden opengesteld voor patiënten van wie de
hersenfuncties door een ernstige en ongeneeslijke aandoening zodanig en
onomkeerbaar zijn aangetast dat ze geen besef meer hebben van hun eigen
persoonlijkheid. Euthanasie wegens levensmoeheid is daarentegen wel reeds
mogelijk onder de huidige Euthanasiewet.
- Levensbeëindiging zonder verzoek moet worden
toegelaten in dezelfde omstandigheden als therapiebeperking bij wilsonbekwame
patiënten.
- Hulp bij zelfdoding moet worden geregeld. Er moet een
afzonderlijke strafbaarstelling komen met bijhorend een wettelijke rechtvaardiging
volgens dezelfde voorwaarden als euthanasie.
- De
patiënt moet uitdrukkelijk en geïnformeerd toestemmen in pijnbestrijding met
mogelijk levensverkortend effect en continue diepe sedatie. Voor continue
diepe sedatie zou een schriftelijke toestemming moeten worden vooropgesteld.
- Er
is nood aan een wet die alle levenseindebeslissingen regelt, een
zogenaamde ‘Wet Zorgverlening aan het Levenseinde’.
Om
15 uur debatteren Rik Torfs (CD&V), Marleen Temmerman (Sp.a), Louis Ide
(NV-A) en Yolande Avontroodt (Open VLD) over de stellingen.
Journalisten
zijn hartelijk welkom.
Gelieve uw komst ten laatste donderdag 7 juni om 10 uur te melden bij Peter De
Meyer, persverantwoordelijke van de Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be.
|
|
|
|
|
Op het zogenaamde ‘politicologenetmaal’ in Amsterdam wordt vandaag donderdag 31 mei de Daniel Heinsiusprijs uitgereikt voor de beste masterscriptie in de politicologie, geschreven aan een Nederlandse of Vlaamse universiteit. Laureate is Debby Vos (Universiteit Antwerpen), met haar scriptie over de aanwezigheid van vrouwen in de Vlaamse televisiejournaals.
De NKWP (Nederlandse Kring voor Wetenschap der Politiek) en de VPW (Vereniging Politieke Wetenschap Vlaanderen) reiken jaarlijks de Daniel Heinsiusprijs uit. De prijs, vernoemd naar een humanistisch geleerde uit de zeventiende eeuw, bekroont de beste scriptie in de politicologie. De laureaat krijgt 500 euro. Voor de editie 2012 werden twintig scripties ingezonden: zestien uit Nederland, vier van Vlaamse universiteiten. Zeven scripties werden in het Nederlands geschreven, dertien in het Engels. De jury koos uiteindelijk voor de scriptie van Debby Vos. Met haar werkstuk Vrouwelijke politici in de media: beeld zonder klank behaalde ze vorig academiejaar het diploma Master in de Politieke Wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Vos, die momenteel aan haar doctoraat werkt op het Departement Politieke Wetenschappen van de Antwerpse universiteit, onderzocht op kwantitatieve wijze de aanwezigheid van vrouwelijke politici in de Vlaamse televisiejournaals. Opmerkelijk: vrouwelijke politici krijgen nog steeds significant minder spreektijd en er is dus een reële gender bias aanwezig in de Vlaamse journaals. De scriptie van Debby Vos bekoorde de jury om verscheidene redenen. “Het gaat over een zeer wezenlijk en herkenbaar maatschappelijk thema, zit onderzoeksmatig knap in elkaar, is theoretisch goed onderbouwd, bouwt voort op de literatuur en helpt deze vooruit doordat het de verschillende factoren uit de literatuur samenbrengt en test in een overkoepelend model. De scriptie is tevens zeer helder geschreven. De scriptie getuigt van een duidelijke beheersing van een breed scala aan onderzoeksvaardigheden”, klinkt het in het juryrapport. Meer weten? Debby Vos: 0498 76 97 90.
|
|
|
|
|
Jongeren die meerderjarig zijn, maar toch nog bijzondere zorgen nodig hebben, zijn zogenaamde ‘zorgenkinderen’. Het gaat bijvoorbeeld om kinderen met een handicap of om jongeren die verslaafd zijn aan drugs. Bij hun ouders bestaat een grote gemoedsonrust over het lot van hun kind, zeker voor de periode wanneer zij er zelf niet meer zullen zijn. Op vrijdag 8 juni organiseert de Universiteit Antwerpen een seminarie rond zorgenkinderen. In opdracht van de Koning Boudewijnstichting voerde prof. dr. Frederik Swennen (Onderzoeksgroep Persoon & Vermogen van de Faculteit Rechten) een onderzoek uit. Hij bestudeerde de bekommernissen van ouders en ging op zoek naar een geschikte planningstrategie die de zelfredzaamheid van de kinderen bevordert. Hier vindt u het persbericht over het seminarie, en een korte sneak preview. Voor verdere informatie kunt u contact opnemen met prof. dr. Frederik Swennen (frederik.swennen@ua.ac.be of 0496 25 25 58. Het volledige programma vindt u op http://www.ua.ac.be/persoon&vermogen. Op vrijdag 8 juni vindt er om 13 uur een informeel persmoment plaats op de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen (Prinsstraat 13 in Antwerpen).
|
|
|
|
|
|
Hoe kijk je het best een vertaling na?
Isabelle Robert (Universiteit Antwerpen en Artesis Hogeschool Antwerpen) onderzocht de efficiëntie van vier procedures om een vertaling te reviseren
Ons gezond verstand zegt dat een vertaling nakijken met de brontekst erbij tot betere resultaten zou moeten leiden. Maar is dit ook zo? Vertaalbureaus die conform de Europese norm voor vertaaldiensten (EN15038) willen werken, moeten sinds 2006 ‘revisie’ in hun proces integreren, d.w.z. dat alle vertalingen opnieuw door iemand anders dan de vertaler nagekeken moeten worden. De norm is echter niet duidelijk over de manier waarop deze revisie uitgevoerd moet worden. In haar doctoraat onderzocht Isabelle Robert de efficiëntie van de vier meest gebruikte revisieprocedures op de Belgische vertaalmarkt. Ze stelde vast dat revisieprocedures waarbij de vertaling na een vergelijking met de originele tekst een tweede keer nagelezen wordt, niet altijd efficiënter zijn.
Procedures om een vertaling na te kijken
Met haar onderzoek ging Isabelle Robert na of de gekozen revisieprocedure een effect heeft op de kwaliteit van de revisie. En, als dat het geval is, of er ook een verschil is qua efficiëntie tussen verschillende revisieprocedures. In een verkennend onderzoek gebaseerd op enquêtes heeft ze vier procedures geselecteerd: de vertaling één keer nalezen zonder naar de originele tekst te kijken, behalve bij twijfel (monolinguale procedure); de vertaling rechtstreeks vergelijken met de originele tekst (bilinguale procedure); de vertaling rechtstreeks vergelijken met de originele tekst en dan de vertaling nog eens nalezen (bilinguale + monolinguale procedure); de vertaling eerst nalezen en dan ze vergelijken met de originele tekst (monolinguale + bilinguale procedure).
Experimenteel onderzoek
“Om onze hypotheses te toetsen, hebben we zestien professionele revisoren vier vergelijkbare teksten telkens met een van de vier revisieprocedures laten reviseren”, legt Isabelle Robert uit, assistente aan het departement vertalers en tolken van de Artesis Hogeschool Antwerpen, en doctoraatsstudente aan de Universiteit Antwerpen. “Omdat ik niet alleen geïnteresseerd was in de kwaliteit van de revisie, maar ook in de capaciteit van revisoren om fouten te detecteren, zonder die noodzakelijk te kunnen corrigeren - met andere woorden hun “detectiecapaciteit”-, heb ik onder andere de key logging software Inputlog gebruikt. Dit programma werd aan de Universiteit Antwerpen ontwikkeld, voornamelijk in het kader van schrijfprocesonderzoek. Het maakt het mogelijk om bijna Big Brother te zijn: wanneer heeft de revisor iets opgezocht, in welk woordenboek, op welke website? Inputlog geeft het antwoord”, voegt de onderzoekster glimlachend toe.
Resultaten
Statistische analyses bevestigen de hoofdhypothese en tonen aan dat de revisieprocedure een significant effect heeft op de kwaliteit van de revisie, de detectiecapaciteit van de revisoren en de duur van de revisie. Uit aanvullende analyses bleek ook dat de monolinguale procedure significant minder efficiënt is dan de andere procedures op het gebied van kwaliteit en detectiecapaciteit. Er is echter ook gebleken dat die monolinguale procedure qua procesduur wel efficiënter was dan de andere procedures, maar niet in vergelijking met de bilinguale procedure. Bovendien bleek er geen significant verschil te zijn tussen de bilinguale procedure, de bilinguale + monolinguale procedure en de monolinguale + bilinguale procedure, noch op product- noch op procesniveau. “Ik had niet verwacht dat een vertaling een tweede keer nalezen niet significant efficiënter is dan de vertaling vergelijken met de originele tekst en het erbij houden”, geeft de onderzoekster toe. “Conform ons gezond verstand is het nalezen van een vertaling zonder originele tekst niet efficiënt, behalve als je alleen naar de taal kijkt, en dus niet naar de inhoud”, rondt Isabelle Robert af. Dit onderzoek is in de eerste plaats pragmatisch gericht en stelt de onderzoekster in staat gerichte praktijkadviezen te formuleren voor professionele vertalers en revisoren. Daarnaast is het doel ook didactisch omdat revisie waarschijnlijk een steeds grotere plaats zal innemen in curricula van vertaalfaculteiten in Europa.
Allereerste doctoraat in de vertaalwetenschap aan de Universiteit Antwerpen
Op 14 mei kon de Universiteit Antwerpen voor de eerste keer de titel van doctor in de vertaalwetenschap verlenen. “De vertaalwetenschap als onderzoeksdomein heeft duidelijk een mooie toekomst aan de Universiteit Antwerpen”, concludeerde de doctor in spe tijdens de verdediging. Met het zogenaamde integratiedecreet van het hoger onderwijs zullen toekomstige vertalers en tolken immers vanaf het academiejaar 2013-2014 aan een universiteit studeren. “Aan de vooravond van de integratie van ons departement in de Universiteit Antwerpen, is dit een mooi voorbeeld van ons academiseringsproces”, aldus prof. dr. Anne Verhaert, hoofd van het departement vertalers en tolken van Artesis.
Meer weten?
isabelle.robert@artesis.be
|
|
|
|
|
De meesten onder ons zijn goed vertrouwd met de belangrijkste klassiekers uit de Middelnederlandse literatuur. Wie heeft op de middelbare school niet gehoord van de Beatrijs, Karel ende Elegast of het bekende dierenepos over de vos Reynaert? Deze werken hebben meestal één ding gemeen: ze zijn ons anoniem overgeleverd. De weinige Middelnederlandse auteurs die we kennen, zijn maar zelden te verbinden met de teksten die bewaard zijn gebleven. In zijn doctoraatsonderzoek ging Mike Kestemont (Universiteit Antwerpen) na of computeranalyses meer licht kunnen werpen op het auteurschap van anonieme Middelnederlandse werken.
Aan de Universiteit Antwerpen wordt de computer steeds vaker ingezet bij de studie van literatuur. Omvangrijke tekstverzamelingen kunnen tegenwoordig in een handomdraai statistisch worden verwerkt: deze kwantitatieve methodes vormen een belangrijke aanvulling op de traditionele onderzoekspraktijk in de geesteswetenschappen. “Via computergestuurde stijlanalyses uit de 'stylometrie' kunnen we het auteurschap van anonieme werken achterhalen”, legt Mike Kestemont uit. “Dat maakt interessante toepassingen mogelijk, onder meer voor het opsporen van plagiaat of internetpedofilie. Tot voor kort werd deze moderne technologie nog nooit toegepast op middeleeuwse literatuur. Dat is jammer, want het zou een belangrijk winstpunt vormen als men met de computer de auteur kon ontmaskeren van bijvoorbeeld de Beatrijs.” Kopieën De computationele studie van middeleeuwse literatuur gaat echter niet over rozen. Een torenhoog probleem is dat teksten zelden in hun auteursversie zijn bewaard, maar meestal slechts in een kopie van latere afschrijvers. Dergelijke kopiisten brachten geregeld aanpassingen aan in teksten, zodat we nooit precies weten welke woorden nog op de oorspronkelijke dichter teruggaan. De technieken die werden ontwikkeld voor auteursherkenning in moderne romans zijn daarom niet zonder meer toepasbaar op middeleeuwse literatuur. In zijn studie toonde Kestemont aan dat men best rijmwoorden gebruikt voor auteursherkenning in middeleeuwse teksten, omdat deze woorden zelden door latere afschrijvers werden aangepast. Hoewel de resultaten van deze studie nog voor aanvulling vatbaar zijn, kon dit pioniersonderzoek al meer duidelijkheid brengen over het oeuvre dat tegenwoordig wordt toegeschreven aan Jan van Boendale, de allereerste "stadsdichter" van Antwerpen. Eerder werd al bekend dat het oudste Middelnederlandse relaas over de beroemde Guldensporenslag (in 1302) niet door de Brabander Lodewijk van Velthem werd geschreven, zoals tot dusver was verondersteld. Dit verslag moet namelijk teruggaan op het authentieke ooggetuigenverslag van een nog oudere Vlaamse dichter. Anoniem “We ontdekten ook dat de anonieme dichter van 'Karel ende Elegast' nog twee andere prachtige Middelnederlandse werken heeft gedicht”, zegt Kestemont. “Ten eerste, de oudste Middelnederlandse roman over de overspelige ridder Lancelot en de legendarische koning Arthur, en ten tweede, de eerste roman uit ons taalgebied met een zwart hoofdpersonage: de sympathieke Afrikaanse ridder Moriaen. Deze fascinerende hypothese werd reeds in de jaren zeventig verdedigd door de dichter K. Heeroma, maar werd door onderzoekers tot voor kort te licht bevonden wegens een gebrek aan objectief bewijsmateriaal. Dit kwantitatief onderzoek levert belangrijkste argumenten ter ondersteuning van Heeroma's stelling.” Enkele bevindingen van deze studie worden binnenkort gepubliceerd in het volgende nummer van het toonaangevende Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (http://www.tntl.nl). Mike Kestemont kon dit onderzoek uitvoeren aan de Universiteit Antwerpen, dankzij een mandaat als aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen. Deze interdisciplinaire studie werd op de Universiteit Antwerpen begeleid door twee promotoren: prof. dr. Frank Willaert (hoogleraar Middelnederlandse letterkunde, Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Nederlanden) en prof. dr. Walter Daelemans (hoogleraar computerlinguïstiek, CLiPS computational linguistics group). Meer weten? Dr. Mike Kestemont: mike.kestemont@ua.ac.be en 03 265 42 54.
|
|
|
|
|
Op 21 en 22 mei 2012 was de Universiteit de thuisbasis van het Wereldcongres rond Haven en Maritieme Ontwikkelingen, gehuisvest door het Departement Transport en Ruimtelijke Economie van de Universiteit. Het congres is onderdeel van de World Conference on Transportation Research Society (WCTRS), en georganiseerd door Special Interest Group 2 (SIG2), die rond havens en maritieme zaken werkt.
Een internationaal en interdisciplinair event Gedurende de twee dagen bracht het Departement 180 wetenschappers, praktijkmensen en beleidsmakers bijeen, die van overal in de wereld kwamen: in totaal waren 50 nationaliteiten vertegenwoordigd. Voor het eerst werd ook een Franstalige sessie georganiseerd. Verder was de achtergrond van de deelnemers aan het congres ook heel verscheiden: naast economisten namen ook heel wat ingenieurs, geografen, politieke wetenschappers, juristen en psychologen aan het congres deel. Daarmee bereikte het congres ruimschoots haar missie een internationaal en interdisciplinair gebeuren te zijn. Ook de link met het bedrijfsleven en de praktijk stond voorop. Die werd gerealiseerd via paneldiscussies, brainstormsessies en een keynote speech gegeven door Corrado Antonini, voorzitter van de Italiaanse scheepsbouwer Fincantieri. Hoogwaardige inhoud en aanbevelingen voor praktijk en beleid Het congres kon bogen op papers en sprekers van hoge kwaliteit, die bovendien heel uiteenlopende thema’s behandelden. De wetenschappelijke resultaten leidden voor een aantal grote thema’s ook tot een aantal duidelijke aanbevelingen voor praktijkmensen en beleidsmakers. Een eerste grote thema was dat van havenconcurrentie. Uit de bijdragen bleek duidelijk dat die concurrentie in grote mate naar het hinterland verschuift. Bereikbaarheid, congestie, ligging nabij de afzetmarkt en ontsluiting zijn cruciale elementen die de aantrekkelijkheid van een haven mee bepalen. In het concurrentiedebat mag uiteraard de werking in de haven zelf niet worden vergeten. Grootste uitdaging daarbij blijkt douane te zijn, en de manier waarop onder meer Europese regelgeving wordt geïnterpreteerd. Daar blijkt veel verschil op te zitten tussen havens – zo bijvoorbeeld tussen Rotterdam en Antwerpen – maar zelfs binnen één en hetzelfde havengebied. Dat blijkt onder meer uit een bijdrage van congresorganisatoren Christa Sys, Eddy Van de Voorde en Thierry Vanelslander. Ook havenorganisatie zelf kwam aan bod. Patrick Verhoeven, directeur van ESPO (European Seaports Organisation) bracht de verscheidenheid in havenorganisatiemodellen in Europa in kaart, met hun voor- en nadelen. Tegelijk werd op het congres aangetoond dat samenwerking op concrete domeinen tussen zeehavens maatschappelijk én voor de havens zelf nuttig kan zijn. Op het congres ging veel aandacht ook naar ecologische duurzaamheid. Oplossingen zoals laagzwavelige brandstoffen en kernenergie passeerden daarbij de revue. Uit de Verenigde Staten kan veel geleerd worden van de manier waarop belanghebbenden mee worden betrokken in investeringen in duurzaamheid in het hinterlandverkeer, zo bleek onder meer uit een bijdrage van Tom O’Brien. Ook innovatie kwam op het congres ruimschoots aan bod. Transport liep lange tijd achter op globale innovatieritme in de wereldeconomie, maar lijkt nu aan een inhaalbeweging bezig. Een bijdrage van co-organisatoren Claudio Ferrari en Alessio Tei toonde onder meer barrières en succesfactoren voor innovaties zoals Port Community Systemen en walstroom-installaties aan. Tot slot kregen ook de gevolgen van de economische en financiële crisis ruimschoots aandacht. Jan Francke van het Nederlands KennisInstituut voor Mobiliteitsbeleid toonde onder meer het belang van het werken met scenario’s in het voorspellen van toekomstige ontwikkelingen in maritieme en haventrafiek. Paneldiscussie en keynote speaker Tijdens het paneldebat tussen industrie, beleid en de academische wereld kwam onder meer de noodzaak naar voor om liefst zoveel mogelijk aan te sluiten bij concrete noden van de sector, wat nu door een aantal wetenschappelijke instellingen nog te weinig gebeurt. Alfaport benadrukte ook de noodzaak van een vertaling naar de sector van wetenschappelijke onderzoeksresultaten: vermeden moet worden dat die in de schuif van onderzoekers blijven liggen. Van academische kant werd dan weer de wens uitgedrukt om meer toegang te krijgen tot cijfer- en ander materiaal uit de sector. De toenemende privatisering van activiteiten leidt ertoe dat die cijfers het voorwerp worden van commercieel gevoelige contracten, met alle gevolgen vandien voor de wetenschappelijke analyses, die steeds moeilijker te realiseren vallen. In zijn keynote speech gaf Corrado Antonini de toekomst van de scheepsbouwindustrie in Europa en wereldwijd aan. Blijkt dat er blijvend groei wordt verwacht in de geproduceerde volume, gemiddeld 3% op jaarbasis. Voor Europese scheepsbouwers zal de toekomst wel in nichemarkten te vinden zijn (sleepboten, cruise- en ferryschepen,…). De concurrentie vanuit China wordt ook hier ongetwijfeld de grootste uitdaging. In de bijlage vindt u nog het volledige programma van het afgelopen congres. De week wordt afgerond met een driedaagse cursus rond Port Economics and Business georganiseerd door TransportNET, waaraan een 35 geïnteresseerden deelnemen, opnieuw heel sterk internationaal. Meer weten? Prof. Thierry Vanelslander (Universiteit Antwerpen): thierry.vanelslander@ua.ac.be en 03 265 40 34.
|
|
|
|
|
|
Onderzoekster Tinne Dilles (Universiteit Antwerpen) pleit voor een betere samenwerking tussen artsen en verpleegkundigen
“Verpleegkundigen kunnen belangrijke bijdrage leveren aan de opvolging van geneesmiddeleneffecten”
Verpleegkundigen hebben een belangrijke rol in de begeleiding van patiënten. Toch blijft hun aandeel in het vaststellen en rapporteren van eventuele complicaties meestal onduidelijk. In haar doctoraatsonderzoek Farmacotherapeutische zorg door verpleegkundigen in woonzorgcentra gaat Tinne Dilles (Universiteit Antwerpen) dieper in op de oorzaken en gevolgen daarvan.
“Van de verpleegkundigen in de woonzorgcentra vond een op vier dat het niet hun taak was om ongewenste effecten van geneesmiddelen te observeren. Volgens de meerderheid zou het wel tot het takenpakket moeten behoren. Verpleegkundigen zijn in de praktijk geregeld getuige van mogelijke nevenwerkingen, maar ze ondervinden heel wat moeilijkheden bij het vaststellen van die effecten”, legt Tinne Dilles uit. “Te weinig informatie van de artsen, een gebrek aan aandacht bij de verpleegkundigen en onvoldoende kennis over de bijwerkingen van geneesmiddelen, verstoren een adequate opvolging.”
Het onderwerp zelf wordt nauwelijks behandeld in de opleiding. De studenten voelen zich vaak onvoldoende voorbereid om de zorg voor geneesmiddelen van een patiënt op te nemen. Een test bij afstuderende verpleegkundigen demonstreerde bovendien een gebrek aan farmacologische kennis en een tekort aan vaardigheden om de juiste dosis van medicatie te berekenen. Om verpleegkundigen bij te staan in het proces van observatie en rapportering, werd daarom een hulpmiddel ingeschakeld. Een softwareprogramma, de Trigger Tool, geeft per geneesmiddel een lijst met eventuele neveneffecten die bij een bepaalde patiënt kunnen voorkomen. Via een gestandaardiseerd formulier kan de verpleegkundige zijn bevindingen vervolgens doorgeven aan de behandelende artsen. “Op die manier kan de arts een verband zien tussen de ongewenste effecten en het voorgeschreven medicijn. Zo kan hij tijdig de therapie bijsturen om mogelijke gezondheidsschade te vermijden .“
Uit de eerste testen van de Trigger Tool bleek dat ongeveer de helft van alle door verpleegkundigen geobserveerde complicaties bevestigd werd door de arts. “Verpleegkundigen leverden dus een belangrijke bijdrage in de screening van zulke problemen. De implementatie van het hulpmiddel in de praktijk vraagt echter nog een verdere verfijning van het project. Samen met de verbetering van de opleiding kan dat de rol van de verpleegkundige gevoelig versterken”, besluit Dilles.
Meer weten? Tinne Dilles: Tinne.Dilles@ua.ac.be
|
|
|
|
|
Christine Van Broeckhoven
van VIB (Vlaams Instituut voor Biotechnologie) en de Universiteit Antwerpen
ontvangt op dinsdag 15 mei in New York een Award for Medical Research van de
Metlife Foundation voor haar baanbrekend onderzoek naar de ziekte van Alzheimer
en verwante aandoeningen. Deze prestigieuze wetenschappelijke prijs wordt
jaarlijks uitgereikt aan uitzonderlijke onderzoekers. Het substantiële bedrag
dat vasthangt aan deze prijs moet onderzoekers in staat stellen om zonder
restricties nieuwe onderzoeksideeën in de strijd tegen dementie uit te werken.
Donald L.
Price
, voorzitter van de jury:
“Christine Van Broeckhoven is een pionier in de genetica van complexe
neurologische hersenziekten zoals dementie. Haar onderzoek heeft essentiële
informatie geleverd over de genetische risicofactoren die een rol spelen in
Alzheimer en andere klinische subtypes van dementie en hun rol in de biologie
van de ziekte. Deze resultaten zijn startpunten voor een betere diagnose van
dementie en voor het ontwikkelen van nieuwe therapieën. Het onderzoek van
Christine Van Broeckhoven is vernieuwend en heeft ons beeld van de ziekte
drastisch veranderd.”
Christine Van
Broeckhoven
: “Wetenschappelijke
prijzen zijn belangrijk om twee redenen. Ze zorgen voor de nodige aandacht
voor de ziekte en voor de patiënten en hun families die er door getroffen
worden. Ze tonen ook aan dat wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk is om
hoop te creëren op een betere toekomst.”
Christine Van Broeckhoven is
professor in moleculaire biologie en genetica en als departementsdirecteur en
onderzoeker verbonden aan VIB en de Universiteit Antwerpen. Haar
onderzoeksgroep legt de focus op moleculair genetisch onderzoek van
neurodegeneratieve hersenziekten zoals de ziekte van Alzheimer en
frontaalkwabdegeneratie, maar ook de ziekte van Parkinson. Deze hersenziekten
zijn gekenmerkt door het massaal afsterven van hersencellen. De oorzaken zijn
nog onvoldoende in kaart gebracht. Dat genetica een rol speelt werd pas goed
bekend door het pioniersonderzoek van Christine Van Broeckhoven en haar team.
Zij zoeken bij patiënten naar wijzigingen in het DNA die hun verhoogd risico op
de ziekte kunnen verklaren. Deze zoektocht heeft belangrijke kennis opgeleverd
over de biologie van het ziekteproces in de hersenen. Zo toonden zij bijna 30
jaar geleden aan dat genetische schrijffouten in de erfelijke code van het
amyloïde leiden tot alzheimerdementie. Daardoor wordt vandaag het amyloïde
beschouwd als de sleutel tot een nieuwe alzheimertherapie. Recenter genetisch
onderzoek in frontaalkwabdegeneratie identificeerde twee nieuwe sleutels
(granuline en C9orf72), die nu volop onderzocht worden op hun rol in het
afsterven van hersencellen. Al deze genetische resultaten vormen vandaag de
hoeksteen voor de ontwikkeling van nieuwe therapieën die de hersencellen langer
gezond moeten houden. In de toekomst zal kennis van het genetische
risicoprofiel ook kunnen bijdragen tot een vroegere detectie en behandeling van
personen met een hoog risico.
|
|
|
|
|
Vandaag behaalde auteur, vormgever en curator Hans Theys met het proefschrift ‘Het Kijkbeeld. Een pleidooi voor een meervoudige benadering van de wereld, vertrekkend van bijzondere zoekbeelden bij enkelingen, ontdekt en beschreven op basis van deelnemend kijken’ de graad van doctor in de Kunsten aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen (Artesis Hogeschool). Met een publicatie over het schrijven, grafisch vormgeven, filmen en foto’s maken als vorm van participerende observatie doctoreert Hans Theys. Hij voegt een synthetisch overzicht toe aan zijn praktijk als auteur, grafisch vormgever, filmer en fotograaf zoals die de laatste 25 jaar gestalte heeft gekregen in honderden pogingen (bepaalde aspecten van) het oeuvre van hedendaagse kunstenaars zichtbaar en inzichtelijk te maken voor buitenstaanders en soms ook voor de kunstenaars zelf. Soms leidde dit tot een grotere belangstelling voor (een bepaald deel van) een oeuvre vanwege auteurs, curatoren of galeriehouders, soms leidde dit tot een nieuwe ontwikkeling in het oeuvre. Bovenal, echter, leidde dit voor de auteur tot nieuwe inzichten in de bestudeerde onderwerpen. In dat opzicht vormt Theys’ oeuvre een samenhangend geheel dat van een grote originaliteit getuigt. De verdediging van het artistieke doctoraat vond plaats aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen, waar in de Wintertuin een expo ‘The Elgin Marbles’ loopt, een samenwerking tussen Hans Theys en de jonge kunstenaar en Masterstudent Kasper Bosmans (loopt nog tot dinsdag 22 mei 2012). Voor deze gelegenheid werd ook een expo van Hans’ oeuvre samengesteld in het Tekenlokaal op de tweede verdieping van de Academie. De uitgave van het proefschrift is een samenwerking tussen Uitgeverij EPO en Track Report (platform voor het publiceren van onderzoek in de Beeldende Kunsten). Promotoren van dit onderzoek: Johan Pas (Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen) en Herman Van Goethem (Universiteit Antwerpen) Juryleden: Berlinde De Bruyckere (Kunstenaar), Luc Derycke (boekenmaker, MER), Ann Van Sevenant (filosoof en publicist), Geert Lernout (Universiteit Antwerpen) Voorzitter: Henk Desmaele (Universiteit Antwerpen) Meer info: Hans Theys – hans.theys@skynet.be Meer info: www.hanstheys.be http://www.hanstheys.be/about_theys/books/index.htm www.track-report.be
|
|
|
|
|
Bioloog Universiteit Antwerpen filmt uitgestorven roofdier in provinciaal natuurgebied Rupelstreek Doorbraak in natuurherstel: de otter duikt na 20 jaar weer op in Vlaanderen Wetenschappelijk onderzoek toonde al aan dat de waterkwaliteit in Vlaanderen gestaag verbetert, maar nu is er ook een ander onomstotelijk bewijs: de otter is terug. Het roofdier was sinds de jaren tachtig niet meer waargenomen in onze contreien, maar nu wist Kristijn Swinnen, onderzoeker van de Universiteit Antwerpen, er eentje voor zijn camera te krijgen. De viseter liet zich betrappen in een door de provincie Antwerpen beheerd natuurgebied in de Rupelstreek. Natuurkenners zien dit als een doorbraak in het natuurherstel en de vele maatregelen naar biodiversiteit. Zowel het Antwerpse provinciebestuur, de Universiteit Antwerpen, het Agentschap voor Natuur en Bos, het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek als Natuurpunt zijn in de wolken met de waarneming van de otter. Uitgestorven in Vlaanderen: zo luidde in 2010 de conclusie van de Zoogdierenwerkgroep van Natuurpunt. Die loofde 500 euro uit tijdens de actie Wanted Alive: een otter, maar gaf het geld bij gebrek aan een waarneming aan het ottervriendelijkste natuurreservaat: het Grote Netewoud. “Tot het einde van de jaren tachtig werd de Europese otter met zekerheid af en toe gezien in Vlaanderen, maar nadien niet meer”, vertelt Kristijn Swinnen (Universiteit Antwerpen). De wetenschapper plaatste speciale camera’s in heel Vlaanderen in zijn onderzoek naar de beverpopulatie. Recent leverden die camera’s het bewijs dat de bever zich opnieuw voortplant in Antwerpen en Oost-Vlaanderen. De nieuwe waarneming is wetenschappelijk echter van veel grotere waarde: “Dat er plots een otter in beeld opdook, is onverwacht. In Wallonië konden camera’s op twee jaar tijd geen otters registreren, maar in een moerasgebied aan de Rupel was het wel raak. Of het dier op doortocht was of nog in het domein verblijft, is moeilijk te achterhalen. Otters laten amper sporen na en kunnen lang onopgemerkt blijven. Het dier is immers vooral ’s nachts actief, en één otter kan een groot gebied bestrijken. Bij een recente zoektocht in het gebied, een samenwerking tussen de Zoogdierenwerkgroep van Natuurpunt, provincie Antwerpen en Universiteit Antwerpen, werd er maar één mogelijk spoor aangetroffen.” Geïntegreerd provinciaal waterbeleid werpt vruchten af De opmerkelijke verschijning van de otter is voor de provincie Antwerpen een duidelijk bewijs dat de jarenlange inspanningen vruchten beginnen af te werpen. “Wij investeren jaarlijks in werkzaamheden die de biodiversiteit van onze beekvalleien moeten verbeteren”, legt gedeputeerde voor Leefmilieu Rik Röttger uit. “Door die inspanningen neemt het aantal vissoorten toe, en vis is nu net wat de otter het liefste eet. De provincie streeft op dit vlak een geïntegreerd waterbeleid na, waardoor het voor diersoorten zoals de otter ook mogelijk is om zich over langere afstanden te verplaatsen.” “Het provinciale groendomein waar de otter is gespot, is bovendien een prachtig voorbeeld van een recyclagegebied. Door de ontginning van turf zijn de putten ontstaan, daarna werd het gebied een open riool en een stort van industriële afvalstoffen. De voorbije 15 jaar heeft het provinciebestuur de natuur de kans gegeven zich te herstellen. Het resultaat is een mozaïek van diverse biotopen met een rijke flora en fauna. Naast de otter vinden ook heel wat zeldzame vogels hier een broedplaats.” De provincie benadrukt nog dat ze de rust van het domein te allen tijde wil garanderen. Plaats voor grootse natuur in Vlaanderen Ook Natuurpunt reageert verheugd. “De vondst van de otter toont aan dat er plaats is voor grootse natuur in Vlaanderen”, zegt directeur Chris Steenwegen. “Maar om de otter de kans te geven zich hier permanent te vestigen, moet er werk gemaakt worden van een netwerk van kleine natuurgebieden langs onze waterwegen. Dat zal ook helpen om de uitwisseling met andere populaties te verzekeren. De dichtstbijzijnde otters bevinden zich meer dan honderd kilometer en meerdere gevaarlijke snelwegen verder. Er is absoluut nood aan deze microreservaten. Ook voor andere fauna en flora zijn die plekjes erg nuttig om van het ene gebied in het andere te geraken.” Voor het Agentschap voor Natuur en Bos is de teruggekeerde otter een sterk argument om het natuurherstel in de regio een extra duw in de rug te geven. Via het Strategisch Project Rupelstreek ondersteunen de Vlaamse overheid en het Antwerpse provinciebestuur de realisatie van een groot natuurgebied met open water en moeras, gaande van De Schorre in Boom tot de E19. “Dat moet uitwisseling mogelijk maken met andere natuurgebieden in de streek”, legt Daniel Josten uit. “Ook de slikken en schorren die aan de Dijlemonding gecreëerd worden voor het Sigmaplan, en de steeds betere waterkwaliteit van de Rupel kunnen de otter een mooie toekomst in Vlaanderen garanderen.” Meer weten?
| Universiteit Antwerpen: | Kristijn Swinnen | 0494 66 13 17 | | Provincie Antwerpen: | Rik Röttger (gedeputeerde leefmilieu) | 03 240 52 55 | | Provincie Antwerpen: | Didier Soens (directeur dienst waterbeleid) | 0478 47 45 82 | | Natuurpunt: | Joris Gansemans (diensthoofd communicatie) | 0472 59 40 67 | | Agentschap voor Natuur en Bos: | Dirk Bogaert (woordvoerder) | 0499 86 53 10 |
Het filmpje van de otter en fotomateriaal over het dier staan ter beschikking van de media op www.ua.ac.be/kristijn.swinnen Op die pagina vindt u ook links naar diverse websites met informatie over de otter.
Wild (in) Vlaanderen - 27 mei – Hasselt Om zoogdieren en verbindingen tussen natuurgebieden nog eens extra in de schijnwerpers te zetten organiseert de Zoogdierenwerkgroep van Natuurpunt in samenwerking met de stad Hasselt op zondag 27 mei ‘Wild Vlaanderen’. De bezoeker kan er kennis maken met heel wat wilde en minder wilde zoogdieren, van everzwijnen en dassen tot schapen en galloways. Meer informatie op www.wildvlaanderen.be.
|
|
|
|
|
Doctoraat
van Jan Buelens (Universiteit Antwerpen) biedt oplossing voor maatschappelijk
probleem
“Collectief
overleg voor onderaannemers kan veel oplossen”
Heel
wat bedrijven doen vandaag de dag een beroep op onderaannemers. Een logische
evolutie, want naast uitzendarbeid is onderaanneming een van de methodes om de
arbeidsorganisatie te flexibiliseren. Helaas gaat het systeem heel vaak gepaard
met wanverhoudingen op de werkvloer, en soms zelfs regelrechte fraude. (Onder)aannemingsverhoudingen
hebben hun plaats veroverd in het economisch bestel. Vaak is de situatie het
gevolg van een outsourcing van bepaalde activiteiten, maar dit hoeft niet zo te
zijn. In tegenstelling tot vroeger integreert een onderneming niet alle
functies, maar opereren bedrijven door middel van een complex netwerk aan
verhoudingen. Door deze opdeling van de onderneming zijn deze (onder)aannemers
vaak KMO’s en bestaat er geen werknemersvertegenwoordiging.
De
laatste jaren werd de aanwezigheid van (onder)aannemingsverhoudingen bovendien
meer dan eens geassocieerd met vormen van sociale fraude, zoals de recente
onderzoeken bij NMBS, Quick en Carestel aan het licht brachten. Zelfs indien er
geen sprake is van sociale fraude worden werknemers van (onder)aannemers anders
behandeld dan die van de opdrachtgever, ook als ze op hetzelfde terrein
werkzaam zijn. “Dit geeft niet alleen problemen op het vlak van veiligheid en
gezondheid, maar leidt ook tot een sociale differentiatie wat betreft loon- en
arbeidsvoorwaarden”, stelt Jan Buelens die zijn proefschrift op 10 mei aan de
Universiteit Antwerpen verdedigde.
In
zijn proefschrift gaat de auteur na welk juridisch antwoord kan worden geboden
op deze reële maatschappelijke uitdaging. Centraal wordt nagegaan of het huidige collectief overleg is afgestemd op (onder)aannemingsverhoudingen.
Meer concreet wordt onderzocht hoe werknemers van (onder)aannemers betrokken
kunnen worden bij de overlegorganen van de opdrachtgever (ondernemingsraad,
comité voor preventie en bescherming op het werk, vakbondsafvaardiging). Deze
oefening gebeurt zowel op Belgisch als Europees vlak. Jan Buelens haalde
vooral inspiratie uit Frankrijk.
“Na
de ontploffing van een chemische fabriek te Toulouse -waarbij onderaanneming
als een risicovolle factor werd geanalyseerd- werd bijvoorbeeld een specifiek
comité voor preventie en bescherming op het werk gecreëerd, waarin zowel
vertegenwoordigers van de opdrachtgever als van de onderaannemer langs
werkgevers- en werknemerszijde zetelen. Dit wetgevend arsenaal werd onlangs nog
versterkt”, stelt de auteur.
“Nieuw
model voor collectief overleg kan problemen vermijden”
Aangezien
het huidige collectief overleg onvoldoende in staat is om (onder)aannemingsverhoudingen
te omkaderen, ontwerpt Jan Buelens een model voor collectief overleg in
(onder)aannemingsverhoudingen. Daarbij laat hij de bestaande overlegorganen
functioneren, maar werkt hij op gedetailleerde wijze interoverlegstructuren uit
die het overleg tussen de respectieve werkgevers en
werknemers(vertegenwoordigers) kunnen vormgeven. In hetzelfde kader wordt
stilgestaan bij een uitbreiding van de informatie- en
raadplegingsverplichtingen naar (onder)aannemers toe en de mogelijkheid van
gemeenschappelijke collectieve arbeidsovereenkomsten of akkoorden. Het model
krijgt zowel vorm op Belgisch als op Europees vlak.
Buelens
vervolgt: “Op dit moment voorziet de Welzijnswet al dat er moet worden
samengewerkt tussen ondernemingen als ze betrokken zijn bij werkzaamheden op
eenzelfde arbeidsplaats. Het is van essentieel belang dat de werknemers daar
ook bij worden betrokken. Nu al bestaan er experimenten in die zin, zoals bij
BASF te Antwerpen. Het komt erop aan deze experimenten te veralgemenen.”
Het
proefschrift vult een lacune op in de arbeidsrechtelijke literatuur. Tegelijk
heeft het oog voor de maatschappelijke dimensie van het probleem en stelt het
oplossingen op maat voor.
“Als
werknemers van onderaannemers in de collectieve structuren van opdrachtgevers
zouden zijn vertegenwoordigd, zou dit de bestaande problemen sterk kunnen
verminderen. Natuurlijk bestaan er ook andere technieken, zoals een hoofdelijke
aansprakelijkheid voor lonen, die zopas in de Belgische wetgeving vorm kreeg. Gelet
op de ernst van de problematiek is het echter noodzakelijk dat er een geheel
aan maatregelen wordt genomen, waarbij een hernieuwd collectief overleg een
centrale plaats dient in te nemen”, zo besluit Jan Buelens.
Meer
weten?
Dr.
Jan Buelens: jan.buelens@ua.ac.be.
|
|
|
|
|
|
Beste journalist
Er is een doorbraak in het natuurherstel en de vele maatregelen naar biodiversiteit in Vlaanderen. Na 20 jaar is een verdwenen roofdier opgedoken voor een camera van onderzoekers van de Universiteit Antwerpen in een groendomein van het Antwerpse provinciebestuur! De provincie Antwerpen, de Universiteit Antwerpen, het Agentschap voor Natuur en Bos en Natuurpunt nodigen de pers dan ook graag uit op een persconferentie op dinsdag 15 mei om 10 uur in Willebroek. Daar wordt officieel bekendgemaakt om welk roofdier het gaat. De beelden van de waarneming worden getoond en ter beschikking gesteld aan de media. Daarna wordt een bezoek gebracht aan het natuurdomein. De persconferentie vindt plaats in eetkaffee Sacchetti’s (Sasplein 9 in 2830 Willebroek). Info: www.sacchettis.be
10 uur: |
Toelichting door Universiteit Antwerpen |
10.15 uur: |
Toelichting door Provincie Antwerpen |
10.25 uur: 10.30 uur: |
Toelichting door Natuurpunt Toelichting door Agentschap voor Natuur en Bos |
10.35 uur: |
Bezoek aan provinciaal groendomein |
11.30 uur: |
Einde |
Meer weten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be en 0476 20 07 54 Hilde Verhelst, persattaché provincie Antwerpen: hilde.verhelst@admin.provant.be en 0473 70 78 10
|
|
|
|
|
Dat
maatschappelijk verantwoord ondernemen leeft bij bedrijven, heeft de
Universiteit Antwerpen goed begrepen. Sinds vorig jaar krijgen de
masterstudenten Handelsingenieur het verplichte vak
Forum Technologie en Management/Beleid. Daarbij
werken ze in groepjes van vier een consultingopdracht uit voor een non-profit
organisatie of een vzw. Een project met een hart en met potentieel, want waar
er vorig jaar 21 bedrijven meewerkten, zijn dat er dit jaar al 35.
Met deze unieke praktijkervaring wil de Universiteit Antwerpen haar
studenten een meer gevarieerde opleiding aanbieden. Het Forum biedt de
handelsingenieurs in spe een bredere kijk op de maatschappij en geeft hun de
kans om hun basiscompetenties aan te scherpen. “De projecten
zijn heel divers”, legt coördinator Jelle Van Camp uit. “Studenten kunnen
financieel advies geven door bijvoorbeeld een financieringsplan op te stellen of uitpluizen welke
subsidies kunnen aangevraagd worden. Maar ook supply-chain, marketing,
management en recht komen aan bod. Ze bieden hun kennis en kunde gratis aan en
leren zo dat ondernemen meer is dan winst maken.”
De studenten voelen aan dat dit een
goed initiatief is en een praktische aanvulling op
hun vaak theoretische opleiding. “De werkbelasting blijkt iets meer te zijn dan bij andere
vakken met evenveel studiepunten”, zegt Van Camp.
“Hierdoor wordt het opleidingsonderdeel vaak gezien als veeleisend en
tijdsintensief. Het hangt volledig af van de motivatie en interesse van de
student om een stapje verder te gaan, initiatief te nemen en uit te blinken met
een dergelijk consultingproject.”
Prinses
Mathilde Dat het Forum
deuren opent voor de studenten is zeker: enkele studenten en professoren hadden
de eer om tijdens het colloquium ter ere van het 25-jarig bestaan van Payoke
prinses Mathilde te ontmoeten. Zij was ten zeerste geïnteresseerd in
het initiatief van de universiteit.
Tijdens de Forumnamiddag op vrijdag 11 mei presenteren de
200 studenten aan de hand van een zelfgemaakte poster hun consultingproject.
Antwerps schepen Robert Voorhamme zal het Forum inleiden en de drie beste
projecten worden bekroond. Achteraf volgt een receptie waar bezoekers kunnen
napraten met de studenten en waar boekjes beschikbaar zijn die de resultaten
van de studenten bundelen. Praktisch:
Vrijdag 11 mei om 13.30 uur: Forum Technologie en
Management/Beleid in Gebouw C (lokaal C204) van de Stadscampus van de
Universiteit Antwerpen (Prinsstraat 13, 2000 Antwerpen). Journalisten zijn van harte welkom op de presentatie van
de projecten. Interviews met studenten en mensen van de diverse organisaties
zijn uiteraard mogelijk.
Meer weten?
Jelle Van Camp: 03 265 49 13 of jelle.vancamp@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
In Brasschaat werden maandagmiddag de vier Vlaamse projecten van het European Strategy Forum on Research Infrastucture (ESFRI) gelanceerd. Mevrouw Ingrid Lieten, Vlaams minister van Media, bezocht er de meettoren van het ICOS-ESFRI-project. In de bijlagen vindt u
|
|
|
|
|
Het
aantal echtscheidingen in Vlaanderen neemt nog steeds toe. De ouder-kindrelatie
na de breuk is een belangrijk aandachtspunt, want van beide ouders wordt
verwacht dat ze ook na de scheiding samen betrokken blijven bij de opvoeding
van de kinderen. De Belgische wetgeving heeft op dat vlak al enkele stappen
gezet, onder meer met het verblijfsco-ouderschap en de oprichting van een
dienst voor alimentatievorderingen. Maar
de wetgever kan verder gaan. Zo kent Nederland sinds 1 maart 2009 het
verplichte ouderschapsplan. Ouders die willen scheiden, moeten samen met de
aanvraag tot echtscheiding een plan voorleggen. Dat plan bundelt de afspraken
rond de verblijfplaats van de kinderen, het financiële plaatje, de verdeling
van zorg- en opvoedingstaken en zo verder.
Op
basis van de gegevens uit het onderzoek ‘Scheiding in Vlaanderen’ werd
nagegaan of de invoering van het Nederlandse ouderschapsplan ook in
België nodig en nuttig zou zijn. De onderzoekers gingen onder meer na wie de
betaling van buitengewone kosten voor zijn of haar rekening neemt en hoe de zorg-
en opvoedingstaken tussen de ouders geregeld worden. De cijfers zijn absoluut
interessant: zo blijkt bijvoorbeeld dat de kosten bij co-ouderschap vrij
evenwichtig verdeeld worden tussen beide ouders, maar dat er van een
kostenverdeling amper nog sprake is als het kind bij de vader of bij de moeder
woont.
De
onderzoekers stellen de resultaten en hun aanbevelingen graag aan u voor
tijdens een persconferentie op dinsdag 8 mei om 10 uur in de Pieter
Gilliszaal op de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen. Adres: Prinsstraat
13B te 2000 Antwerpen.
De
route vindt u hier .
Meer
weten?
Peter De
Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be en 0476 20 07
54.
|
|
|
|
|
Olivier Beauchard (Universiteit Antwerpen) onderzocht gecontroleerd getijdensysteem in polders
Nieuwe techniek komt natuur in overstromingsgebieden ten goede
Risicogebieden beschermen tegen overstromingen is één zaak, maar dat op een ecologisch verantwoorde manier doen is geen evidentie. De vernuftige techniek waarbij in overstromingsgebieden een gecontroleerd gereduceerd getij (GGG) wordt gecreëerd, biedt de ideale oplossing. Olivier Beauchard (Universiteit Antwerpen) onderzocht in zijn doctoraat de invloed van de GGG-techniek en kwam tot spectaculaire resultaten.
Toen de Schelde in 1976 uit haar voegen barstte, werd het Sigmaplan opgesteld. Dit plan, de evenknie van het Nederlandse Deltaplan, moet Vlaanderen beschermen tegen overstromingen. Maar indijken alleen is niet voldoende: internationale regelgevingen en beleidsmakers schrijven ook voor dat intergetijdengebieden hersteld moeten worden omdat dit de habitat van flora en fauna ten goede komt.
“De hoge stroomsnelheden in de nauwe Schelde hebben een nefaste invloed op de ecologische habitat”, legt Olivier Beauchard (Vakgroep ECOBE, Departement Biologie Universiteit Antwerpen) uit. “Het aanleggen van overstromingsgebieden waar de mens zelf de waterstand regelt, biedt hier een oplossing. In de Sigmaprojecten Lippenbroek enKruibeke werd de innovatieve GGG-techniek toegepast. De gevolgen van deze techniek op de biotoop waren indrukwekkend.”
Veilig en duurzaam Via een sluizenconstructie staat het overstromingsgebied in contact met de Schelde, zodat er bij elk hoogtij water in het gebied stroomt, wat er bij laagtij weer uit vloeit. De sluizen zijn ontworpen om een waterregime in het gebied te krijgen dat aanleunt bij het regime in natuurlijke slikken en schorren langs de Schelde. Het overstromingsgebied krijgt op deze manier zowel een veiligheidsfunctie als een natuurontwikkelingsfunctie. (zie infografiek)
Vanaf de aanleg werd dit gebied intensief onderzocht. Dit doctoraat is het derde in een reeks lopende onderzoeken in de groep onder leiding van prof. Patrick Meire. “Het GGG-project werd opgestart in 2006 en zes jaar later is de diversiteit aan dier- en plantensoorten enorm toegenomen”, bevestigt Olivier Beauchard. “ Daarenboven verbetert de specifieke hydrologie van het GGG de nutrientencyclus en draagt het gebied bij tot de kwaliteit van het rivier. Er is ook een rijke en stabiele gemeenschap van ongewervelden en vogels. Het is op korte tijd een duurzame, zelfregulerende habitat geworden. De GGG-techniek heeft een zeer hoog potentieel voor het herstel van intergetijdengebieden.” Internationaal potentieel Door de huidige klimaatsveranderingen zal de zeespiegel blijven stijgen en zullen er extreme weersomstandigheden voorkomen. “Het GGG-systeem kan als voorbeeld dienen voor andere overstromingsgebieden in de wereld”, besluit Olivier Beauchard. “Maar liefst 39 procent van de wereldbevolking woont langs kustgebied waar overstromingsgevaar heerst. De GGG-techniek is een ideaal middel ter bescherming van zowel mens als natuur.”
Deze Vlaamse innovatie zal een belangrijke rol spelen in de internationale overstromingsproblematiek en zet met haar positieve gevolgen voor mens en natuur letterlijk en figuurlijk zoden aan de dijk.
|
|
|
|
|
|
Beste journalist De Vlaamse kenniseconomie heeft internationaal een prima reputatie. Die is grotendeels te danken aan het hoge niveau van ons wetenschappelijk onderzoek. In dat onderzoek moet blijvend geïnvesteerd worden, en die boodschap heeft de Vlaamse regering absoluut begrepen. Zo neemt Vlaanderen deel aan het European Strategy Forum on Research Infrastructures, kortweg ESFRI. Het forum zorgt voor de financiële ondersteuning van grote wetenschappelijke projecten. In Vlaanderen gaat het om vier projecten: 1. ESS (European Sociaal Survey): bevraagt Europese burgers over belangrijke maatschappelijke thema’s en wil zo een databank opbouwen met informatie over opinies, attitudes en gedragspatronen van Europese burgers. 2. LIFEWATCH: wil met revolutionaire technologieën en computersystemen het leven op het land en in de zee continu opvolgen. 3. SHARE (Survey of Health, Ageing and Retirement in Europe): brengt individuele data over de levensomstandigheden van 62 000 vijftigplussers in twintig Europese landen in kaart. 4. ICOS (Integrated Carbon Observing System): zal de broeikasgasbalans van het Europese continent in de komende twintig jaar monitoren, en zo leiden tot een beter begrip van klimaatveranderingen en de impact op ecosystemen. Mevrouw Ingrid Lieten, Vlaams minister van Innovatie en Overheidsinvesteringen , stelt de vier Vlaamse projecten graag aan u voor tijdens een persontmoeting op maandag 7 mei om 15 uur in Brasschaat. Het eerste gedeelte (aan de ICOS-meettoren in het bos) is voor fotografen en cameramensen visueel het aantrekkelijkste. De details over het programma vindt u in de bijgevoegde uitnodiging. Wij verwachten u aan de ESFRI-ICOS meettoren in het Bos ‘De Inslag’. Adres : Bredabaan 877, 2930 Brasschaat (toegangsweg tussen bowling Blueball en Hotel De Inslag). Parkeren kan in de dreef naar de meettoren of op de parking van bowling Blueball.
|
|
|
|
|
Sandra Dom (Universiteit Antwerpen)
schrijft doctoraatsscriptie die doet jeuken
Vroege leven bepaalt ontwikkeling astma
en allergieën
Steeds meer mensen hebben last van astma en allergieën.
Erfelijkheid speelt daarbij een belangrijke rol, maar minstens even belangrijk
zijn de omgevingsfactoren. Over deze laatste schreef Sandra Dom,
doctoraatsstudente Geneeskunde aan de Universiteit Antwerpen, een verrassende
scriptie. Ze onderzocht hoe omgevingsfactoren in het vroege leven de
ontwikkeling van astma en allergieën bij kinderen beïnvloeden. De
socio-economische status van de ouders, de voedingskeuze, het
antibioticagebruik en de longfunctie spelen een belangrijke rol.
“Het onderzoek is gebaseerd op de PIPO-studie,”
legt Sandra Dom uit. “Die studie gaat ervan uit dat omgevingsfactoren
tijdsafhankelijk werken en daarom werden er meer dan 1000 kinderen in de studie
ingesloten al voor hun eigenlijke geboorte. Deze methode heeft als voordeel dat
het tijdstip van blootstellingen aan omgevingsfactoren, en de aanvang en het
verloop van bepaalde klachten zeer nauwkeurig gedocumenteerd kunnen worden.
Voorspellen welk kind last zal krijgen van welke klacht is echter nog steeds onmogelijk.”
Socio-economische status Uit de scriptie van Dom blijkt dat kinderen van ouders met
een hoge socio-economische status meer aanleg hebben voor overgevoeligheid dan
kinderen van ouders met een lage socio-economische status. “Levensomstandigheden kunnen het immuunsysteem
beïnvloeden. Als je op jonge leeftijd vaker bent blootgesteld aan infecties,
zal je immuunsysteem zich aanpassen en wordt de kans op astma en allergieën
kleiner,” legt de kersverse doctor uit.
Kinderen die geen aanleg hebben voor allergieën,
maar toch een piepende ademhaling vertonen, komen wel vaker voor bij ouders met
een lage socio-economische status. “Blootstelling aan tabaksrook en een lager
geboortegewicht komen meer voor bij lagere socio-economische klassen en kunnen
dit veroorzaken,” meent Dom.
Voeding De doctoraatsstudente bestudeerde ook het effect van voeding
in het vroege leven op de ontwikkeling van eczeem. Ze ontdekte dat borstvoeding
geen grote invloed had op het voorkomen van allergieën. De invloed van
borstvoeding op de ontwikkeling van eczeem bleek wel afhankelijk te zijn
van de overgevoeligheid van de ouders. Vooral wanneer ouders aanleg hebben voor
allergieën, werkt borstvoeding eerder beschermend voor eczeem.
Ook bij een vroege eerste blootstelling aan bijvoeding,
speelt de allergische status van de ouders een rol: vooral bij kinderen met
allergische ouders verlaagt dit het risico op eczeem.
Antibiotica Sandra Dom merkte een verschil tussen het effect van direct
en indirect antibioticagebruik op allergische symptomen. “Indirect
antibioticagebruik, tijdens de zwangerschap en via borstvoeding, verhoogt het
risico op allergie, terwijl een directe blootstelling aan antibiotica net
beschermend werkt,” licht Dom toe. “Het verschil is dat direct
antibioticagebruik, in tegenstelling tot indirect antibioticagebruik, vooraf
gegaan wordt door een infectie bij het kind. Aangezien verschillende studies
hebben aangetoond dat infecties kunnen beschermen tegen allergieën, is het
mogelijk dat het immuunsysteem reeds voldoende gestimuleerd is op het ogenblik
dat het kind een antibioticum toegediend krijgt,” verklaart ze.
Longfunctie Verder toonde ze aan dat de longfunctie en een
piepende ademhaling bij kinderen met elkaar in verband staan. Kinderen die
blijvend last hadden van ademhalingsklachten, hadden een slechtere longfunctie
dan kinderen die nooit of alleen op zeer jonge leeftijd ademhalingsproblemen
vertoonden.
Ten slotte bestudeerde ze ook welke factoren in
het vroege leven een invloed hebben op de longfunctie van kleuters. De
longfunctie bleek slechter te zijn bij kinderen die lageluchtweginfecties
hebben doorgemaakt, kinderen die antilichamen vormen tegen inhalatieallergenen
(huisstofmijt, kat, hond, gras- en boompollen), en kinderen met een kleinere
gestalte.
Conclusies Met haar scriptie toonde Sandra Dom aan dat het
effect van de omgevingsfactoren op het ziekterisico afhangt van de aanleg van
het kind, zijn of haar familiale voorgeschiedenis en het tijdstip van de
blootstelling. Een volgende belangrijke stap in de studie van astma en allergie
is het toetsen van deze bevindingen door middel van interventiestudies waarbij
verschillende blootstellingen in het vroege leven gewijzigd worden bij
individuen met een verhoogd risico.
|
|
|
|
|
Onderzoekers Universiteit Antwerpen zorgen voor goede
nachtrust patiënten
Wie op intensieve ligt,
draagt best oordopjes
Vele patiënten die op de afdeling
Intensieve Zorgen van een ziekenhuis verblijven, zijn na een paar dagen verward
en prikkelbaar omdat hun zintuigen overbelast worden. Het voortdurende lawaai
van mensen die komen en gaan, het rinkelen van de telefoon en de geregelde
check-ups van het verplegend personeel onderbreken de slaap van de patiënt en
leiden tot een gebrek aan kwalitatieve remslaap. Maar wanneer men binnen de
eerste 24 uur na opname oordopjes gebruikt, vermindert het risico op hysterie
met 50 procent. Dat blijkt uit onderzoek van wetenschappers van de Universiteit
Antwerpen. Patiënten die oordopjes gebruiken, ontwikkelen ook pas later
verwarrende en hysterische gevoelens. Oordopjes zijn de beste en goedkoopste
manier om de slaap van patiënten op Intensieve Zorgen te verbeteren en
verwarring te voorkomen.
Meer weten?
Het volledige onderzoek verschijnt op vrijdag 4 mei in het
Britse medische tijdschrift Critical Care. Dr. Bart Van Rompaey (Universiteit Antwerpen): bart.vanrompaey@ua.ac.be en 03 265
29 15.
|
|
|
|
|
|
Nieuwe techniek van Universiteit Antwerpen legt verborgen schatten bloot
Rembrandthuis toont nooit geziene schilderijen uit de Gouden Eeuw
In december 2011 ontdekte men in het onderzoeksinstituut
European Synchrotron Radiation Facility (ESRF) een nieuw werk van de Nederlandse kunstschilder Rembrandt. Het schilderij uit 1630 getiteld "Oude man met baard" werd er gescand aan de hand van nieuwe röntgentechnieken, ontwikkeld door hoogleraren
Joris Dik (TU Delft) en Koen Janssens (Universiteit Antwerpen). Deze vernuftige techniek bracht nog meer verborgen schatten aan het licht. Al die nieuwe ontdekkingen worden van 3 mei tot en met 1 juli tentoongesteld in het Rembrandthuis in Amsterdam.
Dankzij de X-Ray Fluorescence (XRF)-techniek kan men pigmenten in verborgen verflagen detecteren en overschilderde voorstellingen fotografisch zichtbaar maken. Eerder werden met deze nieuwe techniek al spectaculaire ontdekkingen gedaan bij schilderijen van Francisco Goya en Vincent van Gogh. Van 3 mei tot en met 1 juli kan men in het Rembrandthuis een tiental werken van Rembrandt en zijn tijdsgenoten, onder wie Govert Flinck, Frans Hals, Jacob van Loo, Cornelis Vroom en Jan Breughel II bekijken. De tentoonstelling ‘Ontdekkingen -Verborgen verflagen worden zichtbaar’ zal dieper ingaan op de mogelijkheden die de XRF-techniek biedt. De dikwijls verrassende resultaten van de techniek worden er - aan de hand van foto's en een voor iedereen begrijpelijke uitleg - aanschouwelijk gemaakt. Zo kan een breed publiek kennis maken met de nieuwste ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek van schilderijen uit de Gouden Eeuw. Een voorbeeld: in het onderstaande authentieke schilderij van Rembrandt, getiteld "Tronie van een Oude man met Tulband" (1627/1628), werd naast de zichtbare handtekening (onderaan rechts) onder het oppervlak een tweede signatuur gevonden, uitgevoerd met hetzelfde pigment als degene aan het oppervlak. De positie van de overschilderende handtekening (ook rechts, maar ter hoogte van de ogen van de man met de tulband) suggereert dat dit schilderij initieel een andere compositie had, die mogelijk een personage met een korte baard omvatte.

(Links) Tronie van een Oude man met Tulband, Rembrandt, 1628/1629; (midden links) verdeling van het element kwik (rood pigment kwiksulfide); (midden rechts) verdeling van het element cobalt (blauw pigment smalt); (rechts) typische signaturen van Rembrandt Meer weten? http://www.rembrandthuis.nl/ Prof. dr. Koen Janssens: koen.janssens@ua.ac.be , 03 265 33 22.
|
|
|
|
|
Snavelvorm
van Darwinvinken heeft evolutionair belang
In zijn doctoraal proefschrift onderzocht Joris Soons
(Universiteit Antwerpen) voor het eerst het mechanische belang van de
snavelvorm van Darwinvinken. Dat leidt tot een beter inzicht in de sterke
selectie van de vogels.
De Darwinvinken zijn een schoolvoorbeeld van evolutie.
Charles Darwin ontdekte de vogels tijdens zijn tweede reis met de Beagle. Het
viel hem op dat ze hetzelfde uiterlijk hadden, maar een verschillende snavel.
Darwin concludeerde dat uit eenzelfde voorvader veertien soorten geëvolueerd
waren met verschillende snavels voor telkens andere ecologische doeleinden. Op die
manier speelden de vogels een belangrijke rol voor zijn boek The origin of
species. Joris Soons (Universiteit Antwerpen) onderzocht in zijn
doctoraatsscriptie het mechanische verband tussen de snavels en het vermogen om
zaden van verschillende grootte en hardheid te breken.
Voor het eerst slaagt iemand erin het mechanische belang van
de snavelvorm aan te tonen. Soons deed daarvoor een beroep op moderne
technieken. “We gebruikten X-stralenscans met een sterke vergroting om de vorm
zo nauwkeurig mogelijk op te meten”, verklaart Soons. “Met behulp van moderne
computersimulaties konden we vervolgens de interne belasting in de bek tijdens
het bijten berekenen. Het grote
voordeel van dergelijke computersimulaties is de mogelijkheid om in de computer
de bekjes even groot te maken, zodat alleen nog het effect van de vorm een rol
speelt. Zo toonden we aan dat de vorm van de bek erg belangrijk is. De
snavelvorm van vogels die harde zaden eten, is bijvoorbeeld veel steviger dan
de spitse bekjes van de insecteneters. Het geeft ons een beter inzicht in de
sterke selectie die bij Darwinvinken speelt.” “Deze techniek biedt heel wat
mogelijkheden voor de toekomst. In plaats van vogelbekjes kunnen we ook
simulaties van CT-beelden bij mensen maken. Het resultaat van een medische
ingreep kan zo op voorhand al berekend worden”, besluit Soons.
Meer weten?
Joris Soons (Departement Fysica):
joris.soons@ua.ac.be
, 03 265 34 38
|
|
|
|
|
Antwerpse
rechtenstudenten leveren sterkste advocaat-generaal in prestigieuze Europese
pleitwedstrijd
De
Universiteit Antwerpen kaapte afgelopen weekend de prijs voor beste advocaat-generaal
weg in de grote finale van de European Law Moot Court Competition. Dat
is een van de meest prestigieuze pleitwedstrijden ter wereld en het officieuze
wereldkampioenschap voor studenten Europees recht. In de European
Law Moot Court Competition bepleiten rechtenstudenten van over de hele
wereld een fictieve zaak over diverse onderwerpen van Europees recht voor het
Hof van Justitie.
“Begin november
moesten de studenten een schriftelijk werkstuk indienen”, vertelt dr. Christine
Janssens, die de studenten begeleidde. “Van de 90 teams werden er vervolgens 48
geselecteerd voor de vier regionale finales in Braga, Istanboel, Luxemburg en
Luzern.”
Het team van de
Universiteit Antwerpen won in februari zijn regionale finale in Luxemburg in de
categorie ‘advocaat-generaal’. Ze stootten zo voor de allereerste keer door
naar de grote finale en liet enkele prestigieuze universiteiten zoals Columbia
en de London School of Economics achter zich.
Afgelopen
weekend bekampten de winnaars van die regionale rondes elkaar in de grote
finale. Rechters van het Hof van Justitie, het hoogste rechtscollege van de
Europese Unie, beoordeelden wie zowel inhoudelijk als vormelijk het meest
overtuigende pleidooi bracht.
In de categorie
‘advocaat-generaal’ behaalde de Universiteit Antwerpen de eindoverwinning. “Er
heerste een ontzettend leuke teamspirit. Voor de studenten was het ook een erg
leerrijke ervaring. We hebben ze echt boven zichzelf zien uitstijgen”, besluit
Janssens.
Het Antwerpse
team bestond uit masterstudenten Jef Dupont, Laurens Guinée, Michiel Van Roey
en de winnende advocaat-generaal Olivier Van den Broeke. Hun coaches waren dr.
Christine Janssens, Lieve Hoornaert en prof. dr. Stefan Rutten.
Meer weten?
Dr. Christine
Janssens: christine.janssens@ua.ac.be of 03
265 54 92
Lieve Hoornaert:
lieve.hoornaert@ua.ac.be of 03 265
58 23
Prof. dr. Stefan Rutten: stefan.rutten@ua.ac.be of 03 265 54 94
|
|
|
|
|
Halen joggers en bierfiets het van buslijn 21?
Sinds
de hertekening van het Wilrijkse busnetwerk in november 2010 is de busverbinding
tussen de campussen Groenenborger en Drie Eiken van de Universiteit Antwerpen
een doorn in het oog van vele studenten en personeelsleden. De Studentenraad
Universiteit Antwerpen (SRUA) vindt het hoog tijd voor actie.
De
afstand tussen de buitencampussen bedraagt minder dan vier kilometer, maar de
bus doet daar 25 à 30 minuten over. Indien bus 21 vanaf halte Wilrijk Bist
verder zou rijden tot op het Universiteitsplein, zou deze reistijd flink
ingekort kunnen worden, maar iedereen moet verplicht overstappen in het centrum
van Wilrijk.
Bokes
op de bus
“Het is een probleem waar honderden studenten dagelijks mee te kampen hebben”,
legt Ben Van Duppen (coördinator sociaal SRUA) uit. “Vele studenten hebben in
de voormiddag les op de ene campus en in de namiddag op de andere. Daardoor
zijn studenten vaak verplicht om ’s ochtends hun boterhammen te smeren en die
op de bus op te eten als ze op tijd willen komen in hun les. Zelfs de website
van De Lijn geeft aan dat je beter te voet kan gaan dan met de bus! Ik ken ook
een extreem voorbeeld van een studente in een rolstoel die elke week een taxi
neemt om niet te laat te komen voor haar practicum. Voor haar is de verplichte
overstap aan Wilrijk Bist al helemaal een hel.”
Vóór
de hertekening van de Wilrijkse busroutes was er geen enkel probleem met de
verbinding tussen de buitencampussen. Meer nog, deze lijn werd het jaar ervoor
zelfs nog gepromoot als dé universiteitslijn, die alle campussen – ook de
Stadscampus in hartje Antwerpen - met elkaar verbond.
Ludieke
actie
Verscheidene overlegmomenten tussen de studenten, de beleidsmakers van de
universiteit en de provinciaal bestuurder van De Lijn leverden niets
constructiefs op. Daarom organiseert de Studentenraad Universiteit Antwerpen
(SRUA) op woensdag 25 april 2012 een ludieke actie om dit probleem
opnieuw aan te kaarten.
Om
12.50 uur zullen studenten op verschillende manieren (met een bierfiets,
te voet, al liftend, met de auto) racen tegen de lijnbus tussen Campus Drie
Eiken en Campus Groenenborger. Op die manier willen ze aantonen dat om het even
welke verplaatsingswijze sneller is dan het openbaar vervoer. De start is
op Campus Drie Eiken (aan gebouw N, Edegemsesteenweg 200). Bij aankomst
worden de racers opgewacht aan de parking van Campus Groenenborger (Groenenborgerlaan),
waar de Studentenraad een persmoment houdt.
“We
kregen al ongelooflijk veel reacties, zegt Ben Van Duppen. “Bijna duizend
mensen tekenden de petitie, het aantal likes op de Facebookpagina blijft stijgen
en ik verwacht heel veel volk om mee te racen woensdag. Deze actie zal niet
onopgemerkt voorbij gaan.”
Meer
weten?
Kevin
Wyckmans (voorzitter SRUA 2011-2012) – studentenraad@ua.ac.be
Ben Van Duppen (coördinator sociaal SRUA 2011-2012) – ben.vanduppen@student.ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Van 23 tot 27 april focust de Oceanenweek op de problemen van/in de wereldzeeën
Universiteit Antwerpen duikt een week lang onder water
Nog te weinig mensen zijn op de hoogte van de problemen die zich onder het wateroppervlak afspelen en welke gevolgen ze met zich meedragen. Om hieraan te verhelpen organiseert Sea First Foundation vzw samen met studentenkring Fabiant de Oceanenweek. De themaweek is toe aan haar tweede editie en zal dit jaar doorgaan aan de Universiteit Antwerpen. Een confronterend sensibilisatieproject met een boeiende line-up dat het belang van gezonde oceanen aankaart.
Op het eerste zicht lijkt er niets aan de hand. Wanneer je naar het strand gaat, is er nog steeds een zee waarin je kan zwemmen, waarop je bootje kan varen en je krijgt nog steeds vis op je bord. De echte problemen spelen zich onder de waterspiegel af. Tachtig procent van de visbestanden is volledig of gedeeltelijk overbevist, verscheidene vissoorten zijn met uitsterven bedreigd, de oceanen kampen met een zuurstoftekort, de CO2-uitstoot zorgt voor een sterke verzuring van het zeewater en bergen plastiek klonteren samen tot een grote plastiek soep. Dit alles maakt het vooruitzicht voor onze zeeën zeer somber.
“Dat de mensen niet wakker liggen van de oceanenproblematiek komt niet geheel als een verrassing”, zegt Judith Wouters, voorzitster van de Sea First Foundation. “Mensen krijgen vaak niet te zien hoe het leven onder de zee is. Buiten een jaarlijks uitstapje naar het strand, hebben de meeste mensen geen band met de zee. Onbekend is onbemind. Het belang van gezonde oceanen kan je pas inzien als je weet wat er zich onder de waterspiegel afspeelt. De Oceanenweek is de ideale gelegenheid om die onderwaterwereld eens in kaart te brengen”
Het tij keren Het programma bestaat uit een reeks lezingen door experten van binnen en buiten de universiteit, vertoningen van bekroonde oceaandocumentaires zoals Deep Blue en The Cove, een ludieke quiz en een interactief debat. “Oceanen moeten meer in de picture komen”, meent Judith Wouters. “Vanuit Sea First Foundation willen we vooral het onderwijs aanmoedigingen om de oceanen meer op te nemen in het lessenpakket. Het uiteindelijke doel is natuurlijk om gedragsverandering teweeg te brengen. Pas wanneer we oceanen erkennen als essentieel voor al het leven en actie ondernemen om deze te beschermen en te koesteren, kunnen we het tij nog keren.”
De Universiteit Antwerpen besloot alvast niet langer aan de kant te blijven staan. “Als eerste universiteit in Vlaanderen schrappen we tonijn van de menukaart in onze verschillende restaurants en cafetaria’s”, vertelt Catherine Ongenae, diensthoofd Catering. “De tonijn is een van de meest bedreigde vissen. Als we blijven consumeren zoals vandaag, is er binnen tien tot twintig jaar geen tonijn meer. Geen broodjes tonijnsla meer dus. Logisch, want je eet toch ook geen broodje tijger?” De maatregel past in een groter plan van de Universiteit Antwerpen om in de keukens duurzamer en ecologischer te werk te gaan. Volgend academiejaar start een pilootproject, onder begeleiding van Vredeseilanden. Niet alleen wat de voedingsmiddelen betreft, maar ook op het vlak van gebruikte materialen wil de Universiteit Antwerpen resoluut kiezen voor een milieubewuste aanpak.
Praktisch:
Van maandag 23 tot en met vrijdag 27 april 2012: Oceanenweek op alle campussen van de Universiteit Antwerpen. Een uitgebreid programma vindt u hier: http://www.oceanenweek.be/images/programma2012.pdf
Meer weten? Judith Wouters (Sea First Foundation): judithwouters@seafirst.eu Dorien Van Rooy (student Universiteit Antwerpen): Dorien.VanRooy@student.ua.ac.be Meer weten over het schrappen van tonijn van de menukaarten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be en 0476 20 07 54
|
|
|
|
|
|
Twintig scholen vochten boeiende strijd uit op Stadscampus Universiteit Antwerpen
Sint-Dimpnacollege uit Geel kroont zich tot Slimste School van Vlaanderen
Dat de jeugd van tegenwoordig alleen kan meepraten over Justin Bieber, Astrid Bryan en World of Warcraft, gaat alvast niet op voor de tachtig scholieren uit de laatste graad van het secundair onderwijs die vrijdagavond de finale van De Slimste School van Vlaanderen betwistten. Twintig scholen namen het tegen elkaar op, met het kwartet van het Geelse Sint-Dimpnacollege als grote triomfator.
De Slimste School van Vlaanderen is een nieuw initiatief van Enterbrainment en de Belgische Quizbond, met de steun van de Universiteit Antwerpen. Via de preselecties in de vijf Vlaamse provincies bereikten twintig scholen (vier per provincie) de grote finale. Die werd vrijdagavond 20 april afgewerkt op de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen.
Het werd een boeiende strijd op hoog niveau. Vragen over de Griekse mythologie en legendarische vorsten zoals Karel Martel wisselden af met hedendaagse vragen over K3 en Simon Gerrans. Het viertal van het Geelse Sint-Dimpnacollege nam al snel de leiding en gaf de koppositie ook niet meer af. Sint-Dimpna kroonden zich tot Slimste School van Vlaanderen, wat de vier ploegleden niet alleen een beker maar ook elk een iPad opleverde. De winnende school per provincie kreeg ook een trofee mee naar huis.
Organisator Steven De Ceuster blikt tevreden terug op de eerste editie van de Slimste School. “Het enthousiasme bij de deelnemende scholen was erg groot”, vertelt hij. “En tot onze vreugde waren ook de meisjes vrij goed vertegenwoordigd. Met dit initiatief willen we bewijzen dat een quiz ook jongeren kan boeien. Volgend jaar gaan we voor een tweede editie, met hopelijk nog meer scholen.”
De winnaars per provincie:
- Antwerpen: Sint-Dimpnacollege (Geel)
- Limburg: WICO campus Sint-Hubertus (Neerpelt) (achtste plaats)
- Oost-Vlaanderen: Koninklijk Atheneum (Dendermonde) (vierde plaats)
- Vlaams-Brabant: Don Bosco (Haacht) (derde plaats)
- West-Vlaanderen: Sint-Franciscus-Xaverius (Brugge) (tweede plaats)
Meer weten? Steven De Ceuster, erevoorzitter Belgische Quizbond: steven.deceuster@telenet.be of 0488 58 97 57. www.slimsteschool.be
|
|
|
|
|
|
Ere wie ere toekomt
In het kader van de Erfgoeddag 2012 organiseren de afdeling Historische Collecties van de Universiteitsbibliotheek Antwerpen en de bibliotheek van het Ruusbroecgenootschap de tentoonstelling Ere wie ere toekomt. Helden van vroeger beleven zo hun ‘moment de gloire’ nog een keertje.
Elke tijd heeft zijn helden. Er zijn bekende en onbekende helden, dode en levende helden, heiligen en idolen, volkshelden en persoonlijke helden. Ere wie ere toekomt wil de helden niet alleen in de kijker zetten, maar ook de verschillende manieren belichten waarop bekende en minder bekende figuren in het verleden gehuldigd en herdacht werden. Dankzij de erfgoedcollecties van de Universiteit Antwerpen krijgen helden van weleer op de Erfgoeddag de kans hun ‘moment de gloire’ te herbeleven. De tentoonstelling bestaat uit vijf luiken waarin telkens verschillende soorten ‘helden’ belicht worden. Voor drie van deze luiken lichten wij al een tipje van de sluier. Held van de dag Het eerste luik van de tentoonstelling focust niet zozeer op specifieke personen, maar eerder op gelegenheidsdrukwerk. “Vroeger werd er voor speciale gelegenheden zoals een communie, een huwelijk of een jubileum door familieleden of vrienden een kort tekstje of gedichtje geschreven,” legt Ellen Storms, conservator Historische Collecties, uit. “Je kan het vergelijken met het hedendaags sketchke dat zo nu en dan tijdens een feest wordt opgevoerd. Die losse tekstjes werden vaak gebundeld en in een kleine oplage gedrukt, om dan uitgedeeld te worden onder bekenden en genodigden. Het is opmerkelijk dat dergelijke drukwerkjes met een ‘vluchtig’ karakter de tand des tijds hebben doorstaan en ons een blik gunnen op een leuke traditie uit vroegere tijden.”
Vorstelijke helden feestelijk onthaald Een ander luik van de tentoonstelling gaat over vorstelijke helden. Sinds de late Middeleeuwen was het de gewoonte dat Europese vorsten bij hun kroning of inhuldiging hun plechtige of blijde intrede deden in de belangrijkste steden van hun rijk. Om de herinnering aan dit luisterrijke gebeuren te bewaren, was het de gewoonte dat elke grote stad een feestboek uitgaf. “In onze erfgoedcollecties bevinden zich onder meer drukken met een gedetailleerd verslag van de blijde intredes van Albrecht en Isabella, en van Ferdinand van Oostenrijk”, zegt Ellen Storms. “Deze boeken zijn rijkelijk geïllustreerd. Voor de blijde intrede van Ferdinand van Oostenrijk werkte Rubens zelfs mee aan de ontwerpen voor de versiering van de stad.”
De prijs is het bewijs
De prijs is het bewijs zoomt in op de traditie van prijsboeken. Het geven van een boek aan verdienstelijke leerlingen als beloning voor hun ijver, is een traditie die zich vanaf de zestiende eeuw geleidelijk ontwikkelde in de Latijnse scholen. De prijs, in de vorm van een fraai gebonden boek, was meestal bestempeld met het stadswapen en werd uitgereikt tijdens een feestelijke ceremonie. Praktisch: Ere Wie ere toekomt in de Universiteitsbibliotheek Antwerpen (Prinsstraat 13, 2000 Antwerpen). · Zondag 22 april, van 10 tot 18 uur (Erfgoeddag 2012): expo met rondleidingen in de Universiteitsbibliotheek om 11 uur, 14 uur en 16 uur · Maandag 23 april tot zaterdag 28 april: expo tijdens de openingsuren van de bibliotheek Meer weten? Ellen Storms (Universiteitsbibliotheek Universiteit Antwerpen): ellen.storms@ua.ac.beof 03 265 48 15.
|
|
|
|
|
|
Universiteit Antwerpen maakt 350 kinderen warm voor wetenschap
Met het initiatief Managers van diversiteit wil de Vlaamse
overheid een impuls geven aan projecten ter versterking van het inburgeringbeleid en het managen van diversiteit. Gedurende twee jaar sprong de
Universiteit Antwerpen mee op de kar met het wetenschappelijk project Kids in Reactie. Dat wil wetenschap onder de aandacht brengen van een diverse groep kinderen uit het zesde leerjaar. Om de scholen te bedanken voor hun medewerking, organiseert de universiteit op donderdag 19 april een groot slotevenement.
Maar liefst 350 kinderen zullen donderdag Campus Middelheim een bezoekje brengen voor het slotevenement van het Kids in Reactie-project. Drie wetenschappers van de universiteit zullen er een educatieve, maar ook geestige uiteenzetting rond wetenschap geven. Sofie Slaets (Chemie) zal de kinderen verbazen met verrassende scheikundige proefjes, Stijn Symens (Wiskunde en Informatica) zal goochelen met verwarrende wiskundige puzzels en raadsels, en Ouafik El Kasmioui (Biologie) komt vertellen over duurzame energie. Het geheel wordt aan elkaar gepraat door Patrik Claes van Spelenderwijs vzw.
Wetenschap als beroepsmogelijkheid “Via Kids in Reactie wilde de Universiteit Antwerpen allochtone en kansarme kinderen van het zesde leerjaar in Antwerpen en omgeving bereiken met een educatief pakket rond wetenschap”, legt Els Grieten (Universiteit Antwerpen) uit. “Het project wil de onderwijspositie van allochtone en kansarme kinderen versterken door de brug te slaan tussen wetenschapspopularisering en diversiteit. We hopen zo dat allochtone en kansarme kinderen de wetenschappelijke opleidingen in het hoger onderwijs en de bijbehorende beroepsmogelijkheden voor zichzelf als een optie zien.” De universiteit onderzocht met dit project in welke mate allochtone en kansarme kinderen verschillen in hun interesse, houding en opvattingen rond wetenschap. De projectresultaten zullen gebruikt worden om het denkkader van de Universiteit Antwerpen rond diversiteit en wetenschapspopularisering te verrijken en aan te passen. De aanbevelingen zullen ruim verspreid worden, om de diverse aanpak van wetenschappelijke activiteiten voor kinderen zo veel mogelijk te stimuleren.
Stereotiepen
“De meeste kinderen van twaalf jaar hebben een spontane nieuwsgierigheid”, vertelt Grieten. “Dit project is een kans om dat enthousiasme warm te houden. Je merkt dat vaak in clichés wordt gedacht over wetenschap en wetenschappers. Ook kinderen denken vaak dat wetenschap vooral bestemd is voor mannen of nerds. We hopen dat we de stereotiepen kunnen helpen doorbreken en die spontane interesse bij een diverse groep kinderen voor wetenschap warm kunnen houden.”
Praktisch:
Het slotevenement van Kids in Reactie vindt plaats op donderdag 19 april van 9 tot 11.30 uur in de Aula Jan Fabre in Gebouw G van de Campus Middelheim van de Universiteit Antwerpen (Middelheimlaan 1, 2020 Antwerpen).
Meer weten? Els Grieten: 03 265 31 27, 0487 37 15 09 of Els.Grieten@ua.ac.be
|
|
|
|
|
Strijd
om titel slimste school barst los
In
welke taal schreef men de meeste heilige Indische teksten uit het hindoeïsme en
boeddhisme? Waarvoor staat de afkorting ROFL tijdens het
chatten? Hoe heet de stad in de Spaanse autonome
regio Baskenland die de thuisbasis is van de eersteklasser Real Sociedad? Kom
het antwoord op deze en andere vragen te weten op de grote finale van de
Slimste School van Vlaanderen op vrijdag 20 april aan de Universiteit
Antwerpen. Voor de eerste keer in de geschiedenis nemen scholen het
tegen elkaar op voor de felbegeerde titel ‘Slimste School van Vlaanderen’. Dit
initiatief van Enterbrainment en de Belgische Quizbond vzw test de kennis van scholieren in de laatste graad van het secundair
onderwijs (5e en 6e jaar) over klassieke, schoolse onderwerpen, maar ook over
wat er ondertussen in de echte wereld gebeurt.
Twintig scholen wisten zich via de preselecties te
kwalificeren voor de finale. Elke deelnemende school stuurt een team van vier
scholieren die er de eer van hun school hoog moeten houden. De winnaars slepen
iPad’s in de wacht en er is een trofee voor de best presterende school per
provincie.
“De leerlingen zijn zelf heel enthousiast,” zegt Steven
De Ceuster,
erevoorzitter van de Belgische Quizbond. “Ze
vinden het leuk om eens te tonen wat ze allemaal weten. Velen hebben de indruk
dat hun kennis wordt onderschat door hun ouders. Ze willen ook tonen dat ze
veel afweten van zaken die ze buiten de schoolmuren leren”.
Universiteit
Waar kan een quiz beter doorgaan dan een universiteit? De Universiteit
Antwerpen zet de deuren van haar Stadscampus open en verwelkomt de leergierige
leerlingen in het historische Hof van Liere. “De Tassiszaal is een prachtige
locatie voor de finale van de quiz”, legt Steven de Ceuster uit. “Het is een
historische zaal uit de zestiende eeuw, maar ze heeft wel alle moderne snufjes
die je nodig hebt om zo’n quiz te organiseren. De Stadscampus ligt niet
alleen in het centrum van Antwerpen, maar is ook ideaal bereikbaar voor de
andere deelnemende provincies. Wie weet blijven enkele leerlingen er wel plakken
nu de studiekeuze voor volgend jaar nadert.”
Praktisch:
De grote finale van de “Slimste School van Vlaanderen”
vindt plaats op vrijdag 20 april op de Stadscampus van de Universiteit
Antwerpen (Prinsstraat 13, Antwerpen).
Journalisten zijn uiteraard van harte welkom. Het is
mogelijk om foto’s en filmopnamen te maken tijdens de quiz. Ook interviewtjes
met de deelnemers behoren tot de mogelijkheden.
Programma:
19u: Ontvangst van de ploegen in de Dürerzaal
20u: Start van de quiz in de F. de Tassiszaal
23.15u: Vermoedelijk einde van de quiz en einduitslag
De lijst van de gekwalificeerde scholen vindt u hier: http://www.slimsteschool.be/?page_id=103
Meer weten?
Steven
De Ceuster, erevoorzitter Belgische Quizbond: steven.deceuster@telenet.be.
|
|
|
|
|
Doctoraatsschool van de Universiteit Antwerpen lanceert haar
Adviesraad
Wat verwacht de
arbeidsmarkt van doctorandi?
In 2012 reikte de Universiteit Antwerpen bijna 150
doctoraatstitels uit. Een academische carrière behoort voor sommige doctores
tot de mogelijkheden, maar heel wat anderen gaan op zoek naar een uitdaging op
de arbeidsmarkt. De Antwerpse Doctoraatsschool wil doctores afleveren die
beantwoorden aan de verwachtingen van het arbeidsveld, en richt daarom een
Adviesraad op.
Negen op de tien Vlaamse doctores stroomt na het behalen van
de doctorstitel door naar de arbeidsmarkt. Daar krijgen ze vaak te maken met vooroordelen:
“te duur”, “te veel vakspecifieke kennis”, “overgekwalificeerd”. Voor de
universiteiten is het dus een uitdaging om doctores klaar te stomen die perfect
beantwoorden aan de verwachtingen van het werkveld.
De Universiteit Antwerpen heeft die boodschap alvast
begrepen. De doctoraatsopleiding bestaat twintig jaar, maar in 2011 werd de
Antwerp Doctoral School (ADS) opgericht. Een van de centrale doelstellingen is
de opleiding van doctoraatsstudenten af te stemmen op de arbeidsmarkt. Op
maandag 16 april wordt daarom de ADS Adviesraad opgericht. Die klankbordgroep
bestaat uit achttien leden, allemaal mensen met een verantwoordelijke functie
in verschillende sectoren van de arbeidsmarkt (ING, Deloitte, Procter &
Gamble, Selor,…).
Praktisch:
De Adviesraad van de Antwerpse Doctoraatsschool wordt
voorgesteld op maandag 16 april van 16.30 tot 19 uur in het Gebouw De
Grauwzusters op de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen (Lange
Sint-Annastraat 7 in Antwerpen). Journalisten zijn van harte welkom.
Meer
weten?
Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit
Antwerpen: 03 265 47 11 of peter.demeyer@ua.ac.be
www.ua.ac.be/ads
Hier vindt u het volledige programma en de samenstelling van
de Adviesraad:
16.30 Verwelkoming
16.35 De Antwerp
Doctoral School - Over competente onderzoekers en de waarde van het doctoraat
prof. dr. Patricia Popelier, Universiteit Antwerpen
16.45 About Values
and Behaviours of PhD associates in CR&D dr. Yves Geysels, Quintiles
17.05 Management
Consulting - an appealing career track for PhD’s
John Tiefel, Mc Kinsey
17.25 De Universiteit
Antwerpen-CareerCoach Loopbaanbegeleiding op basis van jouw waarden en
attitudes drs. Wouter
Van Bockhaven, Universiteit Antwerpen
17.45 Panelgesprek met
prof. dr. Cathy Berx, Gouverneur provincie Antwerpen
Dries Herpoelaert, Algemeen directeur KMDA, lid ADS Adviesraad
dr. Jan Adriaenssens, Raadgever innovatie en wetenschap kabinet minister Lieten
prof.dr. John-Paul Bogers, ZAP-coördinator ADS
dra. Sarah Verstraelen, Universiteit Antwerpen
18.30 Receptie Leden
ADS Adviesraad Thierry
Vanelslander (Actramar, Voorzitter)
Karel Vanroye (Buck Consultants International, Directeur België)
Jeroen Dossche (Capco, Partner)
Jurgen Kesselaers (Deloitte, Partner)
Paul Dujardin (Bozar, Directeur)
Katrien Van Eeckhoutte (Concertgebouw Brugge, Algemeen Directeur)
Roger Meulemans (Flanders Engineers, Partner)
Bruno Vanderborght (Holcim, Vice-President)
Wim Van der Beken (Idea Consult, Algemeen Directeur)
Stephan Geron (ING, Directeur)
Kris Verhulst (Procter & Gamble Europe NV/SA, Coördinator Supply Network
Innovation Centre)
Christine Daems (Selor, Innovation Manager)
Annie Vereecken (Sonic Healthcare Benelux, CEO)
Marc Van Sande (Umicore, Executive Vice-President Energy
Materials)
Johnny Van Der Straeten (UZA, Gedelegeerd Bestuurder)
Sonja Vanblaere (VIOE, RWO Vlaanderen, Administrateur-generaal)
Stefan Voorspoels (VITO, Research Programme Manager)
Dries Herpoelaert (Zoo / KMDA, Algemeen Directeur)
|
|
|
|
|
|
In zijn doctoraal proefschrift onderzocht Pieter Spooren
(Universiteit Antwerpen) de impact van studentenevaluaties in het Vlaams hoger
onderwijs. Het is de eerste keer dat er in Vlaanderen wordt nagegaan of
Students’ Evaluations of Teaching (SET) geschikt zijn voor de evaluatie van het
onderwijs.
Vrijwel alle Vlaamse instellingen voor hoger onderwijs maken
gebruik van SET-rapporten om de kwaliteit van hun onderwijs te waarborgen en
waar mogelijk te verbeteren. Er bestaan echter heel wat twijfels over de
betrouwbaarheid en geldigheid van deze evaluaties. In zijn doctoraatsonderzoek
spitste Pieter Spooren zich daarom toe op de verschillende aspecten van
studentenevaluaties.
Spooren bestudeerde onder meer welke factoren de resultaten
kunnen beïnvloeden. “Er bestaat bijvoorbeeld een duidelijk verband tussen de
SET-score en de examenscore van een student. Iemand die een hoger cijfer
behaalt, zal zijn professor positiever quoteren. Maar ook de leeftijd van een
student kan de SET-score beïnvloeden. Oudere studenten hebben meer maturiteit
en kennen het hoger onderwijs. Ze kiezen bewuster voor bepaalde vakken. Daarom
geven ze ook makkelijker hoge cijfers.”
Selectie-effect De onderzoeker ging ook systematisch op zoek naar vaste
antwoordpatronen in de evaluaties. Zo bestaat de kans dat respondenten akkoord
gaan met alle stellingen, ongeacht de inhoud of de vraagstelling. “Zo’n
antwoordpatroon kan een evaluatie ernstig vertekenen”, benadrukt Spooren. “We
hebben er dus alle belang bij dat het onderzoek naar dat fenomeen wordt verder
gezet.”
Toch vallen de resultaten enigszins te nuanceren. “Er treedt
onvermijdelijk een selectie-effect op omdat studenten vrij kunnen beslissen of ze deelnemen aan de
onderwijsevaluatie en of hun achtergrondgegevens gebruikt mogen worden voor
verdere analyse. Bovendien is het verband tussen enkele factoren en de
SET-score statistisch wel relevant, maar ook redelijk zwak.”
Dat
studentenevaluaties belangrijk zijn om de kwaliteit van het onderwijs te
waarborgen, valt evenwel niet te ontkennen. “Onderwijsevaluaties door
studenten zijn erg belangrijk. Ze kunnen, samen met de mening van
onderwijsexperts en andere docenten een grote rol spelen in de verbetering van
het onderwijs”, besluit Spooren.
Meer weten?
Pieter Spooren: pieter.spooren@ua.ac.be , 03 265 53
60.
|
|
|
|
|
|
Negende wereldcongres over bamboe vindt plaats op
Universiteit Antwerpen en in De Kolonie (Merksplas)
Bamboe
geeft zijn geheimen prijs
Van 10 tot en met 15 april 2012 vindt het World Bamboo
Congress plaats in Antwerpen. De World Bamboo Organisation (WBO) wil daarmee
het gebruik van bamboe en bamboeproducten promoten. De leden van de WBO zien bamboe als een alternatieve en
duurzame natuurlijke grondstof. Om het globale bewustzijn rond de plant te
versterken, organiseert het op regelmatige basis een congres. De organisatie
van de negende editie is dit jaar in handen van Ikebana (Internationaal
Kenniscentrum voor Bamboe – Noorderkempen en Antwerpen), een project van Oprins
Plant NV en het Departement Bio-Ingenieurswetenschappen van de Universiteit
Antwerpen.
“Het congres bestaat uit twee delen”, legt Geert Potters van
Ikebana uit. “Het wetenschappelijke luik gaat van 10 tot en met 12 april door
op de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen. Op het programma staan er heel
wat lezingen en een workshop. Zo fungeren we als forum en kenniscentrum om de
dialoog tussen onderzoekers, milieudeskundigen en beleidsmakers te bevorderen.”
Het tweede deel beoogt een meer open en toegankelijke sfeer.
Op 13, 14 en 15 april verzamelen verschillende artiesten, ontwerpers,
muzikanten en plantenliefhebbers zich in De Kolonie in Merksplas. “Je vindt er
tentoonstellingen, demonstraties, optredens en een plantenmarkt. Op
zaterdagavond houden we een groot dansfeest met een optreden van Take Dake
& the Indonesian Anklung
Orchestra. Een speciaal optreden, want al hun instrumenten zijn vervaardigd uit
bamboe”, besluit Potters.
Praktisch:
Het World Bamboo Congress gaat door van 10 tot en met 15
april 2012. Het eerste deel vindt plaats op de Stadscampus van de Universiteit
Antwerpen, het tweede in De Kolonie in Merksplas. Het volledige programma is te
vinden op www.worldbamboocongress.org .
|
|
|
|
|
|
Universiteit Antwerpen is
gastvrouw van veertigste ECPR Joint Sessions (10 - 15 april 2012)
Politicologen uit de hele wereld verzamelen in Antwerpen
Het European Consortium for
Political Research, de Europese vakvereniging van politicologen, organiseert iedere lente de prestigieuze Joint Sessions of
Workshops. Dit jaar valt de organisatie van deze conferentie te beurt aan de
Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen van de Universiteit Antwerpen.
Actieve workshops Met meer dan 650 deelnemende politieke
wetenschappers van over de hele wereld is The Joint Sessions of Workshops het grootste Europese congres in zijn genre en een niet te
missen wetenschappelijk event. Tijdens deze vijfdaagse conferentie volgen de
participanten een van de dertig workshops. Nagenoeg alle facetten van het
politiek wetenschappelijk onderzoek komen aan bod: gevolgen van de financiële
crisis, het arbeidsmarktbeleid in tijden van crisis, kiescampagnes in een
digitaal tijdperk, de ups en downs van de Europese integratie, rechten van
minderheden, verkiezingen en nieuwe trends, het veiligheidsbeleid in Europa, de
modernisering van de publieke sector, etc.
Universiteit en stad slaan de
handen in elkaar Bij de organisatie van deze ‘hoogmis voor
politicologen’ werkt de universiteit nauw samen met de stad Antwerpen. Zo
kunnen de deelnemers op hun enige vrije namiddag (vrijdag 13 april) gratis naar
de Zoo of de stedelijke musea gaan, of neemt een stadgids hen mee op
ontdekkingstocht door de Scheldestad. Ook ontvangt de stad de voorzitters van
de dertig workshops op het Schoon Verdiep.
|
|
|
|
|
|
Gidey Yirga (Universiteit Antwerpen) bestudeerde het dieet van hyena’s Vastenperiode van de mens beïnvloedt eetgedrag wilde dieren Er zijn nog steeds veel christenen die tijdens de vastenperiode vlees en zuivel van het menu schrappen. Maar Gidey Yirga, doctoraatsstudent aan de Universiteit Antwerpen, ontdekte dat een wijziging in het menselijk eetpatroon ook aanzienlijke gevolgen heeft op het eetgedrag van wilde dieren. Zijn onderzoek over het opmerkelijke dieet van gevlekte hyena’s in Ethiopië verschijnt in het toonaangevende Britse vakblad Journal of Animal Ecology . In Ethiopië duurt de vastentijd van de orthodoxe christenen 55 dagen. Tijdens die periode eten ze geen vlees en zuivel. Nu blijkt dat ook de lokale gevlekte hyena’s hun eetgedrag wijzigen tijdens die periode. “Hyena’s kunnen zich zeer goed aanpassen aan de omstandigheden”, legt Gidey Yirga uit. Hij is verbonden aan het departement Biologie van de universiteit van Mekelle (Ethiopië) en doctoreert momenteel aan de Universiteit Antwerpen. “Ze kunnen overleven in dichtbevolkte gebieden, maar evengoed in gebieden waar ze het moeten stellen met gelijk welk voedsel voor handen is. Hoewel hyena’s efficiënte jagers zijn, zijn het ook opportunisten die alles eten: van vogels, zoogdieren, vis en reptielen tot afval en mest. Hyena’s kunnen bijna alles wat organisch is eten, zelfs rottende kadavers en karkassen die besmet zijn met miltvuur. Op haren en hoeven na kunnen ze heel hun prooi opeten. Ook de beenderen worden bijna volledig verteerd. Hun spijsverteringsstelsel past zich aan naargelang wat ze eten.” In Noord-Ethiopië leven de hyena's in de buurt van dorpen en steden. Overdag houden ze zich schuil en 's nachts komen ze tussen de huizen zoeken naar eetbare resten. Ze gaan daarbij te werk als een echte vuilnisophaaldienst. Maar tijdens de vasten verandert de samenstelling van het afval. Om te ontdekken wat de hyena’s voor, tijdens en opnieuw na de vastenperiode aten, onderzocht Yirga de haarresten in de uitwerpselen van de dieren. Die vergeleek hij dan met het haar van andere dieren in de regio. Yirga verzamelde 553 uitwerpselen van hyena’s op drie sites van telkens één hectare. Hij nam staaltjes op de eerste en de laatste dag van de vastenperiode en 55 dagen na het einde van de vasten.
Het resultaat toonde aan dat het dieet van de hyena’s drastisch veranderde wanneer mensen stopten met het kopen en eten van dierlijke producten. Voor de vasten bevatte 14,8 % van de uitwerpselen haar dat afkomstig was van ezels, tijdens de vasten vermeerderde dat tot 33,1% om dan na de vastenperiode te dalen tot 22,2 %. Volgens Yirga voeden hyena’s rond Mekelle zich voornamelijk met slachtafval van beenhouwers of huishoudens, maar bij gebrek hieraan vormden ezels tijdens de vastenperiode een alternatieve voedselbron. De ezels lopen 's nachts immers los rond en zijn zo een prooi voor de hyena's, terwijl koeien en geiten 's avonds op stal worden gezet.
Dit uniek inzicht illustreert dat hyena’s opportunistische jagers en aaseters zijn die zich aanpassen aan een veranderend voedselaanbod ten gevolge van menselijk dieet, wat tot conflicten kan leiden als ze zich aan huisdieren vergrijpen. “Details over het foerageergedrag van carnivoren dichtbij menselijke nederzettingen, kan helpen begrijpen waarom conflicten ontstaan en leiden tot betere strategieën om die problemen te vermijden. Zo kunnen de grote carnivoren alsnog samenleven met de mens”, besluit Yirga.
Meer weten?
Gidey Yirga: Gidey.YirgaAbay@ua.ac.be Prof. dr. Herwig Leirs: herwig.leirs@ua.ac.be of 03 265 33 19
|
|
|
|
|
|
Een samenwerking tussen de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Hasselt levert een nieuw wiskundig model op om vaccinatiestudies te analyseren. Dat moet leiden tot een verbeterd inzicht in de werking van ons immuunsysteem na een vaccinatie.
Om de verzamelde data van gevaccineerde personen te verwerken, worden er al langer wiskundige modellen ingezet. Het Vaccin en Infectieziekten Instituut (VAXINFECTIO) van de Universiteit Antwerpen en het Centrum voor Statistiek (CenStat) van de Universiteit Hasselt werken daarom al enkele jaren nauwgezet samen om statistische en wiskundige methoden in het onderzoek te integreren. Samen ontwikkelden ze een nieuw model dat nog meer inzicht moet verschaffen in de reacties van het immuunsysteem op vaccins.
“Uit de cijfers kon je altijd wel afleiden of het vaccin al dan niet werkte”, licht prof. dr. Niel Hens (Universiteit Antwerpen/Universiteit Hasselt) toe. “Maar de verantwoording voor die cijfers bleef vaak achterwege. Het nieuwe model stelt ons nu in staat de cijfers beter te verklaren en accurate voorspellingen te doen. We spitsen ons dan ook meer en meer toe op dit soort onderzoek om nog meer analyses mogelijk te maken.”
De onderzoekers van VAXINFECTIO en CenStat ontwikkelden het wiskundig model op basis van enkele theoretische inzichten om de immuniteit na vaccinatie op lange termijn te bestuderen. “Plasmacellen hebben een lange levensduur in bepaalde plekken van ons lichaam”, verklaart dr. Mathieu Andraud.“We werkten daarom een model uit met drie tijdscomponenten, die komen overeen met de levensduur van antilichamen en kort- en langlevende plasmacellen. Met behulp van dit model toonden we bijvoorbeeld aan dat 95% van de voor hepatitis A gevaccineerde patiënten beschermd blijft tot 23 jaar na de vaccinatie.”
Het nieuwe model biedt heel wat voordelen, onder meer voor de farmaceutische sector. “Je krijgt nu een veel beter inzicht in de manier waarop je deelnemers aan een vaccinstudie het best kan opvolgen. Zo is de beginfase bijvoorbeeld cruciaal. De vaccinatie en de observatiemomenten liggen dus best kort bij elkaar”, besluit Hens. Meer weten? Prof. dr. Niel Hens: niel.hens@ua.ac.be / niel.hens@uhasselt.be, 03 265 26 58 of 011 26 82 32. Dr. Mathieu Andraud: mathieu.andraud@ua.ac.be of 03 265 29 37.
|
|
|
|
|
|
De overkoepelende studentenorganisatie ASK-STUWER organiseert op donderdag 29 maart haar jaarlijkse gocartrace. Tien studentenclubs van de buitencampussen en een ploeg van personeelsleden nemen het tegen elkaar op in een race rond de Campus Middelheim van de Universiteit Antwerpen.
Morgenmiddag strijden de verschillende studentenclubs van de buitencampussen van de Universiteit Antwerpen voor de overwinning op de jaarlijkse gocartrace van ASK-STUWER. Voor het eerst rijdt er dit jaar ook een team van personeelsleden mee. De teams trappen er in tweezitsgocarts de ziel uit hun lijf om als eerste over de eindstreep te rijden. De winnende club mag immers gratis binnen op de afsluitende TD.
“Maar er vallen ook prijzen te verdienen met allerlei randactiviteiten”, vertelt praeses Brecht Gorissen. “We voorzien dit jaar een beloning voor de studentenclub die het meeste sfeer creëert en het team dat zijn gocart het mooist versiert. En de supporters die de origineelste cheerleading-act in elkaar steken worden ook in de bloemetjes gezet.”
Praktisch:
De gocartrace wordt verreden op donderdag 29 maart vanaf 13 uur. Locatie: Campus Middelheim (Middelheimlaan 1 in Antwerpen). Meer weten? Gertjan Loots (ASK-STUWER): gertjan@ask-stuwer.be
|
|
|
|
|
|
Lezingenreeks aan Universiteit Antwerpen zet rol van chemie in de kijker
Minister Ingrid Lieten sluit slotavond Kekulé-cyclus XIV af
Ingrid Lieten, Vlaams minister van Innovatie, sluit op dinsdag 27 maart 2012 de Kekulé-cyclus XIV af. De cyclus, georganiseerd door de Universiteit Antwerpen, focuste zes avonden lang op het belang van chemie in ons dagelijks leven.
De Kekulé-cyclus wordt georganiseerd door de universiteit en de Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging en wil de rol van de chemie in ons leven benadrukken. De lezingen op de zesde en laatste avond staan volledig in het teken van doorbraken in de farmaceutische onderzoekssector. Zo komt u onder meer alles te weten over de toekomstige uitdagingen en de opportuniteiten bij het ontwikkelen van geneesmiddelen. Die avond wordt ook de Janssen R&D-prijs uitgereikt aan een jonge onderzoeker in de medicinale chemie. Ingrid Lieten, Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, sluit af met een gelegenheidstoespraak. Praktisch: De slotavond van de Kekulé-cyclus XIV vindt plaats op dinsdag 27 maart 2012. De avond start om 19.30 uur in Aula Fernand Nedée (Gebouw Q) op de Campus Drie Eiken (Universiteitsplein 1, 2610 Antwerpen). Journalisten zijn van harte welkom. Meer weten? Els Grieten (Universiteit Antwerpen): 03 265 31 27 of els.grieten@ua.ac.be Het volledige programma vindt u op www.kekulecyclus.be
Hier vindt u de tekst van de toespraak, die Vlaams minister Ingrid Lieten hield op de slotavond van de kekulé-cyclus.
|
|
|
|
|
|
Vanaf donderdag 29 maart mag theatermaker-ondernemer Franco Dragone zich eredoctor van de Universiteit Antwerpen noemen. Een dagje eerder geeft de bezieler van het Cirque du Soleil al een gastcollege aan de studenten Toegepaste Economische Wetenschappen.
Met het eredoctoraat voor Algemene Verdiensten wil de Universiteit Antwerpen de Italiaanse Belg eren voor zijn drang naar culturele vernieuwing en zijn zin voor ondernemerschap. Maar Dragone hecht ook veel belang aan onderwijs. Daarom geeft hij op woensdag 28 maart een gastcollege aan de studenten Toegepaste Economische Wetenschappen.
“Als directeur van een internationaal bedrijf heeft hij cultuur altijd met ondernemerschap weten te combineren”, zegt prof. Rudy Martens, decaan van de Faculteit TEW. “Onze studenten kunnen dus heel wat van hem opsteken als het op innovatie en creativiteit in het management aankomt. Het is voor ons hoe dan ook een hele eer zo iemand aan onze faculteit te mogen ontvangen.”
Dragone zal tijdens het gastcollege ingaan op het thema ‘creativiteit’. Ook de andere toplui van zijn Franco Dragone Entertainment Group komen naar Antwerpen. Zij zullen de studenten inwijden in de business strategy en de marketing strategy van het internationaal actieve bedrijf.
Praktisch: Het gastcollege Innovatie en creativiteit in management: de juiste balans en aanpak van Franco Dragone vindt plaats op 29 maart om 15.30 uur in lokaal C.204 op de Stadscampus (Prinsstraat 13) van de Universiteit Antwerpen. Journalisten zijn van harte welkom.
Meer weten?
Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be en 0476 20 07 54. De route naar de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen vindt u hier.
|
|
|
|
|
|
Acht Europese landen, waaronder Duitsland, Nederland en Zweden, voerden de voorbije jaren in stedelijke omgevingen zogenaamde milieuzones in. Die maatregel wil de luchtkwaliteit in de stad verbeteren door het reduceren van de uitstoot van schadelijke stoffen. Is het wenselijk om die milieuzones ook in Vlaanderen te introduceren? Het Steunpunt Personen en Goederenvervoer van de Universiteit Antwerpen onderzocht de vraag.
Persbericht
|
|
|
|
|
|
Het Bilsen Fonds voor Cultuurmanagement (Universiteit
Antwerpen) houdt tiende colloquium
Code moet
tot beter bestuur in de cultuursector leiden
Het Bilsen Fonds voor Cultuurmanagement, verbonden aan de
Universiteit Antwerpen, werkte voor haar tiende verjaardag een code voor cultural
governance uit. Vlaams minister van Cultuur Joke Schauvliege neemt de
richtlijnen op maandag 26 maart in ontvangst op het jaarlijkse colloquium. Ze
zal er ook voor de eerste maal de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor
Cultuurmanagement, in samenwerking met het Bilsen Fonds, uitreiken.
Het Bilsen Fonds voor Cultuurmanagement houdt elk jaar een
colloquium rond cultuurmanagement. Als thema kozen ze dit jaar voor ‘Goed
bestuur voor Cultuur. Over corporate governance in de cultuursector’.
Het fonds wil daarmee vooral het belang van goede richtlijnen voor
ondernemingsbestuur in de cultuursector benadrukken.
“Diverse maatschappelijke sectoren hebben al een code rond corporate
governance”, vertelt prof. dr. Annick Schramme, voorzitster van het Bilsen
Fonds voor Cultuurmanagement. “De cultuursector bleef daarin een beetje
achterwege. Met het colloquium willen we het debat en een reflectie over goed
bestuur stimuleren.”
Het Bilsen Fonds voor Cultuurmanagement bleef alvast niet
bij de pakken zitten. Op het colloquium zal een werkgroep, ingesteld door het
Fonds, een Vlaamse code voor cultural governance aan Vlaams minister van
Cultuur Joke Schauvliege overhandigen.
“In augustus hebben we een stuurgroep met Vlaamse en
Nederlandse vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, de academische wereld, de
cultuursector en het Bilsen Fonds aangesteld om enkele aanbevelingen uit te
werken. Het is een handige tool geworden, waaraan alle culturele
organisaties hun eigen werking kunnen toetsen en optimaliseren”, besluit
Schramme.
In samenwerking met het Bilsen Fonds zal Vlaams minister
Schauvliege op het congres ook de eerste Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor
Cultuurmanagement overhandigen aan kunstencentrum Vooruit uit Gent en diens
spin-off 2Rivers. Zij brachten samen Yesplan, een softwarepakket om evenementen
te plannen, op de markt en worden daarvoor beloond met een kunstwerk en een
cheque van 12 500 euro.
Het fonds reikt tot slot zelf nog een prijs uit aan Koen Van
Vliet (Universiteit Utrecht) voor zijn scriptie over crowdfunding.
Praktisch:
Vlaams minister Joke Schauvliege neemt de code in ontvangst
op maandag 26 maart om 16.30 uur op de Universiteit Antwerpen (Prinsstraat 13
in Antwerpen). Journalisten zijn hartelijk welkom.
|
|
|
|
|
|
De Universiteit Antwerpen, Campus Vesta en de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken lanceerden vorig jaar het postgraduaat Adviseur Gevaarlijke Stoffen. Het nieuwe postgraduaat leidt specialisten op om bij incidenten met gevaarlijke stoffen snel de juiste maatregelen te nemen. Vooral brandweerlui en mensen uit de industrie schreven zich in voor de nieuwe opleiding.
De opleiding zit er voor de eerste lichting op. De laureaten nemen op woensdag 28 maart om 20 uur hun diploma in ontvangst, in aanwezigheid van Antwerps gouverneur Cathy Berx en Johan Meeusen, vicerector van de Universiteit Antwerpen. Gedeputeerde Bart De Nijn, bevoegd voor Veiligheid, reikt mee de diploma’s uit. De eerste proclamatie van het postgraduaat Adviseur Gevaarlijke Stoffen vindt plaats bij Campus Vesta, het provinciale opleidingscentrum voor brandweer, dringende geneeskundige hulpverlening en politie (Oostmalsesteenweg 75, 2520 Ranst (Emblem)). Journalisten zijn van harte welkom op deze feestelijke aangelegenheid. Het volledige programma vindt u in de uitnodiging onderaan. Donderdagochtend 29 maart worden een persbericht en een foto van de proclamatie naar de media verstuurd. Meer weten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.been 0476 20 07 54 Jos Deloose, directeur brandweeropleidingen Campus Vesta: 03 205 19 61
|
|
|
|
|
|
De Universiteit Antwerpen krijgt er op donderdag 29 maart 2012 vijf doctores honoris causae bij. Ook theatermaker Franco Dragone mag zich voortaan eredoctor noemen.
Elk jaar eert de Universiteit Antwerpen een aantal academici en niet-academici met een eredoctoraat van de universiteit. Vier wetenschappers en een theatermaker behoren dit jaar tot de gelukkigen. De Amerikaanse prof. Bernard McGinn ontvangt een eredoctoraat in de Letteren en Wijsbegeerte omwille van zijn toegewijd onderzoek naar mystiek in de westerse christelijke traditie. Leuk om weten: om zich te kunnen toeleggen op de Middelnederlandse werken van Hadewijch en Ruusbroec, leerde de Amerikaanse professor eerst Middelnederlands.
Het eredoctoraat in de Politieke Wetenschappen gaat naar de Amerikaanse prof. Peter J. Katzenstein. Hij verrichte onder meer baanbrekend werk op het vlak van de internationale politieke economie. Voor zijn buitengewone wetenschappelijke carrière wordt de Belgische wiskundige prof. Luc Devroye beloond met een eredoctoraat in de Wiskunde en Informatica. Hij leverde briljante bijdragen aan de generatie van willekeurige getallen, de statistiek, de patroonherkenning en de analyse van algoritmen en datastructuren.
De Duitse prof. Harald zur Hausen ontving in 2008 al een Nobelprijs voor Geneeskunde voor zijn ontdekking van het papillomavirus bij baarmoederhalskanker. Dit jaar krijgt hij ook een eredoctoraat in de Geneeskunde van de Universiteit Antwerpen. Theatermaker Franco Dragone, de bezieler van Cirque du Soleil en internationaal ambassadeur van de Belgische cultuursector, ontvangt een eredoctoraat voor Algemene Verdiensten. Dragone zal namens de vijf kersverse eredoctoren een dankwoord uitspreken. De hele ceremonie wordt opgeluisterd met visueel verrassende en aantrekkelijke voorstellingen van Hilde Heijnen en Alain Pringels. Praktisch: De Universiteit Antwerpen reikt haar eredoctoraten uit op donderdag 29 maart 2012. De plechtigheid start om 10.30 uur in de Aula Rector Dhanis (Kleine Kauwenberg 12-16, 2000 Antwerpen). Journalisten zijn vanzelfsprekend van harte welkom. Na de plechtigheid kunnen journalisten de kersverse doctores probleemloos om een korte reactie vragen. Media die een uitgebreider interview willen met een van de eredoctores, nemen contact op met Peter De Meyer, persverantwoordelijke van de Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be of 03 265 47 11. De route naar de Stadscampus vindt u hier. Om in de buurt van de Stadscampus te parkeren, volgt u de blauwe parkeerroute Meir Universiteit.
|
|
|
|
|
|
Barbara Michiels (Universiteit Antwerpen) ging na hoe huisartsen omgaan met een griepepidemie
Griep? Te behandelen? Te voorkomen? En de huisarts zelf?
Tijdens een griepepidemie is het alle hens aan dek in de huisartspraktijk. Huisartsen moeten echte griep van griepachtige aandoeningen onderscheiden, correct behandelen en informeren hoe griep te voorkomen. Maar over al deze aspecten, diagnose, behandeling en preventie bestaan nog veel onzekerheden, stelt Barbara Michiels, huisarts-onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen in haar doctoraatsscriptie.
Griep?
Tijdens een griepepidemie neemt de waarschijnlijkheid voor echte griep toe van 62% naar 79% in geval van ‘eerder contact met personen met griep’, hoesten, ‘ophoesten van slijmen op de eerste ziektedag’ en koorts (>37,8°C). Hiervoor onderzocht dr. Michiels klinische gegevens en laboratoriumresultaten van wel 4597 grieppatiënten door 138 peilartsen verzameld gedurende vijf opeenvolgende winterperiodes (2002-2007). Griep uitsluiten lukt huisartsen beter. Zonder hoest en koorts daalt de waarschijnlijkheid voor echte griep van 25% naar 7% buiten een epidemie.
Te behandelen?
Voor behandeling met griepremmers is er geen onderzoeksbewijs dat het de kans op overlijden of ziekenhuisopname bij ouderen en risicopersonen vermindert. Het kleine bewezen voordeel van deze geneesmiddelen op ziektedagen weegt niet op tegen de nadelen. Hiervoor maakte ze een systematische overzicht van de beschikbare en gepubliceerde geneesmiddelenstudies.
Te voorkomen?
Met een vergelijkbare methodologie en onafhankelijk van anderen, toonde ze aan dat het klassieke griepvaccin bij gezonde volwassenen en kinderen (≥ 6 jaar) griep wel kan voorkomen. Maar ook dat er opvallend weinig bewijs van goede kwaliteit is dat griepvaccinatie complicaties zoals longontsteking, ziekenhuisopname of overlijden voorkomt.
En de huisarts zelf?
Omdat ook huisartsen kunnen griep krijgen en overdragen op hun patiënten onderzocht ze voor het eerst of huisartsen zich laten vaccineren en of het vaccin bij hen werkt. Dat doet het vooral bij jonge huisartsen. In vergelijking met 60% in 1997-1998 waren vorige jaar 77% van de huisartsen gevaccineerd tegen griep.
Meer weten?
Een uitgebreider persbericht over de doctoraatsscriptie van Barbara Michiels.
|
|
|
|
|
De Universiteit Antwerpen heeft een jarenlange expertise op het vlak van logistiek en transport. Die expertise zat vervat in het Steunpunt Goederenstromen, dat beleidsrelevant onderzoek uitvoerde voor de Vlaamse overheid. Die Vlaamse overheid zette onlangs het licht op groen voor de derde generatie steunpunten. Het onderzoek op het domein van transport en logistiek wordt verder gezet, door een consortium van onderzoeksteams van de Universiteit Antwerpen en de Vrije Universiteit Brussel. Het steunpunt krijgt een nieuwe naam mee en heet voortaan Steunpunt Goederen- en personenvervoer. Een uitgebreid persbericht over de missie van en het onderzoek binnen het steunpunt.
|
|
|
|
|
|
vorige week was de griep nog in het land. Het zwaartepunt van de griepepidemie ligt nu wel achter ons, maar het thema blijft actueel. Ook heel wat wetenschappers focussen op het fenomeen 'de griep'. Op woensdag 21 maart om 14 uur verdedigt Barbara Michiels, verbonden aan het Centrum voor Huisartsgeneeskunde van de Universiteit Antwerpen, haar doctoraatsscriptie. Die heeft als titel: "Influenza in de huisartspraktijk: preventie, diagnose en behandeling". Michiels onderzocht onder meer hoe huisartsen met de griep omgaan. Laten ze bijvoorbeeld zichzelf vaccineren? De doctoraatsverdediging wordt voorafgegaan door een minisymposium over de griep. Griepcommissaris Marc Van Ranst zal spreken over de rol van de eerste lijnszorg bij een grieppandemie en Theo Verheij, verbonden aan het UMC Utrecht, zal het hebben over de diagnostiek van luchtweginfecties in de eerste lijnszorg.
Journalisten zijn van harte welkom in het Auditorium Kinsbergen van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (Wilrijkstraat 10 in Edegem).
|
|
|
|
|
Antwerpse
tekening biedt duidelijkheid over bloemstilleven van Vincent Van Gogh
In het Kröller-Müller Museum in Nederland is een
schilderij opnieuw toegeschreven aan Vincent Van Gogh. Sinds 2003 bestonden er
grote twijfels over de auteur van het schilderij. De ontdekking van een
onderliggende schetstekening, blootgelegd door onderzoekers van de Universiteit
Antwerpen, biedt echter duidelijkheid over de authenticiteit van kunstwerk en
kunstenaar. Door het grote formaat en de vrij academische aanpak van het
schilderij Bloemstilleven met akkerbloemen en rozen was er jarenlang
grote twijfel over de schilder van het kunstwerk. Sinds 2003 stond het geboekt
als ‘kunstenaar anoniem’. Met nieuwe röntgenopnamen hebben wetenschappers van
de Universiteit Antwerpen, de TU Delft en DESY (Deutsches
Elektronen-Synchotron) in Hamburg nu een onderliggende schetstekening van twee
worstelaars zichtbaar gemaakt.
De worstelaars werden met zekerheid geschilderd door Van
Gogh, toen hij aan de kunstacademie van Antwerpen studeerde. Daar schreef hij
zich in januari 1886 in. Zijn leraar drong bij hem aan om een groot doek,
nieuwe penselen en verf aan te schaffen. De grote doeken waren een
standaardmaat voor figuurstudies op de academie. In een van zijn brieven aan
zijn broer Theo schreef Van Gogh dat hij in die periode een werk had gemaakt
met twee halfnaakte worstelaars op.
Het schilderij ging later mee naar Parijs, waar hij bij Theo
ging wonen. Daar overschilderde Van Gogh het werk met een bloemstilleven,
zonder de voorstelling van de worstelaars eerst af te schrapen. Dankzij een
nieuwe onderzoekstechniek is het originele beeld nu veel beter te zien.
“Op de voorstelling van de twee worstelaars kan je duidelijk
enkele belangrijke elementen zien die het werk in verband brengen met Van Goghs
periode in Antwerpen”, vertelt Koen Janssens, professor Chemie aan de
Universiteit Antwerpen. “Niet alleen zijn de kenmerken van de stijl van de
Antwerpse academie duidelijk te herkennen, ook de gebruikte brede verfstroken
zijn erg typerend voor het werk van Van Gogh. Hij schilderde bijvoorbeeld De
aardappeleters op eenzelfde manier. Dat we als Antwerpse onderzoekers
zoveel details konden blootleggen over Van Goghs korte periode in de
Scheldestad, maakt me blij.”
Het schilderij Bloemstilleven met akkerbloemen en rozen
van Vincent Van Gogh is vanaf vandaag te zien in het Kröller-Müller Museum in
Otterlo, Nederland.
Meer weten?
Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit
Antwerpen: 03 265 47 11, 0476 20 07 54 en peter.demeyer@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Op donderdag 22 maart 2012 stellen professoren Hilde Van den Bulck (Universiteit Antwerpen) en Karen Donders (Vrije Universiteit Brussel) het boek De VRT in de 21ste eeuw: overbodige luxe of maatschappelijke meerwaarde voor.
Het duo wil met het boek niet alleen inzicht bieden in de inhoud van de nieuwe beheersovereenkomst van de VRT, maar ook in het proces dat er aan vooraf ging. Het resultaat is een volledige analyse van de discussies die politici, academici en de mediasector in de aanloop naar de overeenkomst voerden.
De boekvoorstelling start om 14.30 uur bij de Vrije Universiteit Brussel (Pleinlaan 9, 1050 Brussel).
Meer informatie
|
|
|
|
|
|
“Minimale
woordparen spelen een beslissende rol in de eerste woordjes van peuters”
In haar doctoraat onderzoekt Lieve Van Severen welke
elementen uit de omgevingstaal een grote invloed hebben op de
medeklinkerverwerving van peuters. Niet de klanken die je het meest gebruikt,
maar de medeklinkers die verwante woorden onderscheiden hebben daarin een
cruciale rol.
De eerste woordjes zijn een belangrijke gebeurtenis in het
leven van iedere peuter. Om die vroege spraakontwikkeling correct in beeld te
brengen, onderzocht Lieve Van Severen (Universiteit Antwerpen) tientallen
spontane gesprekken tussen 30 peuters en hun ouders.
“Bij de eerste woordjes zie je vaak dezelfde medeklinkers
terugkomen”, legt Van Severen uit. “Woordjes als ‘papa’, ‘mama’ of ‘Bumba’
behoren tot de tien meest voorkomende eerste uitspraken. Dat is geen toeval, ze
bevatten namelijk allemaal de medeklinkers b, p, d, t of m. Andere klanken, zoals r, f, v of l
worden zelden gebruikt bij kinderen onder de twee jaar.”
Dat is niet in alle talen hetzelfde. Van Severen vergeleek
de spraakontwikkeling van Vlaamse tweejarigen met die van tweejarigen die een
andere moedertaal spreken. De onderzoeksresultaten toonden belangrijke
verschillen tussen de talen aan. In het Italiaans komt de medeklinker l
bijvoorbeeld veel meer en veel vroeger voor dan in het Nederlands.
Toch is niet het frequent gebruik van bepaalde medeklinkers
in de omgevingstaal doorslaggevend voor de woordvorming van jonge kinderen,
maar de aanwezigheid van minimale woordparen. Dat toont het onderzoek nu aan. “Kinderen horen in de spraak van
volwassenen woorden die slechts in een medeklinker verschillen, zoals
bijvoorbeeld bak/pak, beer/peer en beer/meer. In deze minimale woordparen
hebben de medeklinkers b, p en m een betekenisonderscheidende functie. En hoe
vaker een medeklinker minimale woordparen onderscheidt in de omgevingstaal, des
te vroeger een kind deze medeklinker aanleert.”
De resultaten van het onderzoek kunnen een belangrijke basis vormen voor
het ontwikkelen van toepassingen binnen de klinische en logopedische praktijk.
Meer weten?
|
|
|
|
|
Kris Van
Berendoncks (Universiteit Antwerpen) onderzocht Belgische voorkeuren op EU-vlak
“Belgische politici verwachten veel van Europees parlement” In zijn
doctoraat Strategische partners of spontane EU minnaars? onderzocht Kris
Van Berendoncks (Universiteit Antwerpen) de voorkeuren van nationale politici
ten aanzien van de Europese Unie. Europa wordt volgens hem steeds meer
strategisch gebruikt. België wordt
traditioneel als een van de voortrekkers van Europese integratie beschouwd. Er
lijkt in ons land dan ook weinig discussie te bestaan over de wenselijkheid van
een eengemaakt Europa. Maar in welke mate blijft die veronderstelde consensus
overeind wanneer politici zich moeten uitspreken over de concrete vorm waarin de
Europese Unie zich verder moet ontwikkelen? Kris Van Berendoncks onderzocht in
zijn proefschrift voor het eerst de voorkeuren van individuele Belgische
politici over de Europese Unie. Hij deed dat aan de hand van een grootschalige
ondervraging bij 402 Belgische parlementsleden en 198 kabinetsmedewerkers.
“Een eerste
vaststelling is dat Belgische politici er principieel weinig problemen mee
hebben dat de beslissingsmacht verschuift van de nationale naar de Europese
instellingen”, legt Van Berendoncks uit. “Met name rond de toekomstige rol van
het Europees parlement leven erg hoge verwachtingen bij Belgische
parlementsleden en kabinetsmedewerkers. Dat is een groot verschil met hun
Nederlandse collega’s. De Vlaams-nationalisten hebben evenwel een ambivalente houding.
Zij zien de EU als het legitimerende argument voor de leefbaarheid van een
onafhankelijk Vlaanderen, maar tegelijkertijd zien ze Europa ook als een
mogelijke bedreiging voor de uitholling van de domeinen waarvoor Vlaanderen
bevoegd is.”
Meer onenigheid
bestaat er over de manier waarop het democratisch deficit van de EU dient
aangepakt te worden: via meer directe democratische inbreng of via
technocratische beleidsresultaten. “Het zijn vooral linkse politici die het
technocratische beleid wantrouwen en hervormingen willen die meer politiek
debat introduceren in de instellingen. Ook over de beleidspakketten die naar
het Europese niveau kunnen doorgeschoven worden, heersen er minder eenduidige
denkbeelden. Een belangrijke vaststelling is de rol die de regionale dimensie
daarin speelt. We zien bijvoorbeeld dat Franstaligen meer aarzelen om
herverdelende bevoegdheden aan de voor hen al te liberale EU toe te
vertrouwen.”
Turks
lidmaatschap De individuele
voorkeuren van nationale politici ten aanzien van de EU kunnen begrepen worden
vanuit zowel ideologische als strategische belangen. Maar de huidige politieke
keuzes in verband met het Europese integratieproces kunnen de Belgische
consensus over de EU uitdagen.
“Partijprogramma’s
blijken vandaag nog vaak pro-Europees om eventuele verschillen en keuzes te
maskeren. De vraag is dus hoe politieke partijen zich gaan gedragen wanneer
Europese onderwerpen een centrale plaats gaan innemen in de
verkiezingscampagnes en partijen gedwongen worden om hun posities verder te
verduidelijken. Die politisering kan ontstaan door de Europese actualiteit,
zoals bijvoorbeeld het Turks lidmaatschap, of door partijstrategische redenen. Dat
bleek de voorbije weken al weekend bij de voorstelling van de campagnes voor de
gemeenteraadsverkiezingen. Zo grijpt Vlaams Belang tijdens de
gemeenteraadsverkiezingen de Europese actualiteit aan om het verschil met de
N-VA te maken”, besluit Van
Berendoncks.
Meer weten?
Kris Van Berendoncks: kris.vanberendoncks@ua.ac.be.
|
|
|
|
|
|
Op donderdag 29 maart 2012 reikt de Universiteit Antwerpen haar eredoctoraten uit. Theatermaker-ondernemer Franco Dragone, bekend van de inspirerende shows van Cirque du Soleil, is dit jaar een van de uitverkorenen. Hij krijgt de eretitel doctor honoris causa Algemene Verdiensten.
Met de eredoctoraten wil de Universiteit Antwerpen jaarlijks enkele academische en niet-academische toppers eren. Een van de absolute blikvangers dit jaar is Franco Dragone. De Italiaanse Belg maakt al jaren naam en faam in de theater- en circuswereld.
Dragone was jarenlang de bezieler van Cirque du Soleil, maar ook de producties van zijn eigen Franco Dragone Entertainment Group spreken tot de verbeelding. Met spektakelstukken als Alegría en Quidam, de concertshow van Céline Dion of de openingsceremonie van Euro 2000 in ons land, bewees de theatermaker geen uitdaging uit de weg te gaan. Sinds vorig jaar heeft hij bovendien een nieuw doel, want met een spetterende watershow hoopt hij ook China te kunnen veroveren.
“Als geen ander verstaat hij de kunst om elke taalbarrière te doorbreken en een indrukwekkende, sfeervolle vertoning neer te zetten”, zegt Alain Verschoren, rector van de Universiteit Antwerpen. “Met een vernieuwende combinatie van theater en circusspektakel verzette hij definitief de bakens van de internationale theaterwereld.”
“Gedrevenheid, ondernemerschap en zin voor vernieuwing zijn kwaliteiten die we ook op onze universiteit waarderen”, aldus Verschoren. “Zijn innoverende en kosmopolitische kijk op de theaterwereld maken hem tot een waardige internationale ambassadeur van de Belgische cultuurindustrie. Een eredoctoraat van de Universiteit Antwerpen lijkt ons een goede manier om hem op gepaste wijze te eren.”
Naast Dragone krijgen ook vier wetenschappers een eredoctoraat op 29 maart. Het eredoctoraat voor Geneeskunde gaat naar de Duitse Nobelprijswinnaar Harald zur Hausen. De Faculteit Letteren en Wijsbegeerte geeft een eredoctoraat aan de Amerikaanse professor Bernard McGinn. De Amerikaanse professor Peter J. Katzenstein krijgt het eredoctoraat voor Politieke Wetenschappen en de Belg Luc Devroye, werkzaam in Canada, mag zich eredoctor in de Wiskunde en Informatica noemen.
Meer weten?
Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: 03 265 41 77, 0476 20 07 54 of peter.demeyer@ua.ac.be Het Magazine Universiteit Antwerpen brengt een uitgebreid interview met kersvers eredoctor Franco Dragone. U kunt het interview online lezen op de site van het Magazine Universiteit Antwerpen.
|
|
|
|
|
Kristijn Swinnen (Universiteit
Antwerpen) filmt beverjongen in Antwerpen en Oost-Vlaanderen
“Bevers planten zich voor het eerst sinds 1848 opnieuw voort”
Halverwege de negentiende eeuw
was de bever in onze contreien uitgestorven. Kristijn Swinnen,
doctoraatsstudent Biologie aan de Universiteit Antwerpen, levert het bewijs dat
het dier zich nu weer voortplant in de provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen.
In het kader van zijn onderzoek
naar de verspreiding van de bever in Vlaanderen deed Kristijn Swinnen een
interessante ontdekking. Voor het eerst sinds hun uitroeiing in België verzamelde
hij bewijsmateriaal dat het dier zich opnieuw voortplant in Antwerpen en
Oost-Vlaanderen. In Vlaams-Brabant en Limburg was dat al eerder het geval.
De bioloog plaatste een aantal
automatische camera’s in de natuurgebieden Viersels Gebroekt (Viersel,
provincie Antwerpen) en Vlassenbroek (Dendermonde, provincie Oost-Vlaanderen),
twee gebieden die door Natuurpunt beheerd worden. “Op een van de beelden uit
Vlassenbroek kan je op een gegeven moment drie verschillende bevers bij elkaar
zien”, verklaart Swinnen. “Bevers zijn erg territoriale dieren. Ze verdragen
geen soortgenoten in hun omgeving. Zo weten we met zekerheid dat het om een
jong en twee ouders van dezelfde familie gaat. Ook in Viersel ontdekten we op
basis van verschillende beelden een jong bevergezin. De jongen zullen zich in
nieuwe gebieden gaan vestigen en zorgen zo voor een verdere verspreiding van de
bevers.”
Gunstige effecten Lange tijd waren er in België geen
bevers te vinden. “In 1848 werd de laatste bever in Vlaanderen
uitgeroeid. De knaagdieren werden opgejaagd voor hun vlees en castoreum
(bevergeil), een uitscheidingsproduct dat verwerkt wordt in parfums en
medicijnen. Pas in 2003 werden er opnieuw enkele exemplaren van de beschermde
diersoort illegaal uitgezet in de Dijlevallei. Enkele jaren eerder gebeurde
hetzelfde al in Wallonië.”
Dat de Belgische bevers zich
opnieuw voortplanten, is volgens Swinnen een goede zaak. “Bevers zijn een
verrijking voor de natuur. Ze knagen bomen om en bouwen af en toe een dam. Dit
zorgt voor een verjonging van de plantengemeenschap en heeft erg gunstige
effecten voor insecten, vogels, amfibieën en zoogdieren. Er leven nu een
honderdtal exemplaren in Vlaanderen. Verder onderzoek moet uitwijzen welke
leefgebieden geschikt en bereikbaar zijn voor de bever .”
De onderzoeker krijgt voor zijn
studie de hulp van Natuurpunt. Zo leveren de vrijwilligers van Natuurpunt in
Dendermonde een belangrijke bijdrage tot zijn onderzoek. In Viersel loopt
momenteel ook een natuurherstelproject (LIFE) mede gefinancierd door de
Europese Commissie.
|
|
|
|
|
|
Vanaf maandag 12 maart brengt het kunstenfestival Calamartes een week lang culturele activiteiten op de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen. Prins Laurent komt alvast een kijkje nemen tijdens de plechtige opening.
Gouverneur Cathy Berx, burgemeester Patrick Janssens en rector Alain Verschoren geven op maandag 12 maart het officiële startschot van Calamartes 2012. In het gezelschap van prins Laurent trekken ze in een korte cultuurstoet door de Universiteitswijk, om even later de grote spiegeltent op het binnenplein van het Hof van Liere te openen. De overkoepelende studentenvereniging Unifac wil met het jaarlijkse festival cultuur dichter bij de studenten brengen. Een week lang plannen de studenten activiteiten waarbij alle aspecten van cultuur aan bod komen. Niet alleen voor studenten, maar ook voor andere partners uit de buurt. Zo worden bijvoorbeeld de kinderen uit de naburige scholen en de bewoners van het rust- en verzorgingshuis in de festiviteiten betrokken. Op het programma staan onder meer circusacts, muzikale optredens, lezingen en kunsttentoonstellingen. Het volledige programma komt deze week online op www.calamartes.be Praktisch: Het kunstenfestival Calamartes loopt van 12 maart tot 16 maart 2012. Prins Laurent woont de plechtige opening bij op maandag 12 maart. Journalisten zijn van harte welkom. Wie niet over een officiële perskaart van Binnenlandse Zaken beschikt, mailt zijn/haar gegevens (naam, adres, geboortedatum, medium) ten laatste op donderdag 8 maart naar peter.demeyer@ua.ac.be Het bezoek verloopt als volgt:
- Om 11.30 uur wordt prins Laurent opgewacht door gouverneur Cathy Berx, burgemeester Patrick Janssens, rector Alain Verschoren en voorzitter van Unifac Maarten Vyncke. Locatie: Prinsstraat 13. (MEDIAMOMENT 1)
- De prins wordt ontvangen in het bureau van de rector.
- Om 12.10 uur vertrekt de stoet met de prins. Locatie: Aula Rector Dhanis (Grote Kauwenberg 12-14). (MEDIAMOMENT 2)
- De optocht loopt langs de Lange Winkelstraat over de Ossenmarkt via de Pieter Van Hobokenstraat en zo naar het Hof van Liere. Onderweg worden drie acts opgevoerd. (MEDIAMOMENT 3)
- Om 12.30 uur wordt de spiegeltent op het binnenplein van het Hof van Liere officieel geopend. (MEDIAMOMENT 4)
- Om 13 uur eindigt het bezoek van de prins.
Interviews met de prins zijn niet mogelijk. Meer weten? Vragen over het bezoek van prins Laurent? Peter De Meyer (persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen): 0476 20 07 54
|
|
|
|
|
|
Hoe werkt een computer? Wat is warmte? Hoe maak je een bruisbal? En hoe groeien botten terug aan elkaar na een breuk? Voor een antwoord op al die vragen kunnen kinderen tussen acht en veertien jaar zondag terecht op de Kinderuniversiteit van de Universiteit Antwerpen.
Op zondag 4 maart 2012 organiseert de Universiteit Antwerpen de achtste editie van haar Kinderuniversiteit. Reuzencamera’s, goochelen met wiskunde en autorijden op gebakken lucht: kinderen ontdekken er op een speelse manier de wondere wereld van de wetenschappen.
Naast het wetenschappelijke gedeelte met onder meer een interactieve fysicashow, kunnen de deelnemers ook een echte les volgen. Filosoferen over het bestaan, de geheimen van reclame onderzoeken of het wereldwijde web ontrafelen? De professoren en wetenschappers van de Universiteit Antwerpen maken er een boeiende les van, waarin verveling geen moment aan de orde is.
Bovendien verlenen enkele bekende koppen hun medewerking aan de Kinderuniversiteit. Stijn Meuris neemt je mee in de verbazende wereld van het heelal en Rick De Leeuw legt zorgvuldig de professoren op de rooster. Jan De Smet zorgt voor een muzikale noot.
Sinds vorig jaar is er een speciaal programma voorzien voor de jongere broertjes en zusjes. Technopolis zorgt daarom voor tal van leuke doe-opstellingen.
De Kinderuniversiteit van de Universiteit Antwerpen wordt georganiseerd in samenwerking met Technopolis Mechelen, het Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen en het Koninklijk Antwerps Genootschap voor Micrografie. Jaarlijks lokt ze een duizendtal enthousiaste wetenschappers in spe.
Praktisch:
De Kinderuniversiteit vindt plaats op zondag 4 maart 2012 van 11 tot 17u op de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen (hoek Vekestraat/Kleine Kauwenberg, Antwerpen).
Meer weten?
Het volledige programma vindt u op www.ua.ac.be/kinderuniversiteit
|
|
|
|
|
|
Els
Duval (Universiteit Antwerpen) onderzocht alternatieve beademingsmethode bij
jonge kinderen
“Nieuwe beademingsmethode kan kinderlevens
redden”
Onderzoekster
Els Duval van de Universiteit Antwerpen analyseert in haar doctoraat de voor-
en nadelen van HFOV, een alternatieve beademingsmethode bij jonge kinderen. Die
nieuwe manier van mechanische beademing kan helpen waar de klassieke methode
tekortschiet. Kinderen
die op de afdeling kinderintensieve zorgen worden opgenomen, hebben vaak
nood aan kunstmatige beademing. Deze behandeling is meestal levensreddend, maar
bij een klein aantal kinderen, kan ze tekort schieten. “Bij ernstig zieke
longen moet de beademingsmachine vaak erg hoge drukken geven, wat blijvende
beschadiging van de longen doet ontstaan”, legt Els Duval uit. “Soms kan een
kind zelfs overlijden, wanneer de klassieke beademingsvorm faalt.”
In haar
proefschrift beschrijft Duval de eerste ervaringen in Nederland en België bij
grotere kinderen met een alternatieve manier van mechanische beademing: de
zogenoemde hoogfrequente oscillerende ventilatie of HFOV. “HFOV is een
methode van beademen waarbij de longen open geblazen worden met een continue
druk, die ook tijdens de uitademing blijft bestaan”, licht Duval toe. “Hierdoor
wordt vermeden dat de zieke longblaasjes op het einde van de uitademing dicht
vallen, zodat er niet opnieuw hoge drukken nodig zijn om ze weer open te
krijgen. Het valt te vergelijken met het opblazen van een ballon: wordt hij
niet volledig afgelaten, dan is het opnieuw opblazen een stuk makkelijker.”
Rond
die continue druk worden via een trillend membraan kleine oscillaties of swings
opgewekt. Deze swings creëren als het ware kleine ademteugjes,
en dat aan een frequentie van honderden per minuut. Die teugjes zorgen ervoor
dat koolstofdioxide uit het lichaam wordt verwijderd, zonder de longblaasjes te
overrekken. Eenzelfde snelle ademhaling zie je soms bij honden die hijgen als
ze het warm krijgen.“Ouders vinden het vaak vreemd hun kind te zien trillen in
het bed, maar merken al snel dat de kinderen deze vorm van beademen goed
verdragen. Ze kunnen meestal rustig zelf blijven doorademen als ze dat willen.
Sommige kinderen hebben wel last van het luide lawaai dat de machine maakt. Ze
krijgen dan oordopjes in, of een MP3-speler met hun favoriete muziek.”
De
nieuwe beademingsmethode bleek veilig en effectief te zijn in situaties waarbij
klassieke kunstmatige beademing tekort schoot. “Kinderen met ernstige
longproblemen door bijvoorbeeld longontsteking of longbloeding, deden het goed
op de alternatieve behandelingsvorm. En ook kinderen met astma of
bronchiolitis, een infectie van de kleine luchtpijptakjes die vooral bij baby´s
in het winterseizoen ernstige problemen kan geven, reageerden positief op de
beademingsmethode”, besluit Duval.
Meer
weten?
Dr. Els Duval: els_duval@yahoo.com
|
|
|
|
|
In de onderzoeksgroep milieuanalyse aan de Universiteit Antwerpen finaliseerde Benjamin Horemans zijn doctoraat Chemische karakterisering van fijn stof. Daarin onderzoekt hij de gevolgen van fijn stof op de luchtkwaliteit in Antwerpse kantoren en rond het Alhambra in Zuid-Spanje. Door de samenstelling van het stof te bepalen kon hij de voornaamste bronnen identificeren.
De fysische aspecten van fijn stof zijn niet te onderschatten, maar het is vooral de chemische samenstelling van de stofdeeltjes die de nadelige effecten bepaalt. Benjamin Horemans spitst zich in zijn onderzoek toe op die specifieke, chemische aspecten van het fijn stof. Om de luchtkwaliteit van kantoren te onderzoeken, bestudeerde hij de aanwezigheid van fijn stof in twintig Antwerpse kantoren. De resultaten bundelde hij in een van de grootste gegevenscollecties over fijn stof in Belgische kantoren. Die informatie maakt het mogelijk om de gezondheidsrisico’s door kantoorstof beter in te schatten. “De resultaten vallen eigenlijk nog wel mee”, verduidelijkt Benjamin Horemans. “Als je de concentratie van de totale stofmassa vergelijkt met andere binnenhuisomgevingen, dan ligt die in de kantoren lager. Maar in de kantoren zal je dan weer wel meer metalen terugvinden in het stof die een nadelig effect kunnen hebben op de gezondheid.” Voor een groot gezondheidsrisico hoeven kantoorbedienden niet meteen te vrezen. “Een echt groot risico is er niet. Als je de binnenlucht met de buitenlucht vergelijkt, merk je overdag wel een toename van de concentratie van heel kleine stofdeeltjes in de binnenlucht. Dat wijst op de aanwezigheid van een bron van fijn stof binnenshuis. Het gebruik van printers en computers is daar niet vreemd aan.” Horemans onderzocht ook welk effect luchtverontreiniging heeft op monumenten zoals het Alhambra in Zuid-Spanje. Dat vervuilde lucht schadelijk kan zijn voor het cultureel patrimonium is al langer bekend, maar de studie is wel de eerste die de effecten van fijn stof op het Alhambra onderzoekt. “We stelden vast dat de luchtkwaliteit rond het monument een risico vormt. Verkeersemissies als uitlaatgassen, maar ook bandenslijtage verminderen de kwaliteit van de lucht.” Op termijn is de hoeveelheid fijn stof dus schadelijk voor het Alhambra. “Het risico op beschadiging is erg groot. Zeker op lange termijn. Maar het is nog niet te laat. Het stadsbestuur van Granada zou er goed aan doen om het verkeer rond het monument te minimaliseren. Elke dag brengen tientallen dieselbusjes toeristen van en naar het Alhambra. Dat aantal beperken, zou al een begin zijn. Op die manier kan men de emissies terugdringen en het Alhambra enigszins vrijwaren. Het blijft tenslotte de trekpleister van de stad”, besluit Horemans. Meer weten? Dr. Benjamin Horemans: benjamin.horemans@ua.ac.been 03 265 23 81.
|
|
|
|
|
|
“Gen is
belangrijk puzzelstukje in complex obesitasprobleem”
Wetenschappers van de Universiteit Antwerpen en het
Universitair Ziekenhuis Antwerpen ontdekten samen met buitenlandse collega’s
een gen dat wellicht een belangrijke rol speelt in het ontwikkelen van
obesitas. “Dit is absoluut een van de puzzelstukjes van het complexe probleem
dat zwaarlijvigheid is”, zeggen de onderzoekers. De ontdekking levert hen een
publicatie in het prestigieuze tijdschrift Nature op.
Het Universitair Ziekenhuis Antwerpen en het Centrum
Medische Genetica van de Universiteit Antwerpen behoren tot de Europese top wat
het onderzoek naar obesitas betreft. In het ziekenhuis wordt al vele jaren een
volledig dossier opgemaakt van elke patiënt die zich laat behandelen. “Zo nemen
we van iedereen een DNA-staal”, legt prof. dr. Luc Van Gaal (UZA/Universiteit
Antwerpen) uit. “Met die database hebben we al heel wat wetenschappelijk werk
verricht.”
Die gegevensbank speelde ook een belangrijke rol in het
meest recente onderzoek van de Antwerpse wetenschappers. In samenwerking met
collega’s uit het buitenland ontdekten ze een nieuw gen, dat wellicht een
belangrijke rol speelt in de ontwikkeling van obesitas. “Obesitas is een erg
complex gegeven”, zegt prof. dr. Wim Van Hul (Universiteit Antwerpen). “Het is
een zogenaamde multifactoriële aandoening. Omgevingsfactoren zoals voeding en
beweging spelen een rol, maar er zijn ook genetische aspecten.”
Therapeutisch gevolg Het nu ontdekte gen is een zogenaamde ‘lipid sensor’. Van
Gaal: “Het bepaalt mee of en hoe vetpartikels in het lichaam worden opgeslagen.
Verder onderzoek is noodzakelijk, maar dit is zeker een eerste belangrijke
stap. Hopelijk kunnen we het gen op termijn blokkeren of stimuleren, zodat deze
ontdekking tot een therapeutisch gevolg zal leiden.”
Volgens de Antwerpse professoren toont dit onderzoek aan dat
samenwerking op Antwerps én op internationaal niveau erg belangrijk is. “Wij
hebben bijvoorbeeld onze uitgebreide database, maar zonder de buitenlandse
collega’s hadden we dit niet kunnen bereiken”, klinkt het. Nature, het
belangrijkste wetenschappelijke tijdschrift ter wereld, besteedt alvast ruime
aandacht aan het onderzoek.
|
|
|
|
|
|
“Talrijke
regeltjes en uitzonderingen maken het de gebruiker moeilijk”
Hoe zit het nu juist met het auteursrecht op het
internet? Kan ik mijn idee voor een website met informatie over lokale
verenigingen beschermen? En mag ik zomaar iemands foto op mijn webpagina
plaatsen? Prof. dr. Hendrik Vanhees (Universiteit Antwerpen en Universiteit
Gent) en prof. dr. Marie-Christine Janssens (KU Leuven en HUB) geven in het boek Auteursrecht
@ Internet een antwoord op al die vragen.
Auteursrecht en het internet, ze lijken soms moeilijk met
elkaar te verzoenen. Momenteel bestaat er geen specifiek auteursrecht voor de
digitale wereld. Het boek Auteursrecht @ Internet wil internetgebruikers
daarom wijzen op de auteursrechtelijke gevaren van het web en geeft aan hoe je
als rechthebbende je werk kan beschermen.
“Op het internet gelden dezelfde regels als in de analoge
wereld”, verklaart Hendrik Vanhees. “Sommige regels werden inhoudelijk wel
aangepast aan de noden van die specifieke, digitale context, maar de doorsnee
internetgebruiker heeft niet altijd een zicht op al die bepalingen. Met het
boek willen we hen daarin bijstaan.”
Het internet wordt vaak aanzien als een vrij, ongebonden
medium waar alles voor iedereen beschikbaar is. Maar het internet is niet
rechtenvrij. “Iedereen beseft wel dat je niet zomaar teksten, beelden of muziek
via het internet mag verspreiden”, gaat Marie-Christine Janssens verder. “ Zo
mag je bijvoorbeeld niet zomaar een foto van een andere website op je eigen
pagina zetten zonder toestemming. Er zijn heel wat regeltjes en uitzonderingen
waar we de gebruiker willen voor waarschuwen.”
Het boek bevat verder ook tips over hoe je een contract
sluit over de toestemming om een werk te gebruiken en hoe je zelf je eigen
producties kan beschermen. “Veel internetgebruikers denken dat het auteursrecht
alleen geldt voor artistieke creaties of dat je er ook een idee voor een
website mee kan beschermen. Dat klopt niet. Er komen heel wat werken in
aanmerking voor zo’n bescherming, maar dan moet je wel aan enkele specifieke
voorwaarden voldoen”, besluiten Janssens en Vanhees.
|
|
|
|
|
Universiteit Antwerpen analyseert medische zorg tijdens het
weekend
Spoed
trekt tweemaal meer patiënten aan dan huisarts van wacht
Wie in het weekend medische zorg nodig heeft, trekt
dubbel zo vaak naar de spoeddienst van een ziekenhuis dan naar de huisarts van
wacht. Dat blijkt uit een onderzoek van de vakgroep Huisartsgeneeskunde van de
Universiteit Antwerpen. “Binnen dit onderzoek boden slechts 7% van de patiënten
op de spoed zich aan met een verwijsbrief van een huisarts of een
specialist”, weten onderzoekers Hilde Philips en Jonathan Van Bergen.
Het onderzoek gebeurde in opdracht van de
Huisartsenwachtpost Antwerpen Noord en in samenwerking met de ziekenhuizen ZNA
Jan Palfijn en ZNA Stuivenberg en de Huisartsenwachtpost van Deurne-Borgerhout.
Tijdens het voorjaar van 2011 werden twee maanden lang alle weekendconsultaties
(van vrijdagavond tot maandagochtend) op de spoedafdeling van het Merksemse
ziekenhuis ZNA Jan Palfijn en bij de huisarts van wacht in de Huisartsenkring
Antwerpen Noord (regio Ekeren-Luchtbal, Berendrecht-Zandvliet-Lillo-Stabroek-Hoevenen)
en de Geneesherenkring Merksem Schoten (alleen voor Merksem) geregistreerd. Die
regio stemt overeen met de ‘aantrekkingskracht’ van het ZNA Jan
Palfijnziekenhuis. In die periode zochten 764 patiënten hulp bij de huisarts
van wacht en boden er zich 1434 mensen aan op de spoeddienst van het
ziekenhuis.
De huisartsen zagen opvallend veel jonge kinderen (onder de
tien jaar) tijdens hun consultaties en huisbezoeken. “Uit de registraties van
de huisartsen blijkt dat volgens hen 15% van de klachten even goed kon wachten
tot na het weekend”, zeggen Philips en Van Bergen. Op de spoed afdeling
worden meer patiënten tussen 20 en 40 jaar gezien. Dat zijn voornamelijk mensen
met een trauma. Er boden zich heel veel mensen aan op eigen initiatief tegenover
slechts 7% van de patiënten die kwamen met een verwijsbrief van een huisarts of
een specialist. “Onderzoek in het buitenland toonde aan dat deze zogenaamde
zelfverwijzers vaker oneigenlijk gebruik maken van de spoeddienst. In dit
onderzoek kunnen we dat eigenlijk niet meten. We weten wel dat de
zelfverwijzers doorgaans minder urgente klachten hebben en minder vaak
gehospitaliseerd worden.”
Huisarts naast spoed De drukste momenten voor de huisarts situeren zich zaterdag
en zondag rond het middaguur.
’s Nachts vallen de vragen om hulp bij de huisarts bijna volledig stil. Niet zo
op de spoedafdeling: daar is ook tijdens de nachtelijke uren activiteit, al
daalt het aantal patiënten wel. Nog een opvallende vaststelling: 24,7% van de
mensen die zich aanbood op de spoed, heeft recht op een verhoogde terugbetaling
van de medische kosten. Bij de huisarts ligt dat cijfer met 17% een stuk lager.
“In de onderzochte regio hebben 15,8% van de mensen recht op die verhoogde
tegemoetkoming”, stellen de onderzoekers. “Het lijkt er dus sterk op dat die
categorie meer dan gemiddeld beroep doet op dringende medische hulpverlening en
zeker meer naar de spoed trekt.”
Sinds 15 juli 2011 is er in de onderzochte regio een
huisartsenwachtpost. “Die is gevestigd op de site van het ZNA Jan
Palfijnziekenhuis, grenzend aan de spoedafdeling”, aldus de onderzoekers.
“Mogelijk kan die setting, huisarts naast spoed, het correct gebruik van beide
dienstverleningen bevorderen. Dat zien we in Nederland alleszins”. De impact
van de nieuwe situatie wordt voorjaar 2012 onder de loep genomen door de
vakgroep Huisartsgeneeskunde van de Universiteit Antwerpen in een succesvolle
samenwerking met de ZNA-groep en de Huisartsenwachtpost Antwerpen Noord (HAN) ,
met de steun van OCMW Antwerpen.
|
|
|
|
|
|
Pascal Smet krijgt eerste exemplaar van ontwikkelingsprofiel
voor lerarenopleiders “Ideale
lerarenopleider is niet alleen vakinhoudelijk sterk”
De Vlaamse lerarenopleider moet vanzelfsprekend
vakinhoudelijk een expert zijn, maar dat alleen volstaat niet. Hij of zij moet
ook kunnen innoveren en onderzoeken, beginnende leraren coachen, en kritisch en
betrokken in de maatschappij staan. VELOV, de Vereniging van Lerarenopleiders
in Vlaanderen, goot al die eigenschappen in een ontwikkelingsprofiel. Dat wordt
op maandag 6 februari in primeur overhandigd aan onderwijsminister Pascal Smet.
VELOV organiseert op maandag 6 en dinsdag 7 februari een
congres voor lerarenopleiders uit Vlaanderen en Nederland. Bijna 700 deelnemers
blazen twee dagen lang verzamelen in de Scheldestad, in de gebouwen van de
Universiteit Antwerpen. Het overkoepelende thema is ‘Over het muurtje’.
Op die manier willen de organisatoren duidelijk maken dat het belangrijk is om
af en toe je vertrouwde omgeving te verlaten.
Naast lezingen en symposia geven twintig Antwerpse scholen
de congresgangers ook letterlijk de kans om over het muurtje te kijken. Ze
tonen - binnen de context van Antwerpen als
onderwijslaboratorium – hoe ze aan onderwijsvernieuwing doen.
Maandagavond vervoegt onderwijsminister Pascal Smet de
lerarenopleiders. Hij krijgt symbolisch het eerste exemplaar van het
ontwikkelingsprofiel van de Vlaamse lerarenopleider overhandigd. “Dat
ontwikkelingsprofiel moet uitgroeien tot een referentiekader voor de
professionalisering van de lerarenopleiders in Vlaanderen”, zegt Steven
Janssens, voorzitter van VELOV. “Het schetst een beeld van de kennis,
vaardigheden en attitudes die nodig zijn om als lerarenopleider effectief te
functioneren.”
Het profiel bestaat uit tien rubrieken. Vanzelfsprekende eigenschappen
(vakinhoudelijk een expert zijn, didactisch sterk zijn) maken deel uit van het
profiel, maar van de lerarenopleider wordt bijvoorbeeld ook verwacht dat hij of
zij innovator en onderzoeker is, kan samenwerken met partners in het brede
onderwijsveld, en betrokken en kritisch deelneemt aan de maatschappij.
Meer weten?
Journalisten zijn tijdens
het congres van harte welkom. Het volledige programma vindt u op www.velov2012.be .
De overhandiging van het
ontwikkelingsprofiel van de Vlaamse lerarenopleider aan Pascal Smet, minister
van Onderwijs, vindt plaats op maandag 6 februari om 19 uur in Zaal Horta
(Hopland 2 in Antwerpen).
|
|
|
|
|
|
Prinses
Mathilde woont op vrijdag 10 februari congres over vaccinaties op de
Universiteit Antwerpen bij
Tiende Valentijn
Vaccinatiesymposium pleit voor
levenslange aandacht voor vaccinaties
De tiende editie van het Valentijn Vaccinatiesymposium richt zich
op de vaccinatie van jong en oud en op de levenslange bescherming. Studies in
de Vlaamse bevolking tonen aan dat mensen op elke leeftijd vatbaar kunnen zijn
voor aandoeningen waartegen al lang gevaccineerd wordt. De mazelenepidemieën
die West-Europa en ook België recentelijk troffen illustreren welke pijnlijke
gevolgen dit kan hebben. Niet toevallig organiseert het Centrum voor de Evaluatie van
Vaccinaties van het Vaccin en Infectieziekten Instituut op 10 februari 2012
haar tiende vaccinatiesymposium. Dat lokt elk jaar meer artsen,
verpleegkundigen en andere al dan niet vaccinerende veldwerkers naar de
Universiteit Antwerpen. Dit jaar mag het symposium opnieuw op de aandacht van
prinses Mathilde rekenen.
Via
het thema Lifetime Immunisation benadrukken de organisatoren,
dr. Heidi Theeten en prof. Pierre Van Damme dat de opdracht van
vaccinatoren verder reikt dan de doelgroep van zuigelingen, kinderen en
adolescenten . Drie voordrachten illustreren dit.
1.
Impact van universele vaccinatie in Vlaanderen opgemetenVanuit
metingen van antistoffen en navraag van vaccinatiegegevens in steekproeven van
de Vlaamse bevolking geeft dr. Heidi Theeten (Universiteit Antwerpen) een
overzicht van de verwezenlijkingen in Vlaanderen: zuigelingen worden goed
bereikt, maar een niet te verwaarlozen groep oudere kinderen en jong
volwassenen ontliep zowel infectie (dankzij groepsimmuniteit) als bescherming
door vaccinatie en kunnen bij overwaaiende epidemieën alsnog ziek worden en/of
de ziekte verspreiden.
2. Europa en Vaccinatie: focus op eliminatieOm
verder te kijken dan de Vlaamse grenzen komt als gastspreker dr. Rebecca
Martin, die binnen de Wereldgezondheidsorganisatie bijna acht jaar de regio
Europa volgde. Zij toont hoe België en Vlaanderen een schakel zijn in het veel
bredere verhaal van 53 landen binnen Europa die inspanningen leveren om
infectieziekten over de grenzen heen onder controle te houden, en hoe
eliminatie een grote uitdaging is voor internationale samenwerking.
3.
Weerstand tegen vaccins in Vlaanderen: een probleem?Prof.
Marc Van Ranst (KU Leuven) zal het fenomeen van de weerstand tegen vaccinaties in
Vlaanderen toelichten. Ook al is de groep van anti-vaccinatiebewegingen niet zo
groot in Vlaanderen, toch circuleren heel wat verhalen, ook via de nieuwe
media, die ouders en ook vaccinatoren wel eens doen twijfelen.
Blik
vooruit naar de Vlaamse Immunisatieweek en GezondheidsconferentieTraditioneel
schuift dr. Geert Top van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid
tijdens het Vaccinatiesymposium het Vlaams initiatief van de Europese
Vaccinatieweek in primeur naar voren. Dit jaar zal op de startdag van de
immunisatieweek, 21 april, ook de Vlaamse gezondheidsconferentie
Vaccinaties plaatsvinden.
Het
programma is verder doorweven met vraag- en antwoordsessies. Vooraf ingestuurde
en “on-the-spot”-vragen worden door een panel van experten (de vier sprekers, prof.
Geert Leroux en dr. Elke Leuridan, gemodereerd door prof. Pierre Van
Damme) beantwoord op basis van de huidige wetenschappelijke evidentie.
Het ruim 400-koppig publiek breide al enthousiast verder op het voorgestelde
thema.
Praktisch:
Het symposium heeft plaats op vrijdag 10 februari 2012 in
de voormiddag (start 9.30 uur). Alle praktische informatie vindt u op www.ua.ac.be/valentijnJournalisten zijn vanzelfsprekend van harte welkom op het
symposium. Wie het symposium en het bezoek van prinses Mathilde wil bijwonen en
niet over een perskaart van Binnenlandse Zaken beschikt, meldt zich ten laatste
op woensdag 8 februari om 17 uur bij Peter De Meyer, persverantwoordelijke van
de Universiteit Antwerpen: 0476 20 07 54 en peter.demeyer@ua.ac.beMedia die het bezoek van prinses Mathilde willen
verslaan, worden om 9 uur verwacht op Campus Drie Eiken, Gebouw Q, Aula
F (Universiteitsplein 1 in Wilrijk). Er zijn parkeerplaatsen voor de pers
op Parking 3.
Contactpersoon Valentijnvaccinatiesymposium:
Dr. Heidi Theeten
T 03 265 25 38
F 03 265 26 40 pierre.vandamme@ua.ac.beInschrijvingen en praktische info: emmy.engelen@ua.ac.be
Interviews met de sprekers zijn
mogelijk na het symposium (vanaf 13.30 uur).
|
|
|
|
|
Populieren en wilgen van POPFULL-project worden eerste maal
geoogst
Kunnen bio-energieplantages een waardig alternatief bieden voor de
vervuilende en steeds schaarser wordende fossiele brandstoffen? Op die vraag
probeert het team van prof. dr. Reinhart Ceulemans (Universiteit Antwerpen) een
antwoord te vinden met het POPFULL-project in Lochristi. Na twee jaar kunnen de
populieren en de wilgen op de grootste bio-energieplantage van het land voor de
eerste maal geoogst worden, en dat in aanwezigheid van prins Filip.
De Universiteit Antwerpen kan buigen op een jarenlange
ervaring in het wetenschappelijk onderzoek naar populieren. Sinds 1976
bestudeert de onderzoeksgroep Planten- en Vegetatie-Ecologie (PLECO) van de
universiteit de ecologie en ecofysiologie van populieren. “In 1996 legde onze
onderzoeksgroep een eerste bio-energieplantage aan in Boom”, zegt prof. dr.
Reinhart Ceulemans, directeur van het onderzoeksexcellentiecentrum ECO van de
Universiteit Antwerpen en woordvoerder van de onderzoeksgroep PLECO.
Die kleinere plantage, de oudste van België, leverde
per hectare en per jaar elektriciteit op voor twee gezinnen. Voorjaar 2010 was
het tijd voor een volgende stap. Op een terrein van 18 hectare aan de Bosstraat
in Lochristi werden 100 000 populieren en wilgen aangeplant, meteen
voldoende om de grootste bio-energieplantage van België te worden. Het
ambitieuze project kreeg de naam POPFULL mee. POP staat voor populier, FULL
voor volledige energiebalans, volledige levenscyclusanalyse en volledige
economische balans.
Broeikasgassen
verminderen “Een internationaal en multidisciplinair team van onderzoekers
bestudeert er de efficiëntie van een biomassacultuur met populier en wilg”,
legt Ceulemans uit. “De energetische en de economische efficiëntie van de
plantage wordt onderzocht, maar we kijken ook naar de vermindering van de
broeikasgasemissies. Via een meetmast boven de plantage meten we de opname en
de uitstoot van broeikasgassen door de bomen. Zo kunnen we uitrekenen hoeveel
broeikasgassen er uit de lucht zullen blijven als we fossiele brandstoffen
vervangen door energie uit houtige biomassa.”
Met alle verzamelde gegevens wordt een levenscyclusanalyse
uitgevoerd. Zo kunnen de onderzoekers op een goed onderbouwde manier het
potentieel van dergelijke biomassaculturen als hernieuwbare energiebron
inschatten. Ceulemans: “Er zijn meerdere alternatieven voor de productie van
hernieuwbare bio-energie. Waarschijnlijk hebben bio-massaculturen, zoals
snelgroeiende houtachtige gewassen die snel geoogst kunnen worden, de grootste
potentie.”
Na twee jaar zijn de populieren en de wilgen in Lochristi
uitgegroeid tot kleppers van vijf meter hoog, met uitschieters tot zeven meter.
Eind januari en begin februari 2012 wordt er voor de eerste maal geoogst. “Dat
gebeurt met bijzondere oogstmachines uit Denemarken. De houtsnippers worden op
twee manieren omgezet in bio-energie: via een kleinschalige verbranding en via
co-verbranding in een elektriciteitsinstallatie. In 2014 staat een tweede oogst op de agenda.
Bedoeling is ook om de optimale rotatiecyclus te achterhalen: is het interessant om de bomen lange tijd te
laten groeien zodat ze veel koolstof opnemen en lang vasthouden, of is het
interessanter om bomen jong te oogsten en snel nieuwe boompjes te laten
groeien?”
Europese
steun Het POPFULL-project loopt in nauwe samenwerking met Groep Mouton,
een bedrijf uit Lochristi dat gespecialiseerd is in de oogst van bomen en
verwerking van biomassa. Het prestigieuze project wordt mee gefinancierd door
de Vlaamse Overheid (Hercules Stichting en Methusalem-financiering), het
FWO-Vlaanderen en de Universiteit Antwerpen. Vooral Europa draagt financieel
bij via de European Research Council. Prof. dr. Reinhart Ceulemans, die tot de
10% beste onderzoekers van Europa in zijn vakgebied behoort, kreeg van Europa
een budget van 2,5 miljoen euro voor de periode 2009-2014. Voor zijn onderzoek
op biomassa en bio-energie werd hij reeds gelauwerd met een belangrijke
bosbouwonderscheiding (van de IUFRO, de International Union of Forestry
Research Organisations in Montreal, Canada, 1990) en met een eredoctoraat aan
de Mendel University in het Tsjechische Brno.
Meer weten?
http://webh01.ua.ac.be/popfull
Prof. dr. Reinhart Ceulemans, Onderzoeksgroep
PLECO & Excellentiecentrum ECO, Departement Biologie, Universiteit
Antwerpen: reinhart.ceulemans@ua.ac.be en 03 265 22 56.
|
|
|
|
|
Lerarenopleiders kijken over het muurtje
De Vereniging voor Lerarenopleiders Vlaanderen (VELOV) organiseert
op maandag 6 en dinsdag 7 februari een congres voor lerarenopleiders uit
Vlaanderen en Nederland. De vereniging pakt uit met een primeur:
onderwijsminister Pascal Smet zal er het ontwikkelingsprofiel voor Vlaamse
lerarenopleiders in ontvangst nemen.
Het
jaarlijkse congres voor lerarenopleiders vindt dit jaar plaats aan de
Universiteit Antwerpen. Op 6 en 7 februari verzamelen bijna 700 deelnemers in
de Scheldestad. Met het thema ‘Over het muurtje’ wil de organisatie dit
jaar duidelijk maken dat het belangrijk is om je vertrouwde omgeving af en toe
te verlaten. Op die manier kan je heel wat leren van collega’s en andere
sectoren.
Op
het programma staan lezingen en symposia over actuele thema’s uit de brede
onderwijswereld. Twintig Antwerpse scholen geven de deelnemers ook letterlijk
de kans om over het muurtje te kijken. De scholen heten groepjes congresgangers
welkom en tonen hen hoe ze – binnen de context van Antwerpen als
onderwijslaboratorium – aan onderwijsvernieuwing doen.
Op
maandagavond krijgt onderwijsminister Pascal Smet het ontwikkelingsprofiel van
de Vlaamse lerarenopleider overhandigd. In Nederland bestaat dat al langer,
maar voortaan zal ook duidelijk zijn aan hoe de ideale Vlaamse lerarenopleider
er uit ziet.
Meer weten?
Journalisten
zijn tijdens het congres van harte welkom. Het volledige programma vindt u op www.velov2012.be .
De
overhandiging van het ontwikkelingsprofiel van de Vlaamse lerarenopleider aan
Pascal Smet, minister van Onderwijs, vindt plaats op maandag 6 februari om 19
uur in Zaal Horta (Hopland 2 in Antwerpen).
|
|
|
|
|
Universiteit Antwerpen ondervindt weinig hinder van staking De algemene staking van 30 januari verstoort de examens op de Universiteit Antwerpen geenszins. Uit een rondvraag bij de verscheidene departementen blijkt dat slechts enkelingen de weg naar het examen niet vonden. “We hebben vandaag bijna geen mails of telefoontjes ontvangen van studenten die niet op de campus geraakt zijn”, klinkt het bij de verscheidene departementen. De meeste studenten zijn dus gewoon aanwezig en kunnen zoals gepland hun examen afleggen. De Universiteit Antwerpen benadrukte vooraf dat de examens niet verplaatst zouden worden omwille van de staking. Een enkeling informeerde vorige week naar mogelijke consequenties voor zijn of haar afwezigheid, maar vandaag bleek dat alle studenten de nodige inspanningen deden om op de campus te geraken. De studenten waren met andere woorden goed voorbereid op de staking. Zo goed zelfs dat de dienstauto die rector Alain Verschoren vorige week ter beschikking stelde, een Jaguar met lederen zetels en chauffeur, gewoon in de garage bleef. Meer weten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: 03 265 47 11 of peter.demeyer@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Universiteit Antwerpen pakt uit met werkboek rond faalangst
“Faalangst kan je overwinnen”
Studeren brengt altijd wat spanning en (gezonde) stress met zich mee. Dat hoeft geen negatieve invloed te hebben op de studieresultaten, maar sommige jongeren ontwikkelen faalangst, en dat kan je studie behoorlijk in de war sturen. Ben je elke minuut bezig met je studie, terwijl je dringend nood hebt aan ontspanning? Ga je avond na avond op stap om de confrontatie met de naderende deadlines te vermijden? Steeds meer studenten kampen met faalangst: onderzoek leert dat ongeveer één student op vier in het hoger onderwijs er mee te maken heeft. De Universiteit Antwerpen ontwikkelde een werkboek dat studenten wil helpen hun angst te begrijpen en aan te pakken.
“Ons werkboek Focus op faalangst is geen wondermiddel”, zegt Isabelle Vloeberghs van de Dienst voor Studie en Studentenbegeleiding. “Maar het kan wel een eerste stap zijn om zelf een lastig probleem aan te pakken. In het eerste deel vind je een beschrijving van angst en faalangst en kan je je eigen probleem in kaart brengen. Wat doe, denk en voel je dat met faalangst te maken heeft? Waar komt die angst vandaan? Wat wil je veranderen? In het tweede deel bundelen we een aantal bruikbare strategieën en oefeningen om te leren omgaan met angstige gedachten, om je te ontspannen en om je studie anders aan te pakken.”
Focus op Faalangst werd ontwikkeld voor groepstraining en individuele begeleiding van studenten in het hoger onderwijs, en voor zelfstandig gebruik. Ook voor leerkrachten secundair onderwijs, CLB-medewerkers en docenten kan dit werkboek een nuttig instrument zijn. Het is samengesteld door studentenbegeleiders van de Dienst voor Studieadvies en Studentenbegeleiding van de Universiteit Antwerpen. Het is een werkboek uit de praktijk, voor de praktijk.
Meer weten?
Isabelle Vloeberghs, Dienst voor Studie en Studentenbegeleiding: isabelle.vloeberghs@ua.ac.be of 03 265 48 70. www.ua.ac.be/studentenbegeleiding Het boekje kost tien euro en kan besteld worden via stip@ua.ac.be.
|
|
|
|
|
|
Eerste oogst op grootste bio-energieplantage lokt prins Filip naar Lochristi
Vijf tot zeven meter hoog zijn ze ondertussen, de snelgroeiende populieren en wilgen op de grootste bio-energieplantage van België. Op vrijdag 3 februari bezoekt prins Filip dit veelbelovende wetenschappelijke project, en neemt hij een kijkje tijdens de allereerste oogst. Voorjaar 2010 plantte de Universiteit Antwerpen 100 000 populieren en wilgen op de 18 ha grote plantage aan de Bosstraat in Lochristi. Prof. dr. Reinhart Ceulemans leidt er nog tot minstens 2014 het onderzoeksproject. “We telen de snelgroeiende bomen voor de productie van hernieuwbare bio-energie”, legt Ceulemans uit. “Erg belangrijk, want de fossiele brandstoffen worden steeds schaarser en duurder. Er is dus dringend nood aan alternatieve energiebronnen.” Op twee jaar tijd groeiden de bomen uit tot kleppers van vijf, soms wel zeven meter hoog, en is de tijd rijp voor de eerste oogst. Voor die klus worden speciale oogstmachines uit Denemarken ingeschakeld. “De biomassa die we oogsten, wordt omgezet in bio-energie via verbranding in een elektriciteitscentrale, en hierbij wordt groene stroom geproduceerd”, zegt de Antwerpse professor ecologie. Het project, mee gefinancierd door de Europese Commissie en de Vlaamse Overheid, controleert ook de luchtkwaliteit boven de plantage. “We meten onder meer alle belangrijke broeikasgassen”, stelt Ceulemans. “Op die manier kunnen we een model ontwikkelen om voorspellingen te doen over de mogelijke vermindering van emissies van deze hernieuwbare energieproductie.” Verder voeren de onderzoekers ook een volledige levenscyclusanalyse uit van de hele bio-energieproductieketen. Meer informatie over het wetenschappelijk project vindt u op http://webh01.ua.ac.be/popfull Praktisch : Prins Filip bezoekt de bio-energieplantage op vrijdag 3 februari. Journalisten zijn van harte welkom.
- De media worden om 9 uur verwacht bij de firma Groep Mouton (Verleydonckstraat 52 in Lochristi). Vandaar gaat het met de bus naar de plantage in de Bosstraat. Na het bezoek aan de plantage brengt de bus iedereen terug naar Groep Mouton.
- Om 11 uur woont prins Filip er een werkvergadering bij met bio-energiespecialisten.
- Om 12 uur wordt het prinselijk bezoek op dezelfde locatie afgesloten met een receptie. Ook hier zijn de media welkom.
Afhankelijk van de weersomstandigheden zijn aangepast schoeisel of laarzen aangewezen tijdens het bezoek aan de plantage. Journalisten die niet over een perskaart van Binnenlandse Zaken beschikken, mailen hun naam, medium en geboortedatum ten laatste op maandag 30 januari 2012 naar peter.demeyer@ua.ac.be. Meer weten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke Universiteit Antwerpen: 03 265 47 11 en peter.demeyer@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
De Vlaamse steden en gemeenten kunnen, ondanks de uitgebreide regelgeving, werk maken van een eigen beleid op het vlak van personeelsaangelegenheden. “Maar toch doen de meesten nog een beroep op het voorbeeldstatuut van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur”, besluit Nele Peeters in haar doctoraatsscriptie aan de Universiteit Antwerpen. “Een beetje jammer, want ze krijgen de kans om zich als een aantrekkelijke werkgever te profileren.
In haar proefschrift, met de professoren Ria Janvier en Wouter Van Dooren als promotor, stelt Peeters de spanning tussen Vlaamse sturing en lokale autonomie in personeelsaangelegenheden bij Vlaamse gemeenten centraal. “Uit de analyse van de regelgevende kaders blijkt dat de lokale besturen heel wat vrijheid krijgen voor de invulling van hun personeelsbeleid, ondanks de grote hoeveelheid regels die door Vlaanderen wordt opgelegd”, legt Peeters uit. “Maar uit mijn onderzoek blijkt dat de overgrote meerderheid van die gemeenten in de praktijk een beroep doet op het voorbeeldstatuut dat het Agentschap voor Binnenlands Bestuur (ABB), de toezichthoudende overheid, ontwikkelde.”
Hoe groter de gemeente, hoe groter de kans dat er op het vlak van personeelsbeleid aan maatwerk gedaan wordt. Ook de anciënniteit van de personeelsverantwoordelijke en het advies van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) vergroten de kans dat een gemeente aan maatwerk doet. De toezichthoudende overheid oefent zowel een positieve als een negatieve invloed uit. Zij verleent enerzijds advies aan de lokale besturen (coach), maar controleert anderzijds ook de lokale regelgeving (scheidsrechter). Peeters: “Deze dubbele rol brengt zowel voor de toezichthouders zelf als voor de lokale besturen onzekerheid met zich mee. Gemeenten roemen de toezichthoudende overheid voor haar begeleiding en adviezen, maar hekelen anderzijds de gedetailleerde toezichtuitoefening. Een belangrijke beleidsaanbeveling is dan ook om beide rollen meer uit elkaar te halen.”
Heel wat gemeenten schakelen bij het opstellen van een rechtspositie een externe consultant in. “Bedoeling is dat consultant en gemeente samen tot een beleid op maat komen”, zegt de kersverse doctor. “Maar de praktijk bewijst het tegendeel: veel gemeenten conformeren zich veelvuldig aan het model dat door de consultant zelf werd ontwikkeld. Vaak vertrekken consultants voor hun model echter van het model van ABB. We zien dan ook dat de rechtspositie van vele gemeenten die een beroep deden op een externe consultant, sterke gelijkenissen vertoont met het voorbeeldstatuut van ABB.”
Veel gemeentebesturen geven aan dat ze de mogelijkheden en beperkingen van de regelgeving, die zowel op Vlaams als op gemeentelijk niveau recent van aard is, nog onvoldoende onder de knie hebben. Peeters: “Heel wat lokale besturen stippen aan dat ze in de nabije toekomst wijzigingen willen doorvoeren. Dat is absoluut een goede zaak: het zogenaamde rechtspositiebesluit wil de gemeenten immers de kans bieden een modern en aangepast personeelsbeleid te voeren, zodat ze zich als een aantrekkelijke werkgever kunnen profileren.”
Meer weten?
Nele Peeters: nele@martinel.be
|
|
|
|
|
|
In de tweede helft van 2010 speelde België een leidende rol in de manier waarop de Europese Unie nieuwe regels aan de lidstaten oplegt. Ons land legde geen Belgische agenda op aan Europa, maar liet de Europese machinerie op volle toeren draaien. Dat blijkt uit een grondige studie van het Belgische Voorzitterschap van 2010, uitgevoerd door meer dan twintig academici. Steven Van Hecke en Peter Bursens, verbonden aan het Antwerp Centre for Institutions and Multilevel Politics (ACIM) van de Universiteit Antwerpen, goten de studie in het boek Readjusting the Council Presidency: Belgian Leadership in the EU. Het werk wordt voorgesteld op maandag 23 januari.
Wie meer wil weten over het boek, kan contact opnemen met Steven Van Hecke steven.vanhecke@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
Monica Grosso (Universiteit Antwerpen/Universiteit van
Genua) bestudeerde het concurrentievermogen van intermodaal goederenvervoer in
Europa. Ondanks het feit dat de gegeneraliseerde kost (inclusief waarde van
tijd) van wegvervoer hoger is, wordt er in de praktijk nog steeds hoofdzakelijk
voor deze modus gekozen. Naast tarieven en snelheid zijn het dus vooral
kwalitatieve factoren zoals betrouwbaarheid, flexibiliteit, frequentie, kans op
verlies en schade van de goederen, die een rol spelen bij de keuze van de
vervoerswijze.
Contact
Promotor Universiteit Antwerpen Doctor
|
Prof. dr. Hilde Meersman Faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen Promotor Coördinator Steunpunt Goederenstromen Departement Transport en Ruimtelijke economie Prinsstraat 13, 2000 Antwerpen hilde.meersman@ua.ac.be Monica Grosso Monica.Grosso@ua.ac.be |
|
|
|
|
|
Maandagnamiddag verdedigde Elli Verhulst (Artesis Hogeschool Antwerpen) met succes haar doctoraatsscriptie. Zo werd ze meteen de allereerste doctor in de Productontwikkeling.
In haar doctoraat bevestigt Verhulst dat het ontwerpen van duurzame producten een uitdaging vormt voor bedrijven, hun management én hun medewerkers.
Volledige persbericht

|
|
|
|
|
Voor studenten is de fiets sowieso hét vervoermiddel bij uitstek, maar ook het personeel van de Universiteit Antwerpen springt massaal op de tweewieler om van en naar het werk te rijden. Maar wie fiets zegt, zegt helaas ook lekke banden, defecte verlichting of haperende remmen. Met de fietsherstelwerkplaats trekt de universiteit nu ten strijde tegen die ongemakken.
Studenten en medewerkers van de Universiteit Antwerpen kunnen vanaf dinsdag 17 januari terecht in de fietsherstelwerkplaats in het Gebouw De Meerminne op de Stadscampus. Op dinsdag, woensdag en donderdag tussen 8 en 13 uur buigen werknemers van de vzw Leerwerkplaats Garage zich over de tweewielers. Banden, remblokjes, verlichting, een algemeen nazicht: de fietsers brengen hun tweewieler ’s ochtends binnen en enkele uurtjes later kunnen ze weer de weg op met een veilige fiets. Wie een beroep doet op de fietsherstelwerkplaats, betaalt een vergoeding voor het verrichte werk. De arbeiders die de herstellingen uitvoeren, zijn laaggeschoolde werklozen die een opleiding tot fietsmechanicus volgen. Ze kunnen maximaal een jaar aan de slag blijven in de fietsherstelwerkplaats van de Universiteit Antwerpen. Vervolgens stromen ze door naar de privémarkt. Praktisch: Journalisten kunnen op dinsdag 17 januari om 11 uur een kijkje komen nemen in de fietsherstelwerkplaats. Die bevindt zich in de fietsenkelder van Gebouw De Meerminne (Sint-Jacobstraat 2 in Antwerpen). Meer weten? Peter De Meyer, persverantwoordelijke van de Universiteit Antwerpen: peter.demeyer@ua.ac.be, 03 265 47 11.
|
|
|
|
|
Vierhonderd scholieren duiken
de chemie in
Antwerpen kan niet zonder de
chemie, en de chemie kan niet zonder gemotiveerde en goed opgeleide
Antwerpenaars. De Universiteit Antwerpen heeft die boodschap absoluut begrepen
en wil jongeren nog voor de universiteit onderdompelen in de boeiende wereld van
de scheikunde. Het bewijs: het project Chemiestudent voor één dag!
Chemiestudent voor één dag biedt
scholieren uit het zesde jaar middelbaar de mogelijkheid een dag kennis
te maken met het dagelijkse leven aan de universiteit. De leerlingen zijn superenthousiast: meer
dan vierhonderd scholieren zakken vanaf dinsdag 17 januari verspreid over
zes sessies af naar de Campus Groenenborger van de Universiteit Antwerpen.
Ze krijgen een dagvullend
programma rond redoxchemie aangeboden. Redoxreacties zijn erg talrijk in het dagelijkse leven: batterijen en accu's,
zuivering van metalen, corrosie... 's Ochtends volgen de scholieren een
hoorcollege en maken ze oefeningen. Na de middagpauze duiken ze de
practicumzaal in.
Praktisch:
Chemiestudent voor één dag vindt
plaats op 17, 19, 20, 23, 24 en 26 januari 2012.
Journalisten zijn van harte welkom
om een kijkje te komen nemen tijdens de practica, telkens tussen 13.30 en 15.30
uur in lokaal S.105 in Gebouw S op de
Campus Groenenborger (Groenenborgerlaan 171, 2000 Antwerpen).
Meer weten?
Sofie Slaets: sofie.slaets@ua.ac.be
|
|
|
|
|
In België leeft 14,6% van de mensen in armoede. De laatste jaren nam het aantal grootverdieners toe, maar steeds meer mensen uit de middenklasse krijgen het moeilijk. Deze en heel wat meer gegevens komen uit het eerste federale Jaarboek ‘Armoede in België 2012’. Het boek, samengesteld door het Centrum OASeS (Centrum voor Ongelijkheid, Armoede, Sociale uitsluiting en de Stad van de Universiteit Antwerpen), CeRIS (Centre de Recherche en Inclusion Sociale van de Université de Mons) en de POD Maatschappelijke Integratie, werd donderdagochtend voorgesteld op een persconferentie in Brussel. Het werk bundelt cijfers over armoede, bespreekt recente ontwikkelingen en schuift uitdagingen voor de beleidsmakers naar voor. In de bijlage vindt u de perstekst, in een Nederlandstalige en een Franstalige versie. Het Jaarboek wordt op donderdag 19 januari van 9.30 tot 14 uur voorgesteld tijdens het colloquium ‘Armoede bestrijden via Actieve Insluiting’, in het Residence Palace in Brussel. Inschrijven kan via www.oases.be
|
|
|
|
|
Centrum OASeS
(Centrum voor Ongelijkheid, Armoede, Sociale uitsluiting en de Stad van de
Universiteit Antwerpen), CeRIS (Centre de Recherche en Inclusion Sociale van de
Université de Mons) en de POD Maatschappelijke Integratie hebben het genoegen u
uit te nodigen voor een persconferentie waarop het federale Jaarboek
‘Armoede in België 2012’ wordt voorgesteld. Het is de bedoeling dat hiermee
een traditie wordt ingezet die vergelijkbaar is met die van het Vlaamse
Jaarboek, waarvan de twintigste editie in december 2011 verscheen.
Dit Jaarboek is
een gemeenschappelijk product van beide onderzoekscentra. Het werd geschreven
op verzoek van de Staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie,
Armoedebestrijding en Sociale Economie en van de POD Maatschappelijke
Integratie. In een eerste reactie op de vaststellingen van het federale Jaarboek geeft Maggie De Block, staatssecretaris voor Asiel,
Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, haar beleidsvisie
mee.
De
persconferentie vindt plaats op donderdag 12 januari om 10.30 uur, in
zaal Multatuli van de POD MI. Die bevindt zich op de 27ste
verdieping van WTCII, Koning Albert II laan 30 te 1000 Brussel (http://www.mi-is.be/be-nl/over-de-pod-mi/waar-bevindt-de-pod-mi-zich).
De voorstelling voor het grote publiek gebeurt tijdens een colloquium over
‘Armoede bestrijden via Actieve Insluiting’ in het Résidence Palace (Brussel)
op 19 januari van 9.30 tot 14 uur. Gastspreker is Richard Wilkinson, auteur van
het internationaal gerenommeerde boek The Spirit Level. Het programma
van het colloquium staat op www.oases.be en op www.mi-is.be.
Inschrijven kan alleen via www.oases.be.
*******
Dit Jaarboek
brengt dus de stand van zaken in heel België. De bevoegdheden die aan bod
komen, zijn dan ook bij uitstek federale bevoegdheden en hun weerslag op
armoede en sociale uitsluiting.
Uitgangspunt was
om een balans te maken van de ontwikkelingen tijdens 2011, het jaar na het
Europese Jaar tegen Armoede en Sociale Uitsluiting en het Belgische
voorzitterschap van de Europese Unie. De invalshoek is die van multilevel
governance. Het thema is de Europese strategie van actieve insluiting en haar
drie pijlers: een toereikend inkomen, inclusieve arbeidsmarkt en
kwaliteitsvolle diensten.
Deze editie bevat
bijdragen over de kloof tussen arm en rijk, armoede bij kinderen, precaire
arbeidsstatuten, armoede en stedelijkheid, Europese cao’s, referentiebudgetten,
minimumuitkeringen in de sociale zekerheid, pensioenen, gezondheidszorg,
energiearmoede, toegang tot sociale diensten voor doelgroepen (gehandicapten,
dak- en thuislozen) en over diensten van algemeen belang.
Voor die stand
van zaken baseren we ons in de eerste plaats op de eigen wetenschappelijke
deskundigheid en die van de gastauteurs. We verzamelen en analyseren recente
cijfers, beleidsmaatregelen inzake armoedebestrijding en de bestaande
wetenschappelijke studies over armoede en sociale uitsluiting in België. Deze
stand van zaken wordt vergezeld door kritische reflecties en aanbevelingen over
het te voeren beleid.
In het derde deel
worden de besluiten verzameld en enkele aanbevelingen gedaan naar de publieke
overheden toe, op basis van de vaststellingen in dit Jaarboek.
Em. prof. dr. Jan
Vranken, OASeS (Universiteit Antwerpen)
Prof. dr.
Willy Lahaye, CeRIS (Université de Mons)
Meer weten?
Anneline Geerts (Universiteit Antwerpen): 03 265 55 51 of anneline.geerts@ua.ac.be
|
|
|
|
|
|
|
|