1)
Je kan het rechtsfenomeen als maatschappelijke instelling duiden: wat is recht, wat is de functie van het recht, hoe functioneren de instellingen, welke zijn de rechtsbronnen en hun onderlinge verhoudingen.
2)
Je weet wat subjectieve rechten zijn, hoe zij ontstaan, uitgeoefend worden en weer tenietgaan. Je bent vertrouwd met basisbeginselen in het recht zoals de contractvrijheid en het rechtsmisbruik.
3)
Je begrijpt dat rechtsinstituten verweven zijn in de samenleving en kan dat aantonen aan de hand van de evolutie in instituten zoals het huwelijk en de onrechtmatige daad.
4)
Je ziet in dat overheidsinstellingen niet willekeurig mogen optreden. Je hebt een basisinzicht in de behoorlijkheidsbeginselen waaraan zij onderworpen zijn: beginselen van behoorlijke regelgeving, behoorlijk bestuur en behoorlijke rechtsbedeling. Je hebt eveneens een basisinzicht in de grondrechten als juridisch kader dat de verhoudingen tussen overheid en personen beheerst en personen tegen overheidsoptreden beschermt.
5)
Je hebt kennis van de instellingen waarbinnen de politieke macht zich afspeelt, van de grondregels die de publieke instellingen beheersen en van de geschiedenis en ratio van deze instellingen.
6)
Je hebt inzicht in de politieke machtsverhoudingen en de verhouding daarvan met het juridische kader.
7)
Je volgt en begrijpt het politieke en gerechtelijke nieuws in de krant of op radio of t.v. en kan de leerstof erop toepassen.
8)
Je kan zinvol discussiëren over de leerstof: je kan ontwikkelingen i.v.m. bepaalde rechtsfenomenen of publieke instellingen plaatsen en evalueren, en eventueel kritiek formuleren.