Start | Personen | Google | Route | Contact | AfdrukkenLogin 
Ruusbroecgenootschap  
English   
§ 1 en 2

1. Inleiding

Hier sta ik dan, als ik eerlijk ben, tot mijn eigen verbazing. Voor het soort werk dat ik gewoon ben te doen, zijn de banen schaars en is mobiliteit uitzondering. Daarom leefde ik tot voor kort met het zekere vooruitzicht van nog tien jaar voltijds werk als kerkhistoricus aan de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht. Hoewel ik dat werk graag deed en in deeltijd nog steeds doe, is de zekerheid bedrieglijk gebleken. Bijna van het ene moment op het andere is mijn horizon veranderd. Naast de mij vertrouwde Utrechtse Domtoren staat nu de Antwerpse Lieve Vrouwe Kathedraal. Opeens ligt het grootste deel van mijn werk in Antwerpen en, daar aangekomen, wordt de verbazing ingehaald door enthousiasme.

Dat enthousiasme wordt opgewekt door een dubbele overtuiging. In de eerste plaats huldig ik de opvatting dat het godsdienstig leven en de geest van waaruit dat leven wordt ingevuld een centrale plaats moet hebben bij de beoefening van de kerkgeschiedenis en in de tweede plaats ken ik in de Nederlanden geen betere context dan het Ruusbroecgenootschap om mijn eerste overtuiging om te zetten in onderzoek en onderwijs op het terrein van het godsdienstig leven in de Nederlanden. In de context van het Ruusbroecgenootschap gaat een mij precies passende doelstelling samen met een enorme rijke bibliotheek en een universitaire werkomgeving. Met veel genoegen wil ik dan ook gebruikmaken van het bijna samenvallen van het officiële begin van mijn aanstelling en de genootschapsdag om met iedereen kennis te maken en mij zelf enigszins te introduceren.

Deze introductie is opgebouwd uit drie delen. Om te beginnen lijkt het mij, juist in het kader van een kennismaking, informatief als ik de ontwikkeling van mijn belangstelling voor het godsdienstig leven wat toelicht. Deze schets gaat bijna vanzelf over in een uiteenzetting van mijn plannen en eindigt met de formulering van enkele desiderata.

2. Introductie van mij zelf en schets van wetenschappelijk werk en interesse

Als ik mij zelf moet positioneren, dan meld ik gewoonlijk dat mijn leven begonnen is in de tijd vóór het Tweede Vaticaanse Concilie. Bij die tijd past de volgende anekdote. Na blijkbaar boeiende verhalen van zuster Perpetua ben ik op een dag van de kleuterschool thuisgekomen met een heel pertinente gewetensvraag aan mijn moeder. Of ze even kon zeggen hoe lang ze voor mij zou blijven bidden als ik slechte dingen zou gaan doen. De verhalen van zuster Perpetua hadden betrekking gehad op Augustinus en diens moeder Monica en ik wilde graag weten of ik kon rekenen op eenzelfde onwankelbare steun als Augustinus had gehad. Het antwoord ken ik niet letterlijk meer, maar de strekking ervan des te beter. De toegezegde steun was solide genoeg om de zekerheid te geven dat het ook nog wel goed zat als je eens iets verkeerds deed, zelfs als je langdurig behoorlijk verkeerde dingen deed. Dat relativeerde de leer en de morele normen en liet ruimte voor leven.

Meer dan de leer is dat leven mij blijven boeien. Tijdens mijn theologiestudie leidde dat in de prespecialisatiefase tot de keuze voor ascese en mystiek en toen ik vervolgens in de laatste fase van de theologiestudie overstapte naar de kerkgeschiedenis, was dat geen grote breuk. In feite is zelfs mijn belangstelling voor kerkboeken gewekt toen ik werkte aan mijn doctoraal scriptie over Petrus Schouten. Deze Hollandse pastoor heeft zich tussen 1785 en 1805 onderscheiden als auteur van diverse werken en het schrijven van zijn biografie deed mij in aanraking komen met De waare godsdienst, een kerkboek uit 1794. Ten gevolge van mijn pogingen om dat werk te kunnen plaatsen en begrijpen ging het hoofdstuk dat ik toen bij wijze van proef heb ingeleverd, helemaal over kerkboeken, eerst over De waare godsdienst zelf en vervolgens over de kerkboeken waaraan dit boek mogelijkerwijs schatplichtig was.

Van dit met enthousiasme geschreven hoofdstuk is maar weinig tekst in de eindversie van de scriptie terechtgekomen, omdat de biografie die ik zou schrijven door de uitstap naar de kerkboeken helemaal uit evenwicht dreigde te raken. Mijn begeleider stelde mij dan ook terecht voor de keus tussen de biografie en de kerkboeken. Omdat ik de gegevens voor de biografie al vrijwel allemaal bijeen had en de uitwerking van het kerkboekenhoofdstuk nog heel wat aanvullend onderzoek zou vergen, verdween mijn poging om de De waare godsdienst te behandelen tegen de achtergrond van het contemporaine aanbod in de spreekwoordelijke koelkast. Toen ik het daar vijf jaar later weer uithaalde om er een werkcollege op te baseren, bleek de inhoud echter nog allerminst bedorven. Integendeel, het wekte nog zozeer de eetlust op dat het van een geschrapt nevenverhaal in mijn doctoraal scriptie werd tot onderwerp van mijn doctorale proefschrift.

Wie gewend is aan de grote geesten, die fascineren door de hoge vlucht van hun mystiek - en wie is dat niet in dit gezelschap – zal zich intussen wellicht afvragen om wat voor topstuk in het genre het dan wel gaat dat het zoveel enthousiasme gewekt heeft en zo lang zoveel energie heeft weten los te maken. De stellers van deze vraag moet ik teleurstellen. Het gaat helemaal niet om een topstuk, tenzij primair gekeken zou worden naar de omvang. Het kerkboek dat in 1794 op Schoutens naam verschenen is, telt 679 bladzijden en is binnen het genre in dat opzicht ongetwijfeld een topper. Daar staat tegenover dat het slechts een oplage had van ongeveer 1200 exemplaren en dat er pas na 34 jaar een enkele herdruk van is verschenen, vermoedelijk met geen groter oplage dan waarmee de eerste druk het licht had gezien. Menig soortgenoot binnen het genre had een grotere oplage en een groter aantal herdrukken.

Nogmaals: waarom dan toch dat enthousiasme en die inzet van jaren? In de kern komt het antwoord erop neer dat De waare godsdienst een gelukkige toegang is gebleken voor onderzoek van het kerk- of gebedenboek in het algemeen en zelfs van aanpalende produkten van de drukpers. Ondanks alle beperkingen bood dit boek mij de gelegenheid om kennis te maken met de verschillende aspecten van het genre en met de perspectieven van een veelzijdige benadering.

Daar zag het aanvankelijk niet naar uit. De bespreking van Schoutens kerkboek die Pontianus Polman heeft opgenomen in zijn geschiedenis van Katholiek Nederland in de 18e eeuw, was niet bepaald bemoedigend. De auteur wordt erin meteen al gedegradeerd tot "een soort epigoon" en dus als tweederangs weggezet. Vervolgens beperkt de handboekschrijver zich voornamelijk tot een reeks opmerkingen over de aard en de inhoud van het kerkboek zonder het werk echt te analyseren. Tussen haakjes, wie hem dit alles kwalijk wil nemen, heeft daartoe wel reden maar nauwelijks het recht. Onderzoek naar kerkboeken – en eigenlijk zelfs alle onderzoek naar boeken op het terrein van het godsdienstig leven – lijdt onvermijdelijk onder het vrijwel onoplosbare probleem dat over elk afzonderlijk werk weinig zinnigs te zeggen valt als er geen grondige kennis is van het hele genre, terwijl tegelijkertijd kennis van het hele genre pas mogelijk is nadat eerst de afzonderlijke werken diepgaand onderzocht en geanalyseerd zijn.

Omdat Polman het belang van kerkboekenonderzoek wel inzag, maar zich slechts kon baseren op de resultaten van eerste, noodzakelijk nog vluchtige verkenningen, lag het maken van hele en halve missers voor de hand. Heel spectaculair is dat gebeurd bij de beschrijving van een uitgave in 1772 van een kerkboek met de titel Vermeerderd paradys des hemels. Hij bespreekt het uitvoerig in de veronderstelling dat het om een ingrijpende, nieuwe bewerking gaat van een uit de 17e eeuw stammende Paradys des hemels. In werkelijkheid had hij geen bewerking van een oud kerkboek in handen maar een vrij nieuw werk, dat tot diep in de 19e eeuw is uitgegeven onder de titel Godvruchtige leidsman.

In het geval van De waare godsdienst blijkt Polman, die alleen de tweede druk heeft geraadpleegd, Schoutens eigen woord vooraf te hebben gelezen alsof het een tekst betrof van de bezorger van de heruitgave. Door deze interpretatiefout is het hem volledig ontgaan dat de veranderingen die in het voorwoord worden aangekondigd, geen betrekking hebben op de relatie van de tweede druk uit 1828 met de eerste editie van 1794 maar op de verhouding van de editie van 1794 en een voorganger van ouder datum.

Het is overigens zeer onzeker of hij met een betere lezing veel verder gekomen was. Toen Polman zijn handboek schreef, waren er nog geen computercatalogi en zelfs als die er waren geweest, had hij die voorganger niet gevonden. Zo verging het mij tenminste in 1974, toen ik via de fiches van de oude Centrale Catalogus in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag naar het werk zocht. Het vervelende was dat Schouten in zijn woord vooraf een bibliografisch raadsel had gecreëerd door te verwijzen naar "dit in zijnen voorigen stant, door verscheidenen, hoog geschatte kerkboek." Zijn verwijzing gold dus niet een met name genoemd werk. Het voorbeeld dat hij gebruikt had, hoefde met andere woorden niet noodzakelijk een zelfde titel te hebben gehad. Om die reden heb ik destijds mijn onderzoek verbreed tot alle Nederlandstalige kerkboeken uit de periode 1750-1794 die in de bibliotheek van de Theologische Faculteit te Tilburg aanwezig waren.

Bij deze uitstap bleef de voorganger onvindbaar, maar ze leidde wel tot de vaststelling dat sommige teksten leken op die van het bekende getijdenboek/kerkboek Hemels palm-hof van de Keulse jezuïet Wilhelmus Nakatenus, maar ook dat de opzet en strekking van De waare godsdienst veel gelijkenis vertoonde met die van een variant van het in 1685 uitgegeven en al even bekende catechetisch-liturgische kerkboek Christelyke onderwyzingen en gebeden. Er waren te veel verschillen om een van beide te kunnen aanwijzen als de gezochte voorganger, maar via De waare godsdienst was ik toch maar in aanraking gekomen met twee grootheden binnen het genre uit de late 17e eeuw. Bovendien had een eerste literatuurverkenning van het terrein van de kerkboekgeschiedenis aan het licht gebracht dat Schoutens kerkboek, met name door de combinatie van onderwijs en gebeden en de terughoudendheid inzake bijzondere devoties, zou passen bij ontwikkelingen die al in de 16e eeuw begonnen waren.

Het moge duidelijk zijn, dat het kerkboek van 1794, ongeacht het eigen soortelijk gewicht, intussen was uitgegroeid tot een uitzichtpunt in een landschap met weidse, verscheidene eeuwen omvattende vergezichten. Tegelijkertijd had de kennismaking met het aanbod uit de tweede helft van de achttiende eeuw het uitzicht ook beperkt. Er waren wel gelijkenissen maar er was geen voorganger. Bovendien had ik een verwarrende ervaring met werkjes die in contemporaine catalogi stonden genoteerd als "Paradys", "Paradys D.L.", "Brussels paradys", "Gulden paradys", "Hemels paradys", "Kleyn paradys", "open paradys" en "Open paradys en Palmhof". Je mocht ervan uit gaan dat deze korte titels weliswaar volgens de huidige normen voor titelbeschrijving zeer tekortschoten, maar berekend waren op potentiële klanten en dus voor tijdgenoten herkenbaar moeten zijn geweest. De codes moesten te kraken zijn, ook al werd tegelijkertijd steeds duidelijker dat kerkboeken een weerbarstige materie vormden. Wat bijvoorbeeld te denken van een goedkeuring voor een "Kleyn paradys" in een "Gulden paradys" of een approbatie voor het "Hemels Palmhof der godvrugtige zielen" in een kerkboek met "Geestelyk paradys oft Palmhof der godvrugtige zielen" op het titelblad. Destijds heb ik mijn eerste verkenning van de Paradystitels dan ook besloten met de berustende en enigszins verontschuldigende hypothese dat zelfs Adam en Eva temidden van zoveel paradijzen de draad kwijt zouden raken.

Na deze voorlopige afsluiting zijn de kerkboeken verdrongen door andere bronnen en ander onderzoek, maar toen ik ruim vijf jaar later als beginnend docent stof zocht voor een doctoraal college, kwamen ze weer tevoorschijn. Op dat moment had ik het geluk dat je soms nodig hebt om werkelijk vooruit te komen. Ik vond – buiten het circuit van de bibliotheken die waren aangesloten bij de Nederlandse Centrale Catalogus – de voorganger van Schoutens kerkboek. Ongeveer tezelfdertijd kwam ik tot de ontdekking dat de vier artikelen die de Neerlandicus pater Maximilianus al rond 1960 had geschreven over de verschillende vertalingen van het Stabat Mater en het Dies Irae, een ware Fundgrube waren voor wie op zoek was naar gegevens over titels en edities van kerkboeken.

Dankzij de vondst van de voorganger werd duidelijk dat de gematigd verlichte Schouten had aangeknoopt bij een janseniserend Gents kerkboek uit 1737. Daarmee werd enerzijds het vermoeden van geestverwantschap met de Christelijke onderwysingen en gebeden bevestigd en anderzijds het ongemak weggenomen van het ontbreken van letterlijke ontleningen. Bovendien was het nu mogelijk om aan de hand van de veranderingen meer precies te onderzoeken welke positie Schouten zelf had ingenomen. Het onderzoek kon ermee in de diepte worden uitgewerkt. Tezelfdertijd opende zich dankzij de artikelen van pater Maximilianus het vergezicht van onderzoek in de breedte. Voeg beide perspectieven samen en aan de horizon gloren de contouren van een uitweg uit het eerder vrijwel onoplosbaar genoemde probleem dat enerzijds over elk afzonderlijk kerkboek weinig zinnigs te zeggen valt als er geen grondige kennis is van het hele genre, terwijl anderzijds kennis van het hele genre pas mogelijk is nadat eerst de afzonderlijke werken diepgaand onderzocht en geanalyseerd zijn.

Het vooruitzicht van deze uitweg heeft mij destijds verlokt tot het besluit een proefschrift te gaan schrijven over de Nederlandstalige kerkboeken uit de periode tussen 1680 en 1840. In 1988 verscheen dit in twee delen: één deel tekst en één deel inventaris. Ik ben op beide nog steeds trots. Dat neemt niet weg dat ik zelf toen al vond – en nog steeds vind – dat er nog veel werk niet gedaan was en dat mijn proefschrift eigenlijk nog maar een eerste stap was. Een aanstelling bij het Ruusbroecgenootschap zal mij hopelijk in staat stellen om te werken aan een vervolg.

>> lees verder: § 3-5 >>

 
Inhoudsverantwoordelijke(n) : theo.clemens