Start | Personen | Google | Route | Contact | AfdrukkenLogin 
Ruusbroecgenootschap  
English   
Voorjaarslezingen 2008

Telkens om 14.00 u.

Universiteit Antwerpen-Stadscampus

Prinsstraat 13 -- 2000 Antwerpen

Lokaal D-424

Informatie:

Ingrid De Ruyte

UA-Stadscampus

tel. +32 (0)3 275 57 80

ingrid.deruyte@ua.ac.be



De toegang tot de lezingen is gratis, voor alle belangstellenden. In verband met het aantal uitreiksels dat gemaakt moet worden, verzoeken wij u uw komst enkele dagen van te voren aan te melden bij Ingrid De Ruyte.

Enkele dagen voor elke lezing zal op deze webpagina een samenvatting van de lezing worden gepubliceerd.

Vrijdag 15 februari

Youri Desplenter ( Gent), Van de eerste Middelnederlandse psaltervertaling, van de tweede en van beiden ondermenghet: de overzettingen van het psalmboek in het zuiden van de middeleeuwse Nederlanden

Vrijdag 14 maart

Krijn Pansters (Utrecht), Didactiek en dynamiek: deugden in geschriften van de moderne devoten

Vrijdag 18 april

Esther Jonker  (Leiden), Volg de tekst: over het reizend bestaan van hs. Parijs, Bibliothèque Mazarine, 920 en zijn achtergronden

Vrijdag 16 mei

Katty De Bundel en Eefje Bosmans (Leuven), Petrus Naghel (? - 1395), kartuizer te Herne


Youri Desplenter

Het valt goed te begrijpen dat toen in 1940 voor het eerst een wetenschappelijke bijdrage over de Middelnederlandse vertalingen van het psalter verscheen, van de hand van C.C. de Bruin, die zich beperkte tot een schematisch overzicht van ‘de hoofdlijnen van de ontwikkeling’ van de psalteroverzettingen. In zijn model onderscheidde De Bruin ‘een drietal dominerende vertalingen’, die hij prompt tot ‘standaardredakties’ verhief: de zogenoemde Vlaams-Brabantse psaltervertaling (mogelijk ontstaan op het einde van de dertiende eeuw), een vertaling verwant aan het werk van de Bijbelvertaler van 1360 en een psalteroverzetting die uit de Moderne Devotie voortkwam. De overige Middelnederlandse psalterversies waren vanuit die invalshoek bijgevolg ‘mengredakties’, bestaande uit ontleningen aan de standaardredacties en aangevuld met zelfstandige vertalingen. Hoewel De Bruin aangaf dat het schema slechts een eerste stap moest vormen in het onderzoek van de Middelnederlandse psaltervertalingen, werd er nooit nog echt aan getornd. Nu en dan werd het hoogstens wat verfijnd.

Uit mijn onderzoek van de Middelnederlandse psalters blijkt dat een en ander wel degelijk aan revisie toe is, niet het minst omdat we het concept van de ‘ontwikkelingsgang’ vanwaaruit De Bruin zijn materiaal beschouwde toch al een tijdje achter ons hebben gelaten. In mijn lezing wil ik mij richten op de vertalingen van het psalter die in het zuiden van de Nederlanden zijn gemaakt en genoteerd zijn in handschriften uit de veertiende, vijftiende en zestiende eeuw. Ik zal trachten hun bestaan, hun aard en hun (vermoedelijke) functie te verklaren vanuit de context waarin ze zijn overgeleverd.

 

Krijn Pansters

Een enthousiaste receptie van en intensieve uiteenzetting met David van Augsburgs pastorale (novicen) traktaat Profectus religiosorum had tot gevolg dat het eeuwenoude en invloedrijke theologische concept van ‘voortgaan in deugden’, profectus virtutum, tot de essentie van het gedachtegoed van de Moderne Devotie ging behoren. Ook voor deze laatmiddeleeuwse spirituele beweging, die ontstond in de Lage Landen, bood het deugdenconcept een bruikbare, want dynamische en structurele kijk op het kloosterleven. Dit leven werd opgevat als een voortschrijdend proces naar geestelijke volwassenheid op basis van bestrijding van zonden en beoefening van deugden.

Met de traditionele kloosterpraktijk in gedachte en de Profectus religiosorum in de hand, trachtte men dan ook onophoudelijk in deugden vooruit te gaan. Om deugdzaam te worden, stelden de devoten en Windesheimers zich niet zozeer de vraag naar welke deugden ze nodig hadden en wat die dan wel precies betekenden, als wel hoe en onder welke omstandigheden men deugden moest beoefenen. De aansluiting bij de monastieke traditie en de monastieke context van hun bestaan hadden immers het noodzakelijke deugdenarsenaal (caritas, obedientia, paupertas, humilitas, castitas, patientia) geleverd, maar ook het besef dat een snelle en probleemloze interiorisatie van deugden, zodoende het deugdzaam zijn, geen vanzelfsprekendheid was.

Met het reeds hebben van deugden (habitus virtutum) had het voortgaan erin (profectus virtutum) dus maar weinig van doen. Aan de filosofische en scholastieke deugdenleer met haar aristotelische en kardinale deugden hadden de meeste en meest bekende auteurs (zoals Geert Grote, Florens Radewijns, Gerard Zerbolt van Zutphen en Thomas van Kempen) dan ook geen boodschap. Zij wilden juist weten op welke wijze men de bekende, monastieke, deugden moest ontwikkelen om spirituele vooruitgang te boeken; een vraag die veel meer paste binnen het geleefde en dynamische, spirituele en procesmatige denken van de Moderne Devotie.

 

Esther Jonker

Al langere tijd leeft onder mediëvisten het idee, dat er gedurende de veertiende eeuw contacten bestonden tussen Duitse en Nederlandse mystieke geestverwanten. Een aanwijzing voor deze contacten leest men bijvoorbeeld in Henricus Pommerius’ biografie over Jan van Ruusbroec, waarin hij melding maakt van een bezoek van de Duitse dominicaanse mysticus Johannes Tauler aan de Brabantse meester. Een ander argument vormt de (hoewel kleinschalige) verspreiding van het werk van Hadewijch en Ruusbroec in het taalgebied van de Bovenrijn. Mede door de lokalisering van de Duitse overlevering in het Bovenrijngebied zijn de mogelijke Duits-Nederlandse contacten regelmatig onderzocht en beschreven in het licht van de zogenaamde Gottesfreunde, een moeilijk te definiëren groep religieuze gelijkgezinden, die zich met name in steden als Basel en Straatsburg zouden hebben geprofileerd. Over de precieze inhoud van deze contacten bestaat tot op de dag van vandaag echter grote onzekerheid en over het bestaan ervan zelfs nog twijfel.

In deze onduidelijke situatie kan handschrift Parijs, Bibliothèque Mazarine, 920 uniek materiaal aanleveren. Het handschrift, onder andere gevuld met Middelnederlandse mystieke en Bijbelteksten, lijkt namelijk na (waarschijnlijk) in Brabant te zijn vervaardigd al snel te zijn vervoerd naar het taalgebied van de Bovenrijn. Daar verbleef het vervolgens enige tijd tussen 1350-1400, om rond 1400 weer terug te keren in de Lage Landen. Het handschrift biedt daarom interessante aanknopingspunten om het grensoverschrijdende literaire verkeer te overdenken.

 

Katty De Bundel, Het vertaalproject van Petrus Naghel

In de periode van 1357 tot 1388 vertaalde Petrus Naghel, prior van het Hernse kartuizerklooster, een groot aantal klassiekers uit de geestelijke literatuur vanuit het Latijn naar het Middelnederlands, waaronder de Legenda aurea, de Vitaspatrum en (een groot deel van) de Vulgata. Van een aantal andere teksten, die volgens de huidige status quaestionis eveneens door Naghel vertaald zijn, berust de toeschrijving echter op onzekere argumenten. Om vragen over de attributie van teksten met de grootst mogelijke betrouwbaarheid te beantwoorden, bleek het noodzakelijk om het eerder door C.C. de Bruin uitgevoerde onderzoek naar Naghels copia verborum te herzien. Met de resultaten van deze revisie is het mogelijk om de onzekere toeschrijvingen te verifiëren, alsook andere teksten toe te schrijven aan Naghel, zoals de vertaling van Ezechiël in de Delftse bijbel. Bovendien brengt dit nieuwe onderzoek naar Naghels copia verborum ook enkele literatuur-historische lijnen aan het licht, wat geïllustreerd zal worden aan de hand van Ruusbroecs Vanden geesteliken tabernakel.

 

Eefje Bosmans, Peter Naghel (? - 1395): receptie en invloed van zijn vertalingen

Op 2 augustus 1386 voltooide Petrus Naghel, kartuizer in Herne, Vanden houte slevens, zijn vertaling van het Lignum Vitae van Bonaventura. Dit kort mystiek traktaat werd vermoedelijk in de vijftiende eeuw in Oost-Holland door een anonieme auteur voor een tweede maal in het Middelnederlands omgezet. Dat er ook een derde Middelnederlandse vertaling van het Lignum Vitae vervaardigd werd, was tot nu toe niet bekend. Over auteur, ontstaansmilieu en datering van deze vertaling valt niets met zekerheid te zeggen, maar net zoals de eerste en de tweede Middelnederlandse vertaling levert ook de derde een volledige vertaling van de Latijnse tekst.

In mijn lezing zal ik de drie Middelnederlandse vertalingen van het Lignum Vitae kort met elkaar vergelijken en kijken of dit ons iets meer vertelt over het ontstaansmilieu of het geïntendeerde publiek van de verschillende vertalingen. Verder zal ik stilstaan bij de vragen die deze drie vertalingen van dezelfde Latijnse tekst oproepen. De vertaling van het Lignum Vitae is immers lang niet het enige werk van Naghel dat vrij kort na zijn voltooiing ergens anders opnieuw ondernomen werd. Wat zijn hier mogelijke verklaringen voor? Vallen er patronen te bespeuren? En leert dit ons iets over de literaire relaties tussen kloosters en de kanalen waarlangs vertalingen, in het bijzonder die van Petrus Naghel, verspreid werden?

 
Inhoudsverantwoordelijke(n) : theo.clemens