Start | Personen | Google | Route | Contact | AfdrukkenLogin 
Ruusbroecgenootschap  
English   
Marguerite Porete

Schrijven tot vernieting.
De performatieve werking van Le Miroir des simples âmes anéanties van Marguerite Porete
als mystagogisch instrument

 

Het project wil inzicht verwerven in de performatieve werking (agency) van Le Miroir des simples âmes anéanties van Marguerite Porete (†1310), een mystieke tekst die door de inquisitie werd veroordeeld. De tekst wordt ontleed vanuit drie onderzoeksvragen: de representatie van het ‘ik’, het intertekstuele netwerk en de retorische dynamiek van de compositie. Het analytische instrumentarium wordt samengesteld uit de hedendaagse discoursanalyse (o.m. Bakhtin, Certeau) en de middeleeuwse profane en monastieke retorica. Het onderzoek draagt bij tot een beter begrip van de ‘heterodoxie’, op het vlak van de literaire middelen, van de laat-middeleeuwse vernaculaire mystiek.


Situering van het onderzoek

Op 1 juni 1310 stierf de Henegouwse begijn Marguerite Porete in Parijs op de brandstapel. Ondanks het feit dat, op haar vraag, drie beoordelaars uit verschillende secties van het toenmalige religieuze veld haar tekst Le miroir des simples âmes anéanties als een waardevol traktaat hadden gewaarmerkt, las de inquisitie er heterodoxe uitspraken in en werd de verspreiding ervan in heel Europa verboden. Desondanks kende de Miroir, geanonimiseerd, een redelijke verspreiding in meerdere talen, en kon de tekst doorwerken op verschillende regionale mystieke tradities in Europa.

Over Marguerite Porete is zo goed als niets bekend. Zij was één van de vele laat-middeleeuwse vrouwen die via een experiëntiële band met God in de ogen van zichzelf en van de omgeving   religieuze autoriteit bezaten. Zij was één van de weinige middeleeuwse vrouwen die haar religieus leiderschap uitdroegen door het schrijven en verspreiden van tekst. Middeleeuwse geletterde vrouwen waren ‘illiteraat’ in die zin dat zij hun kennis niet verwierven binnen de clericale kanalen van kennistransmissie. Voor de expressie van hun religieuze ervaringen en inzichten hanteerden zij een ‘andere’ taal, nl. de volkstaal (versus het Latijn), en ‘andere’, niet-scholastieke tekstgenres zoals het visioen, de dialoog, de allegorie. De nieuwe linguistische matrix en de generische hybridisering maakten nieuwe religieuze ideeën mogelijk (‘vernacular theology’, McGinn). Het is duidelijk dat Marguerites originele en radicale formulering van de mystieke amour en anéantissement letterlijk op onbegrip stuitte bij de toenmalige inquisitie, die de tekst vanuit de haar vertrouwde Latijnse scholastieke categorieën ontleedde en in functie van haar eigen kerkpolitiek project veroordeelde.

Het Porete-onderzoek is jong: pas in 1946 werden auteur en geschrift aan elkaar gekoppeld (Guarnieri 1946). Sindsdien concentreerde het onderzoek zich aanvankelijk op de vraag naar de rechtgelovigheid van de Miroir en op de reconstructie van de veroordeling (Guarnieri, Orcibal, Lerner, Verdeyen). In de vroege jaren negentig verschoof de blik naar een eerste exploratie van de mystieke opvattingen van Porete zelf (o.m. Mommaers). Halfweg de jaren negentig kreeg, mede onder invloed van de linguistic turn, ook de tekst zelf aandacht (McGinn, Randall, Newman, Müller, Hollywood). De finaliteit van deze tekstgerichte analyses bleef echter primair theologisch.


Doelstelling en methodologie

Het voorliggende project vertrekt van nieuwe inzichten over de intentie en de receptie van de middeleeuwse devotionele (en bij uitbreiding mystieke) literatuur (Carruthers). Niet-scholastieke religieuze teksten werden repetitief en participatief gerecipieerd: men engageerde zich herhaaldelijk, en met volle inzet van zowel intellect als affecten, in de lectuur of oratuur (in het geval van auraal gerecipieerde literatuur), en dat met de bewuste intentie zijn ziel door de tekst te laten omvormen tot een steeds zuiverder imago Dei (beeld van God). Deze functie impliceert een sterk geloof in de performatieve werking van woorden: zij zijn in staat om de menselijke ziel te transformeren. Auteurs van devotionele teksten componeerden hun teksten dan ook bewust zo dat ze dat doel konden vervullen. Men mag aannemen, en Porete thematiseert dit ook expliciet, dat de Miroir voor zowel auteur als het geïntendeerde publiek zulk een performatief vermogen had.

Het project wil inzicht verwerven in hoe de Miroir werkte als mystagogisch (mystiek-pedagogisch) instrument dat de tekstontvanger (waartoe in het geval van door God geïnspireerde teksten zoals de Miroir ook de auteur zelf behoort) de mystieke staat van anéantissement hielp te bereiken. Daartoe wordt een tekst- en intertekstanalyse op de tekst toegepast. Het analytische instrumentarium wordt samengesteld uit de hedendaagse discoursanalyse enerzijds (met als voornaamste informanten Bakhtin en Certeau) en de middeleeuwse profane en monastieke retorica anderzijds (met als voornaamste informanten Zink en Carruthers). Het onderzoek bestaat uit drie deelonderzoeken: 1. een studie van de representatie van het ‘ik’ (polyfonie); 2. een studie van de intertekst (heteroglossie); en 3. een studie van de retorische opbouw van de tekst (ductus-punctum-dynamiek), in functie van de performatieve werking van de tekst als mystagogisch instrument. Het vluchtpunt van het onderzoek is inzicht in de ‘heterodoxie’, op het niveau van de literaire middelen, van dit laat-middeleeuwse mystieke geschrift


1. Representatie van het ‘ik’

Van de Miroir wordt algemeen aangenomen dat het een auteurstekst is. Maar in feite is de status van het ‘ik’ in de tekst fluïde. Via analyse van de representatie van het ‘ik’, en van passages waarin de genese en de functie van de tekst expliciet worden gethematiseerd, zal het polyfone karakter (Bakhtin) van de Miroir in kaart worden gebracht en zullen de verschillende ‘stemmen’ hoorbaar worden gemaakt. Stemmen die zich bij een eerste verkenning opdringen, zijn de stem van de visionaire waarbij onduidelijk blijft of het ‘ik’ aan God dan wel aan Marguerite refereert; de stem van de geestelijke leidster waarvan het ‘ik’ zich op complexe wijze simultaan richt tot een gedifferentieerd publiek van ‘leken’ enerzijds en ‘ingewijden’ anderzijds; de stem van de zelfbewuste auteur waarvan het ‘ik’ op verschillende instanties het creatieve schrijfproces thematiseert; de stem van de eigen ziel die zelf al schrijvend het proces van ‘vernieting’ ondergaat. Deze vernietiging van het subject is subversief binnen de context van de toenmalige literatuur. De 13e-14e eeuwse profane en religieuze literatuur kenmerkt zich immers precies door de opkomst van de subjectiviteit (Zink; Attwood). Het statuut van het ‘ik’ in Porete’s tekst impliceert een mystieke inversie van deze dominante beweging.


2. Intertekstueel netwerk

Als specimen van de vernaculaire theologie (McGinn) deelt de Miroir het hybride en diffuse voorkomen dat deze groep teksten kenmerkt. De schrijfster heeft zich uitdrukkingsmiddelen toegeëigend uit ‘teksten’ (in de brede semiotische betekenis van het woord) en heeft daarmee een unieke compostie gecreëerd (‘faire avec’ versus ‘faire’; Certeau) waarin verschillende retorische technieken door elkaar worden gehanteerd (exempel, dialoog, allegorie, parabel, poëzie). Eerder onderzoek heeft het tekstcorpus waarmee Porete intertekstueel dialogeert gedeeltelijk in kaart gebracht. Net zoals dat het geval is bij de andere twee dertiende-eeuwse begijnenauteurs, Hadewijch van Brabant en Mechtild van Magdeburg, put Porete zowel uit de religieuze teksttraditie (Bijbel, liturgie, en monastieke literatuur met o.m. de victorijnen) als uit de profane traditie (specula/spiegelliteratuur, volkstalige allegorische didactiek zoals de Roman de la Rose, Noord-Franse trouvèrepoëzie).

Binnen het kader van het project zal het intertekstuele netwerk, van de Miroir  zo systematisch mogelijk in kaart worden gebracht. Welke citaten, topoi en retorische middelen (met als opvallendste de allegorie) uit welke traditie zet de schrijfster in? Hoe werkt de daaruit voortvloeiende heteroglossie van de Miroir? Welke verwachtingshorizon roepen de profane en religieuze glossen, die in de Miroir worden geciteerd of meeresoneren, op bij het geïntendeerde publiek? Hoe wordt die verwachtingshorizon doorbroken in functie van de mystiek van anéantissement die in de Miroir wordt uitgeschreven? Speciale aandacht gaat naar inversiestrategieën (Bakhtin) die door het mystieke genre zijn gemotiveerd. De retorica van de omkering ligt immers al in de titel van de tekst besloten: terwijl de Miroirs uit de profane didactiek geleerde kennis aan het publiek overdragen, wil de Miroir des simples âmes anéanties de lezer leiden naar mystieke onwetendheid.


3. Compositorische en retorische analyse in functie van inzicht in de performatieve werking

De resultaten van de voormelde deelonderzoeken worden vervolgens geïntegreerd in het onderzoek naar de compositie van de tekst. De Miroir, te karakteriseren als ‘inordently diffuse’ (College & Marler), bestaat uit 140 kapittels die uiterst ongelijk zijn van lengte en van retorische opbouw. Als mystagogisch traktaat had de Miroir de ambitie om de participerende tekstcreator- en ontvanger langs zeven graden te gidsen naar een staat van anéantissement. Hoe is de topische structuur van zeven graden over de 140 kapittels gedistribueerd? Wat is de retorisch-stilistische opbouw van elk van de tekstdelen en van de tekst in zijn geheel? Aan de hand van deze vragen wordt de ductus-punctum-dynamiek (Carruthers) van de tekst zichtbaar gemaakt, die maakte dat hij voor auteur en publiek agency of performatieve kracht bezat. Het analytisch begrippenapparaat van dit deel van het onderzoek wordt voornamelijk gehaald uit de monastieke retorica zoals die in de innovatieve studie van Carruthers zijn bijeengebracht (ductus, punctum, compunctio cordis, imagines agentes, enargeia, affect etc.). Gezien de dominantie van de personificatie, wordt daarnaast ook gebruik gemaakt van recente inzichten over de pragmatiek van de allegorie in middeleeuwse teksten (Zink, Minet). 


 

 


 
Inhoudsverantwoordelijke(n) : theo.clemens