Start | Personen | Google | Route | Contact | AfdrukkenLogin 
Beleidsverklaring rector 2009-2013  
    
Concurrentie
Interuniversitaire concurrentie is een gegeven waarmee we moeten leven, ondanks het feit dat uit het Europese onderzoek "Perceptions of Higher Education Reforms" (bevraging van 5800 docenten hoger onderwijs) blijkt dat slechts twee op de vijf Belgische professoren gelooft dat concurrentie kwaliteit zal verhogen. De meesten onder ons zouden veel liever op een serene wijze hun academische opdracht uitoefenen in plaats van tijd en energie te moeten steken in onderlinge strijd.

Een gezonde competitie kan dan weer kwaliteitverhogend zijn, zeker als we hierbij een brede, internationale schaal hanteren en ons spiegelen aan algehele topnormen. Competitie op niveau van onderzoek is immers de beste remedie tegen middelmatigheid, waarbij de lat eerder lager gelegd wordt. Middelmatige docenten met middelmatig onderzoek leiden tot middelmatige studenten en een middelmatige universiteit. En middelmatige universiteiten zijn een bedreigde soort!

De concurrentie moet wel eerlijk verlopen en een te grote marktconcentratie van één universiteit moet worden vermeden. In de USA is er per klein miljoen inwoners één universiteit (die doctoraten aflevert), en per kleine honderdduizend inwoners één hogeschool. Vergeleken met die maatstaven is Vlaanderen efficiënt georganiseerd met vijf universiteiten en 22 hogescholen en is er geen enkele reden om dit aantal drastisch te gaan reduceren tot slechts vijf superinstellingen van hoger onderwijs, of zelfs nog minder. De overheid moet zich in tegendeel verzetten tegen de concentratiedrift van vooral één universiteit, zoals dat in het bedrijfsleven gebeurt door de Raad voor de Mededinging.

De huidige financieringsregeling met bijna gesloten enveloppen is niet houdbaar in een concurrentieel model. Door de globale budgetten constant te houden verliezen diegenen die het minste groeien en wordt de winst van de winnaars ook afgeroomd. Dergelijke moordende competitie is niet verenigbaar met de sereniteit die nodig is voor vruchtbare academische activiteit.
Rankings
Goed scoren in diverse rankings is een aandachtspunt: het geeft ons een indicatie van onze relatieve kwaliteit. Anderzijds dient men de waarde van rankings als beleidsinstrument sterk te relativeren. Zo houdt bijvoorbeeld de Shanghai-ranking helemaal geen rekening met onderwijselementen - de kwaliteit van afgeleverde diploma’s, slaagpercentages, de verhouding docent-student of variatie in de opleidingen spelen geen rol. Heel wat rankings houden bovendien amper rekening met onderzoeksresultaten van humane en cultuurwetenschappen. Verder mag men in de criteria van vrijwel alle rankings lang zoeken om ook maar enige verwijzing naar maatschappelijk engagement te vinden of het positief inspelen op de tweede democratiseringsgolf.

Louter technisch is er geen probleem: op basis van scores op een (beperkt) aantal facetten gerelateerd aan het universitaire gebeuren kan men, met betrekking tot deze aandachtspunten, netjes een cijfermatige volgorde toekennen. Het probleem situeert zich eerder in het feit dat men soms begint te dwepen met deze rankings en ze als een allesbepalende norm interpreteert. Er is telkens wel een Vlaamse universiteit die wat stijgt binnen een of andere ranking, wat dan door deze universiteit breed in de pers wordt uitgesmeerd en waarbij dan vooral de relativiteit van de ándere rankings wordt benadrukt.
Samenwerking en internationale positionering
Insulariteit is onuniversitair: actieve samenwerking met andere instellingen binnen de associatie en op interuniversitair niveau is noodzakelijk, wanneer de inhoud daarom vraagt, en mag niet worden afgeremd door institutionele overwegingen. Moet dit op basis van globale exclusiviteit met geprivilegieerde partners? Neen: onze universiteit moet en mag zich niet te koop aanbieden. Integendeel, we moeten voor deelgebieden in alle vrijheid, wars van politieke, financiële of louter opportunistische overwegingen, zoeken naar kwaliteitsvolle partners ook over de landsgrenzen heen, afhankelijk van de discipline en op basis van complementariteit en gezamenlijke versterking samenwerking initiëren of verder uitwerken.

Een te doorgedreven, overkoepelende structurele samenwerking is uit den boze: het zal vooral de ‘groten’ de kans geven de ‘kleintjes’ op te slorpen. In elk geval moet interinstitutionele samenwerking, binnen of buiten de associatie, steeds gebeuren op basis van vertrouwen en zelfvertrouwen. De netwerkstructuur is het meest aangewezen om internationaal duurzame banden uit te bouwen met kwaliteitsuniversiteiten over de hele wereld.
Size matters?
Op vlak van innovatie en goed bestuur staan Vlaanderen, en Antwerpen, nog lang niet zover als we zelf pretenderen of zouden willen zijn.

Kwantiteit is belangrijk, maar bovenal primeert kwaliteit. Intussen heeft men bijvoorbeeld in Nederland al lang ingezien, onder meer in de context van herwaardering van het lerarenberoep, dat schaalvergroting niet noodzakelijk kwaliteitsverhogend is. Meer studenten leidt immers tot grotere lesgroepen en, met een niet-aangepaste AP-bestaffing, tot onvermijdelijke toename van afstandelijker ex cathedra-onderwijs en minder ruimte voor persoonlijke begeleiding. Voor Antwerpen betekent dit dat we net dat voordeel van kleine afstand tussen studenten en docenten dreigen te verliezen.
In Vlaanderen stelt men vooral dat meer studenten een universitair diploma moeten halen, en droomt men van associaties als superuniversiteiten, die door hun groter aantal studenten plots internationaal competitiever zouden worden. De minister blijft maar stellen dat de kwaliteit zeker niet zal dalen als er meer studenten zouden komen, ondanks het feit dat er amper middelen zijn om aangepaste bestaffing en infrastructuur hiervoor te voorzien. In schril contrast hiermee wordt in Nederland in toenemende mate zelfs het "Bindend Studies Advies" ingevoerd waardoor ondermaats presterende studenten na een jaar kunnen worden weggestuurd.

Schaalvergroting en excellentie gaan moeilijk samen: de allerbeste buitenlandse universiteiten, in welke ranking dan ook, zijn zeker niet de grootste, maar beschikken daarentegen wel over aanzienlijk meer middelen.
Actief pluralisme
Actief pluralisme mag geen vrijblijvende modeterm zijn, maar moet onze universiteit onderscheiden van de andere Vlaamse universiteiten die ofwel grijs, ofwel eenkleurig zijn. Dit actief pluralisme dient evenwel nog nadrukkelijker ingevuld te worden; het Pieter Gillis Centrum kan hierbij een pro-actieve rol spelen.

Antwerpen is hiervoor dé plaats bij uitstek: onze stad heeft het potentieel zowel politiek als levensbeschouwelijk een trendsetter te zijn; het is een stad die bruist van multiculturaliteit, maar die ook oplossingen zoekt voor de eraan gekoppelde problemen.

We moeten dit actief pluralisme dan ook hoog in ons vaandel dragen. We moeten andere overtuigingen als volwaardig en evenwaardig erkennen en academische handelingen nooit door onze eigen overtuiging laten beïnvloeden.
De Vlaamse context
Tijdens een openingsspeech in Gent, stelde minister Vandenbroucke, parafraserend wat hij reeds in zijn beleidsnota "Onderwijs en Vorming 2004-2009" formuleerde: "De mogelijkheden van de associaties voor samenwerking tussen hogescholen en universiteiten, moeten we verder aanboren en benutten, zonder de associaties zelf in de plaats van de instellingen te laten treden. De kerntaken van onderzoek, onderwijs en dienstverlening blijven ondubbelzinnig bij de instellingen liggen. Maar de associaties kunnen wel een belangrijke stimulerende en bemiddelende rol spelen in de hun decretaal toebedeelde taken. … De realisatie van een geïntegreerde hogeronderwijsruimte in Vlaanderen is erg belangrijk. Maar ze moet ons leiden naar een helder binair landschap waarin de respectieve missies van universiteiten en hogescholen duidelijk zijn. Dit houdt in dat de universiteit op het gebied van onderzoek de sturende rol blijft behouden, via haar onderzoeksraad. Tussen professionele en academische opleidingen moet er een duidelijk verschil in oriëntatie blijven. Want we moeten de gepaste ontplooiingskansen kunnen geven aan de talenten van elke jongere, en blijven tegemoetkomen aan de brede waaier van kwalificaties die de samenleving vraagt."

Wat kan men hier nog aan toevoegen? Minister Vandenbroucke stelt elders overigens duidelijk dat de prioritaire opdracht van de associaties bestaat uit het begeleiden en sturen, vanuit de universiteit, van het academiseringsproces binnen de hogescholen. Ook na deze academisering blijven universiteiten en hogescholen een complementaire opdracht bewaren, met eigen profielen en doelstellingen, met eigen stakeholders en actoren. "Bij de hervorming van de structuur van het hoger onderwijs werd ervoor gekozen de hogeschoolopleidingen van twee cycli om te vormen tot academische bachelor- en masteropleidingen. Kenmerkend voor academische opleidingen is de verwevenheid van onderwijs en onderzoek. Het versterken van de betrokken opleidingen met wetenschappelijk onderzoek, betekent echter niet dat de hogescholen een onderzoekspotentieel moeten uitbouwen dat vergelijkbaar is met dat van de universiteiten. Dit zou leiden tot versnippering van de onderzoeksmiddelen, wat we precies willen vermijden. Een betere samenwerking tussen universiteiten en hogescholen in de schoot van de associaties is dus aangewezen, maar de universiteit behoudt met haar onderzoeksraad wel de sturende rol. De hogescholen zullen meer en betere mogelijkheden krijgen voor de uitvoering van toegepast onderzoek."
De Antwerpse context
Antwerpen heeft nadrukkelijk gekozen voor een actief pluralistische universiteit als motor van een lokale associatie, geleid door de universiteit en met hogeschoolpartners in de regio Antwerpen. Hierdoor wordt optimale logistieke en inhoudelijke samenwerking gestimuleerd en gegarandeerd. Geacademiseerde opleidingen kunnen, mits voldoende middelen beschikbaar zijn, groeien of gebundeld worden tot volwaardige faculteiten. De universiteit heeft hiertoe reeds een verregaand engagement in het domein van de Industriële Wetenschappen. Onafhankelijk hiervan, en in afwachting van duidelijkheid en concrete afspraken voor andere opleidingen, kan nu reeds intense samenwerking overwogen worden tussen verwante richtingen.

Het geografisch geconcentreerde karakter van onze associatie heeft heel wat voordelen. Als studentenstad zijn we zeker niet te klein, er kan concreet samengewerkt worden, politiek staan we sterker en kunnen we, als we dat écht willen, meer slagkracht hebben door eenvormige en duidelijke standpunten krachtig te verdedigen bij de overheid .

Ook via samenwerking op onderwijsvlak en in het bijzonder de eraan gekoppelde logistiek (BlackBoard, onderwijslabo’s, bibliotheek) kan onze associatie een duidelijke meerwaarde realiseren. Bij verkeerde studiekeuze kunnen studenten soepel geheroriënteerd worden en schakelprogramma’s garanderen de vlotte overgang tussen hogeschool- en universiteitsopleidingen. Dit geldt evenzeer voor onderzoek, waar gezamenlijke projecten kunnen opgestart worden en waar we gebruik kunnen maken van elkaars wetenschappelijke uitrusting en technische ondersteuning.

Een prioritair aandachtspunt blijft de aanwezigheid van de aan de associatie Leuven gekoppelde Lessius Hogeschool. Politiek moet krachtig geageerd worden om deze anomalie zo snel mogelijk weg te werken - het kan niet dat na de inspanningen die Antwerpen heeft gerealiseerd om tot een volledige integratie van de twee toenmalige TEW-faculteiten te komen (de eerste stap van de globale fusie-operatie) een concurrerende universiteit een door de overheid getolereerde poging tot kolonisatie kan ondernemen. De inkanteling van het studiegebied Handelswetenschappen (ca. 4800 studenten in Vlaanderen) in de universiteit veroorzaakt een enorme concentratie van bijna 70% van dit studiegebied bij de KULeuven met nog slechts één concurrent bij de UGent. In geen enkel ander inkantelend studiegebied is de concentratie ten gevolge van de inkanteling zo groot. De Universiteit Antwerpen wil als derde aanbieder voor dit studiegebied kunnen optreden en zo de onderscheiden profilering met TEW zelf kunnen bewaken.
De toekomst
De Antwerpse associatie zal nog met heel wat uitdagingen geconfronteerd worden, niet in het minst haar positionering ten opzichte van ‘de twee groten’. Onze associatie moet haar kracht putten uit haar diversiteit en haar keuzes: zowel de mogelijkheden gecreëerd door haar geografisch geconcentreerde lokalisatie als haar levensbeschouwelijke breedte zijn sterke troeven. Onze associatie moet vooral disciplinegerichte samenwerkingsverbanden aangaan om zich nog te versterken, met preferentiële partners in binnen- en buitenland, over de associaties heen, die door de betrokken collega’s op basis van complementariteit en kwaliteit geselecteerd worden. Op termijn en gekoppeld aan realistische economische en kwalitatieve randvoorwaarden moet naar een verdere integratie van tweecycliopleidingen gestreefd worden. Hoewel de professionele opleidingen een heel andere finaliteit hebben dan de academische mogen zij op geen enkel ogenblik de indruk hebben dat ze door ons zouden aanzien worden als minderwaardig. Integendeel: deze opleidingen zijn essentieel voor onze maatschappelijke welvaart en sluiten soms ook verrassend dicht aan bij onze noden, zoals bijvoorbeeld de opleiding Verpleegkunde voor ons universitair ziekenhuis.

Ook als bij een succesvolle academisering de wetenschappelijke output van de hogescholen sterk in kwaliteit en kwantiteit zou toenemen (dit is afhankelijk van de beschikbare financiële middelen!), dan nog moeten we ons realiseren dat die output ten opzichte van de universitaire zowel inhoudelijk als methodologisch complementair zal blijven. In het bijzonder zal het erg toegepast onderzoek zijn, veel nadrukkelijker gerealiseerd in samenwerking met industriële partners, en bijvoorbeeld eerder leidend tot patenten dan klassieke publicaties. Dit neemt niet weg, maar dit is de evidentie zelve, dat maximaal gestreefd moet worden naar het opstarten en uitvoeren van gezamenlijke, elkaars potentieel versterkende projecten.
 
Inhoudsverantwoordelijke(n) : alain.verschoren