|
|
|
|
|
|
|
|
|
Maximale kansen voor AAP en BAP.
Wat voor het ZAP, en in het bijzonder voor de jonge docenten geldt, is in ruime mate eveneens van toepassing op de geleding AAP/BAP. Het AAP/BAP zorgt samen met het ZAP voor de invulling van de kernactiviteiten van de universiteit. De groei van onze universiteit wordt mee bepaald door wie onze AAP- en BAP-leden zijn en hoe we hen ruimte bieden voor hun persoonlijke ontwikkeling tot volwaardige academici. Daartoe moeten we hen voldoende ruimte geven om dit mogelijk te maken. Bij de taakverdeling dient een goed evenwicht gezocht te worden tussen onderwijs en onderzoek. In het bijzonder moeten we duidelijk stellen dat ze geen slaafjes van het ZAP zijn. Hun onderzoeks- en onderwijscompetentie moet kunnen groeien. Hiertoe moeten we hen beschermen tegen de administratieve overlast waarmee ook menig ZAP lid (te) vaak geconfronteerd wordt.
De onderzoekscomponent moet primeren voor de AAP/BAP-geleding, wat betekent dat er eventueel een ruimer kader van praktijkassistenten moet voorzien worden voor onderwijsbegeleiding, zij het dat een begrenzing in verhouding tot het aantal mandaatassistenten per faculteit aangewezen blijft. De kandidaten dienen sterk gescreend te worden: de onderwijsverantwoordelijkheid van deze groep is erg hoog en er dient op toegezien te worden dat deze onderwijsvertrekkers/begeleiders een voldoende hoog competentieniveau en praktijkervaring hebben in het vakgebied van hun opdracht. "Kwali-tijd" van doctoraten. Ook al staat de universiteit onder (financiële!) druk om het aantal doctoraten op te drijven, toch moeten we de leden van het AAP/BAP maximaal de kans blijven geven op een verantwoorde manier aan hun doctoraat te werken. De Universiteit Antwerpen kan alleen maar een volwaardige partner zijn binnen het Vlaamse universitaire landschap indien zij het kwaliteitsprincipe hoog in haar vaandel draagt. Uitsluitend ‘snelle’ doctoraten willen afleveren houdt een risico in tot kwaliteitsverlaging en levert op termijn wellicht weinig van de zo begeerde A1-publicaties op. Het onderzoeksbeleid dient hier gedifferentieerd en met de nodige omzichtigheid op te treden.
Toch dient op termijn gestreefd te worden naar het doctoreren binnen een kortere tijdspanne, naar Angelsaksisch model. Diverse studies en evaluaties tonen aan dat de tijd die gemiddeld aan een doctoraat wordt besteed voor Vlaanderen en Antwerpen in het algemeen vrij hoog ligt. In het kader van de doctoral school(s) en liefst in gezamenlijk overleg met de andere Vlaamse universiteiten dient het concept ‘doctoraat’ herbekeken en nauwkeuriger omschreven te worden. Het doctoraat is in de Angelsaksische wereld een volwaardige opleiding geworden, afgerond door een proefschrift dat onafhankelijk en vernieuwend denken binnen het vakgebied aantoont.
Het proefwerk is niet langer meer het grensverleggende levenswerk. Als bewijs van competentie is de thesis een eindpunt en de start van een verdere professionele carrière, waarbij de kansen verhoogd moeten worden in functie van de door het bezitten van het doctorsdiploma. Maar het doctoraat kan ook de start zijn van een wetenschappelijke researchcarrière, voortbouwend op het doctoraat en/of de in het onderzoek bereikte resultaten en verworven competenties.
Een volwaardige partner. Het is evident dat het AAP/BAP als belangrijke stakeholder binnen onze universiteit net zoals de andere geledingen op alle niveaus moet kunnen meebesturen. Het VABAP zal nog sterker dan vroeger als overlegpartner ingeschakeld worden- bij nieuwe beleidsinitiatieven die op deze geleding betrekking hebben.
Herwaardering van het BAP. De vaak onderschatte bijdrage van het BAP tot het academisch gebeuren dient op haar waarde erkend te worden. Dit kan onder meer gebeuren via het verhogen van de betrokkenheid van het BAP bij academische en bestuurlijke aangelegenheden Er dient eveneens veel meer aandacht besteed te worden aan praktijkassistenten, wetenschappelijke medewerkers die in principe geen doctoraat schrijven: hun liaison-functie tussen universiteit en buitenwereld mag niet onderschat worden.
Perspectieven. Een van onze hoofdbekommernissen naar een kwetsbare groep als de leden van het AAP en BAP moet wellicht zijn: welke perspectieven kunnen we hen op lange termijn bieden. Er moet meer zin gegeven worden aan het doctoraat: een doctoraat is niet alleen het tastbare resultaat van wetenschappelijke interesse, het moet ook gehonoreerd kunnen worden op de (academische en externe) arbeidsmarkt.
Duidelijkheid kan gecreëerd worden door voorafgaand goede afspraken te maken tussen doctorandus en promotor (die de verantwoordelijkheid blijft dragen voor de besteding van zijn fondsen). Ook de selectiemechanismen kunnen hierbij een differentiërende rol spelen. De grootste verantwoordelijkheid ligt hierbij uiteraard bij de ‘centrale’ fondsverstrekker. Wij wensen, binnen de grenzen van de mogelijkheden die diezelfde fondsverstrekkers bieden, echter zoveel mogelijk het principe "gelijk loon voor gelijk werk" te hanteren.
Op dit moment is hierover reeds een principieel akkoord binnen de Vlir, gekoppeld aan de optrekking van de IWT beurzen naar FWO niveau. Om ook de Dehoussebeurzen uniform op 100% te krijgen is een substantiële verhoging van de BOF-middelen noodzakelijk: de volledige verloning van bursalen dient binnen de toegekende projecten opgenomen te worden. Ook dit past in het kader van de nakende full cost-methodiek.
In de contacten met de overheid en de onderzoeksfinanciers zal er naar gestreefd worden om degelijke en zoveel mogelijk met andere statuten gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden te scheppen voor het BAP.
Internationalisering. Onderzoek is bij uitstek een internationaal gebeuren. De inkapseling in het Nederlandstalige gebied brengt beperkingen met zich mee. Toch streven we op termijn naar een stijging van het aantal buitenlandse vorsers tot 20%; de nodige begeleidende maatregelen zullen hiertoe uitgewerkt worden. Er wordt gedacht aan een gerichte aanwending van BOF-middelen voor het aantrekken van buitenlandse doctorandi en post-docs, in het bijzonder door het uitschrijven van exclusief daartoe bestemde oproepen met als voorwaarde dat ook bij het FWO voor een pre- of postdocmandaat wordt gekandideerd. Ook de nieuwe tenure track-mandaten en vrijkomende ZAPBOF-mandaten kunnen aangewend worden om excellente vorsers van buitenaf aan te trekken.
Wat de ‘eigen’ vorsers betreft, wordt er naar gestreefd dat 50% van alle FWO- en BOF-mandaathouders brengt tijdens het mandaat tenminste een buitenlands onderzoeksverblijf van drie maanden. In het algemeen zal de uitgaande mobiliteit gestimuleerd worden door gerichte informatie over de meerwaarde van buitenlandse onderzoeksverblijven (rol dIS, doctoral school).
|
|
|
|
|
|
|
|