Personen | Personen nieuwe site | Google | Route | Contact Login 
Opleidingsonderdelen 2006-2007  
    
Toelichting bij de werk- en evaluatievormen in de beschrijving van de opleidingsonderdelen
Werkvormen

CONTACTMOMENTEN:

  • Hoorcolleges:
    Een uiteenzetting voor een grote groep studenten, waarbij de docent het woord voert en de student luistert. De studenten kunnen actief bij het college betrokken worden door vragen te stellen, hen te laten stemmen, stellingen te laten verdedigen etc.
  • Oefeningensessies:
    Kenmerkend voor deze werkvorm is dat studenten oefeningen over de leerinhoud oplossen, hierin begeleid door een docent of assistent.

  • Seminaries / werkcolleges:
    In deze werkvormen bespreken studenten en de docent of assistent samen een onderdeel van de leerinhoud. De basis voor de bespreking kan uiteenlopend zijn: mondelinge uiteenzetting, aanvullende teksten, vragen, werkstukken van studenten, etc. Het begrip ‘seminarie’ is verwant met ‘werkcolleges’ als werkvorm; de meeste faculteiten/opleidingen geven de voorkeur aan de ene of de andere term.

  •  Practica:
    In deze werkvorm voeren studenten individueel of in kleine groepjes laboratoriumactiviteiten, computeroefeningen of een wetenschappelijk experiment uit. 
      
  • Vaardigheidstraining:
    De studenten oefenen individueel of in groep praktische vaardigheden, zoals het voeren van een gesprek, het houden van een pleidooi, het meten van de bloeddruk. 
      
  • Talenpracticum:
    De studenten oefenen individueel of in groep mondelinge taalvaardigheden in een speciaal uitgerust talenpracticum.

EIGEN WERK:

  • Oefeningen:
    Studenten oefenen bepaalde (deel)vaardigheden of oplossingstechnieken. Studenten kunnen zowel individueel als in groep werken.
  • Opdrachten:
    Studenten verwerven door het uitvoeren van een opdracht algemene, wetenschappelijke en/of beroepsgerichte competenties (zoals bijv. verwerven en verwerken van informatie, kritisch reflecteren, toepassen van onderzoeksmethoden en technieken, mondelinge en schriftelijke communicatievaardigheden etc). Vaak werken studenten op basis van een opdracht een schriftelijk werkstuk en/of een presentatie uit. Studenten kunnen zowel individueel als in groep werken. 

  • Casussen:
    Studenten leren probleemoplossend denken doordat de docent hen concrete en realistische gevallen of situaties (uit de latere beroepspraktijk) voorlegt. Net als bij de opdrachten, leiden casussen vaak tot een schriftelijk werkstuk en/of een presentatie. Studenten kunnen zowel individueel als in groep werken. 

  • Scriptie:
    Studenten onderzoeken een wetenschappelijk probleem en maken hiervan een schriftelijk werkstuk. Een scriptie bestaat meestal uit volgende onderdelen: wetenschappelijke probleemstelling, toegepaste onderzoeksmethoden, gegevensverzameling en –verwerking, resultaten en conclusies. Grosso modo zijn er 2 typen scripties, namelijk het literatuuronderzoek en het wetenschappelijk experiment. Ook de combinatie van beide vormen is mogelijk. Een scriptie kan zowel individueel als in groep door studenten uitgewerkt worden.

BEGELEIDE ZELFSTUDIE (eventueel met responsiecolleges):

In dit geval verwerven studenten zelfstandig nieuwe leerinhouden. De docent biedt ondersteuning bij het leerproces door het aanbieden van studietaken in de cursus/leeromgeving, begeleidingssessies, responsiecolleges, etc. In de responsiecolleges geeft de docent antwoord op inhoudelijke vragen van studenten, vat hij/zij de hoofdlijnen van de leerstof samen en bespreekt hij problemen van studenten met het verwerven van de leerinhoud.

EXCURSIE:

In deze werkvorm verwerven studenten kennis, inzicht en vaardigheden door bepaalde fenomenen of situaties buiten de collegzaal te bestuderen (bezoek aan het parlement, afvalbedrijf, jeugdinstelling, …). Vaak voeren studenten individueel of in kleine groepjes op basis hiervan opdrachten of wetenschappelijk onderzoek uit.

STAGE:

Studenten passen hun verworven competenties toe en scherpen ze verder aan door effectief aan het werk te gaan in de beroepspraktijk. De begeleiding van de student gebeurt enerzijds door een verantwoordelijke vanuit de opleiding en anderzijds door een stagemeester uit de praktijk. Doorgaans werken studenten een schriftelijk werkstuk uit over een thema waaraan gewerkt wordt in de praktijk of een ervarings- of reflectieverslag dat eventueel deel kan uitmaken van een portfolio. 

PORTFOLIO:

In het portfolio als werkvorm werkt de student aan een reeks opdrachten die de geleidelijke competentieontwikkeling stimuleren. Het portfolio met materiaal dat de student op deze manier opbouwt, geeft de docent de kans deze evolutie te volgen en te evalueren. Daarnaast is het portfolio een middel om studenten te begeleiden in het zelf verantwoordelijkheid opnemen voor hun eigen leerproces.

PROJECTWERK:

Studenten werken vanuit een specifieke rol (vb. adviseur, onderzoeker, beleidsmedewerker, expert etc.) aan een praktijkprobleem en passen hun verworven competenties toe. Projecten hebben meestal een flinke omvang en worden afgesloten met een concreet product (vb. een advies, een onderzoeksverslag). In projectwerk sturen studenten in grote mate zelf hun onderwijsleerproces. Studenten kunnen zowel individueel als in groep aan een project werken.

Evaluatievormen

EXAMEN:

In deze evaluatievorm wordt de student – meestal aan het einde van het opleidingsonderdeel - beoordeeld op basis van zijn antwoorden op vragen die de docent stelt. Een examen kan verschillende vormen aannemen. Specificeer daarom of het gaat om:

  • een schriftelijk examen (al dan niet met mondelinge toelichting) of een mondeling examen (waarbij al dan niet in schriftelijke voorbereiding is voorzien);
  • een open of gesloten boek examen;
  • meerkeuzevragen of open vragen.

Het examenreglement bepaalt dat de student bij mondelinge examens altijd recht heeft op een redelijke tijd om de vragen schriftelijk voor te bereiden.
Praktische vaardigheden worden vaak geëvalueerd in een practicum.

PERMANENTE EVALUATIE:

Bij permanente evaluatie voorziet de docent in de loop van het academiejaar/semester in een reeks evaluatiemomenten die leiden tot (of een onderdeel vormen van) de eindbeoordeling. Permanente evaluatie kan gebaseerd zijn op
  • oefeningen
  • opdrachten
  • casussen
  • (tussentijdse) testen
In deze evaluatievorm is er niet altijd de mogelijkheid tot een tweede examenkans (zie Onderwijs- en examenreglement voor de concrete voorwaarden). Permanente evaluatie kan ook in combinatie met een examen gehanteerd worden.

SCHRIFTELIJK WERKSTUK:
In deze evaluatievorm maakt de student een schriftelijk product op basis van een opdracht of casus. Mogelijke vormen zijn: het schrijven van een paper over een bepaald thema uit de cursus, het oplossen van een casus, het schrijven van een verslag van een practicum etc. Schriftelijke werkstukken stellen de docent in staat zowel vakinhoudelijke competenties als schriftelijke communicatievaardigheden te evalueren. De docent kan als onderdeel van de eindbeoordeling de student de mogelijkheid geven het schriftelijk werkstuk mondeling toe te lichten.

PORTFOLIO:
In dit geval stelt de student een verzamelmap samen als bewijs van zijn leerproces. Mogelijke stukken die in een portfolio opgenomen kunnen worden zijn: papers, presentaties, oplossingen van oefeningen, zelfbeoordelingen, labverslagen etc. De docent kan als onderdeel van de eindbeoordeling de student de mogelijkheid geven het portfolio mondeling toe te lichten.

DEBATEXAMEN:
Dit is een examen (met of zonder schriftelijke voorbereiding) waarbij studenten een rol innemen, dan wel toegewezen krijgen in een discussie over een stelling die verband houdt met de leerstof. De studenten dragen pro- en contra-argumenten aan en gaan met elkaar in debat. De docent evalueert daarbij zowel kennis als vaardigheden.

PRESENTATIE :
In deze evaluatievorm geeft de student een mondelinge presentatie op basis van een opdracht of een casus. Presentaties bieden de mogelijkheid om zowel vakinhoudelijke competenties als mondelinge communicatievaardigheden te evalueren.

STAGE-EVALUATIE:
De evaluatie van een stage kan op verschillende manieren gebeuren. De docent kan zijn evaluatie (gedeeltelijk) baseren op een ervarings- of reflectieverslag (eventueel als onderdeel van een portfolio) dan wel op een schriftelijk werkstuk over een thema waaraan gewerkt werd tijdens de stage. Daarnaast is het ook mogelijk dat de stagemeester uit de praktijk een bijdrage levert aan de evaluatie van de student, bijvoorbeeld door een beoordeling te geven van de praktijkprestaties van de student aan de hand van een beoordelingsformulier met evaluatiecriteria. Voor stage-evaluatie is er vaak geen mogelijkheid tot een tweede examenkans (zie Onderwijs- en examenreglement voor de concrete voorwaarden).