| Academiejaar: | 2007-2008 |
| Code opleidingsonderdeel: | 3BSOC-010 |
| Semester: | 2e semester |
| Studiepunten: | 6 |
| Uren Studietijd: | 168 |
| Uren theorie: | 45,00 |
| Uren praktijk: | |
| Uren andere: | |
| Deeltijds programma: | 2 |
| Titularis(sen) | Erik Henderickx
|
| Taal waarin de cursus wordt gedoceerd: | Nederlands |
| Info semesterexamen: | semesterexamen in juni |
| Info contractrestrictie: | |
1. Aanvangscompetenties (begintermen)
*Algemene competenties
Arbeidssociologie is de sociologische benadering van alle maatschappelijke verschijnselen die met arbeid binnen een globaliserende economie te maken hebben. Arbeidssociologen houden zich bezig met arbeid en hoe arbeid is georganiseerd en hoe de arbeid wordt ervaren. De harde kern van het arbeidssociologisch onderzoeksprogramma kan in feite worden samengevat in de stelling dat "de specifieke vorm van de maatschappelijke organisatie van de arbeid een essentiële verklaringsgrond is voor de sociale structuur en maatschappelijke verandering in het algemeen en voor sociale ongelijkheden en collectief conflicthandelen in het bijzonder". Vandaar dat de arbeidssociologie één van de belangrijke subdisciplines is in de sociologie.
*Volgtijdelijkheid
2. Eindcompetenties (eindtermen)
De student moet bij afronding van dit opleidingsonderdeel de volgende leercompetenties aantoonbaar beheersen:
· Wetenschappelijke kennis van en wetenschappelijke inzichten in de belangrijkste gedrags- en maatschappijwetenschappelijke theorieën inzake: arbeid, arbeidsbestel en arbeidsverdeling, arbeidsorganisatie, arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen. Dit impliceert: de kern van de leerinhoud met eigen woorden kunnen samenvatten, evenals onderdelen uit de leerinhouden met elkaar kunnen verbinden.
· Het kunnen confronteren van de diverse theoretische benaderingen met resultaten van (internationaal) vergelijkend en/of longitudinaal wetenschappelijk onderzoek.
Bijgevolg ook in staat zijn een arbeidssociologische probleemstelling en een onderzoeksopzet met betrekking tot arbeidsvraagstukken te formuleren en beargumenteren.
Concreet met behulp van het arbeidssociologische begrippenkader actuele uitdagingen en beleidsvraagstukken kunnen analyseren in verband met:
1. De diverse contingenties die arbeid en economie beïnvloeden (technologie, globalisering, klimaatvraagstukken en verzorgingsstaat) kunnen onderscheiden en hun impact op het arbeidsbestel kunnen verduidelijken.
2. De evolutie(s) in arbeidsethos, -centraliteit en -oriëntaties kunnen onderscheiden, en deze zowel op historisch als ruimtelijk/ geografisch vlak kunnen vergelijken, op basis van recent sociologisch onderzoek. Tevens het belang van nationale culturen kunnen typeren als variabele.
3. Arbeid in bedrijven/ organisaties (arbeidsorganisatie, productieorganisatie, productie- of dienstverleningstechnologie, kwaliteit van arbeid, …) als sociologisch vraagstuk kunnen analyseren en problematiseren, naast diverse beleidsvraagstukken zoals bijvoorbeeld veiligheid, gezondheid en welzijn op het werk.
4. De uitdagingen die zich stellen - zowel op interne en als op externe arbeidsmarkten (segmentering, flexibilisering, sociale uitsluiting, werkloosheid, knelpuntberoepen, werkgelegenheidsbeleid, …) - kunnen typeren vanuit de sociologische arbeidsmarkttheorieën; en daarbij ook mogelijk beleid kunnen typeren (werkloosheid, activering, 'flexicurity' ...).
5. Op het gebied van de arbeidsverhoudingen de diverse scholen of stromingen met betrekking tot 'industrial relations' kunnen onderscheiden en specifieke beleidsvraagstukken kunnen onderscheiden (manifeste of latente conflicten, belangrijke onderhandelingsthema's i.v.m. loon/ inkomen en arbeidstijd, werkgelegenheid, sociale zekerheid, inspraak, flexibiliteit enz).
6. Een eerste antwoord kunnen beargumenteren op de vraag of het arbeidsbestel in transitie is, in het verlengde van de (actieve) welvaartsstaat en de ('vergrijzende') verzorgingssamenleving.
3. Inhoud
Aan het begin van de 21e eeuw is het arbeidsbestel volop in verandering: nieuwe technologieën (bijvoorbeeld ICT) en nieuwe organisatievormen veranderen de wijze waarop gewerkt wordt en dit binnen een globaliserende economie (‘The world is flat’), naast het vraagstuk van het opwarmende klimaat. Arbeidsrelaties worden flexibeler, de arbeidsdeelname van vrouwen neemt toe, en daarmee de spanning in de balans 'werken en privaat leven', aan het werk worden hogere prestatie-eisen gesteld (werkstress ...) en arbeidsvoorwaarden worden meer op decentrale niveaus geregeld. In dit opleidingsonderdeel komen de veranderingen aan bod die zich voltrekken binnen: de contingenties van arbeid en (lokale/ globale) economie en het arbeidsethos. Concreet: (1) in de arbeidsorganisaties (productie, dienstverlening, markt/ social profit en publieke sector), (2) op de arbeidsmarkt(en) en (3) in de (georganiseerde) arbeidsverhoudingen. En dit vanuit een arbeidssociologisch perspectief.
Arbeidsrelaties komen tot stand binnen drie onderling verbonden maatschappelijke arena’s.
- Op de arbeidsmarkt staan vragers en aanbieders van arbeid tegenover elkaar (lokaal, mondiaal). Daar draait het in eerste instantie om de vraag wie waar terechtkomt (allocatie met ‘winnaars’ en ‘verliezers') en om de beloning binnen de ruilrelatie.
- In de arbeidsorganisatie zijn werkgever en werknemer door middel van arbeidsdeling en hiërarchische coördinatie met elkaar verbonden. Hier draait het in eerste instantie om de vraag hoe de beschikbare arbeidskracht ten behoeve van de doelen van de organisatie wordt omgezet in concrete arbeidssituaties en prestaties. Daarbij stelt zich de vraag naar de kwaliteit van arbeid (aantrekkelijkheid van (loop)banen, ziekteverzuim, stress, leermogelijkheden etc.).
- In de arena van het collectief onderhandelen en overleg streven organisaties van werkgevers en werknemers ernaar, de processen die zich op de arbeidsmarkt en in de organisatie afspelen, aan bepaalde regels te binden. Hier wordt een strijd geleverd tussen 'arbeid' en 'kapitaal'. Dit resulteert in 'sociale vrede', stakingshandelen, delokalisatie/ bedijfssluiting etc.
We gaan uitgebreid in op veranderingen in deze drie domeinen en hun (complementaire) gevolgen voor arbeidsrelaties.
Om aan de gestelde leerdoelen te kunnen beantwoorden, streven we naar een evenwichtige mix van onderwijsvormen. Daarbij wordt het studentgecentreerd en competentiegericht (interactief) onderwijs toegepast, conform de UA-visie.
- Luistercolleges: vooral ter inleiding van een thema zal een uiteenzetting gebeuren over belangrijke aspecten van het betreffende thema. De studenten krijgen vooraf de betreffende slides, ook beschikbaar via BB.
- Studietaken: de studenten krijgen de taak een (deel)thema voor te bereiden (= begeleide zelfstudie: een tekst lezen op basis van richtvragen, recente audiovisuele informatie verwerken (onderscheid verplicht (V) en facultatief (F) …). Deze taken dienen ter verwerking van de leerinhouden, maar worden niet gequoteerd. We achten ze echter zeer belangrijk in het leertraject. Er wordt dan ook mondeling over gerapporteerd en gediscussieerd tijdens de contactmomenten. De taak wordt vooraf thuis voorbereid als begeleide zelfstudie. Sommige opdrachten worden individueel uitgevoerd, andere in groep.
- Discussiecolleges: De studenten krijgen de kans een interactieve discussie te voeren tijdens de sessie(s), waarbij verschillende standpunten over een actueel arbeidsthema worden ingenomen en tegenover elkaar uitgespeeld. Een discussiecollege wordt via de studietaken voorbereid.
- Opdrachten: doorheen het leertraject zullen vijf opdrachten moeten gemaakt worden. Deze tellen mee voor de permanente evaluatie. De data waarop opdrachten worden meegedeeld, staan vermeld in de planning (zie Cursusinformatie). De opdrachten worden meegedeeld via 'Mededelingen' in BB en zijn terug te vinden onder de rubriek 'Opdrachten'. Afspraken omtrent het indienen ervan (via BB) dienen strikt te worden nageleefd (te vinden onder Cursusinformatie, Algemene en Praktische Afspraken, Handleiding BB). Ook de timing is strikt: wie laattijdig zijn opdracht doorstuurd, krijgt geen score voor die opdracht. Indien er sprake is van een "wettige afwezigheid" dient de docent binnen de week verwittigd te worden en mits het voorleggen van een geldig attest (bv. doktersattest), kan de opdracht alsnog ingediend worden.
Tot slot: Alle opdrachten wegen even zwaar door in de evaluatie, en het cijfer behaald voor permanente evaluatie geldt voor eerste én tweede zittijd.
In het algemeen geldt dat tijdens de contactmomenten interventie/ participatie wordt gestimuleerd. Soms zullen ‘zoemsessies’ worden ingelast waarbij studenten met elkaar kunnen overleggen. Steeds is er ook aandacht voor de actualiteit, waarbij we kunnen ingaan op gebeurtenissen die aansluiten bij de vraagstukken van dit opleidingsonderdeel.
De EVALUATIE gebeurt als volgt:
10 punten op permanente evaluatie (5 opdrachten via BB met terugkoppeling)
10 punten op het examen (open boek). Het examen wordt via BB afgenomen.
Op elk van de deel evaluaties moet de studenten minstens 4/10 behaald hebben, om de credit 'Arbeidssociologie' te verwerven. Het cijfer van de permanente evaluatie geldt voor eerste en tweede zittijd.
De studenten kunnen één bonuspunt (extra) behalen, wanneer zij een interessante en relevante verwijzing kunnen aanbrengen met betrekking tot de leerinhoud (film, figuur, wetenschappelijke tekst ...). Het is niet voldoende dat je bijvoorbeeld enkel een artikel doorstuurt, of de link naar een webpagina: we vragen een duidelijke argumentatie waarom dit relevant is, en bij welk onderdeel van de cursus je deze informatie zou plaatsen.
4. Werkvormen
Contactmomenten: HoorcollegesWerkcolleges
Eigen werk: Opdrachten:IndividueelCasussen: Individueel
Begeleide zelfstudie (eventueel met responsiecolleges)
Excursie
5. Evaluatievormen
Examen: Schriftelijk zonder mondelinge toelichtingOpen boekMeerkeuzevragenOpen vragen
Permanente evaluatie: Opdrachten
6. Noodzakelijk studiemateriaal
· Van Ruysseveldt, J. & Van Hoof J. (2006), Arbeid in verandering, Alphen aan den Rijn: Kluwer (verkrijgbaar bij ACCO).
· Een reader met recente wetenschappelijke artikels en slides (verkrijgbaar bij ACCO).
· Audiovisueel materaal dat via BB wordt aangeboden, met een begeleidende nota (Verplicht en Facultatief).
· Slides, aidiovisueel materiaal en actuele info via BB.
Studenten volgen continu en systematisch de acualiteit, in het bijzonder de zaterdagmiddaguitzending op VRT: 'De vrije markt' (tijdens de week via www.deredactie.be).
7. Facultatief studiemateriaal
- Op dit opleidingsonderdeel aansluitende tijdschriften (websites zijn via BB beschilkbaar):
- Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken
- Tijdschrift voor Sociologie
- Samenleving en Politiek
- De Gids op Maatschappelijke Gebied
- Over.werk
- Gedrag en organisatie
- Belgisch tijdschrift voor de Sociale Zekerheid
- Sociologie du Travail
- Industrial Relations
- Work, Employment & Society
- Human Relations
- Gender, Work and Organization
- Work and Occupations
- Organization Studies
- Organization
- …
- Interessante websites zijn:
8. Studiebegeleiding
Voor de begeleiding wordt via BB gewerkt, teneinde individueel terugkoppeling te kunnen geven.