| Academiejaar: | 2008-2009 |
| Code opleidingsonderdeel: | FLWTLM0000 |
| Semester: | 1e en 2e semester |
| Studiepunten: | 18 |
| Uren Studietijd: | 504 |
| Uren theorie: | |
| Uren praktijk: | |
| Uren andere: | |
| Deeltijds programma: | 2 |
| Titularis(sen) | N.
|
| Taal waarin de cursus wordt gedoceerd: | Nederlands |
| Info semesterexamen: | examen in het 2de semester |
| Info contractrestrictie: | |
1. Aanvangscompetenties (begintermen)
*Algemene competenties
De masterproef integreert de onderzoeksvaardigheden die de studenten verworven hebben tijdens de opleiding. Daarbij moet er een coherente samenhang bestaan tussen het thema van de masterproef en de samenstelling van het vakkenpakket in het gevolgde masterprogramma. De promotor van de masterscriptie kan via de Onderwijscommissie Taal- en Letterkunde (OCTLET) voorstellen welke vakken een student gevolgd moet hebben of nog moet volgen met het oog op het afleggen van de masterproef.
*Volgtijdelijkheid
2. Eindcompetenties (eindtermen)
De masterproef is een zelfstandig werkstuk geschreven op basis van literatuurstudie en zelfstandig onderzoek. De studenten moeten bijgevolg in staat zijn om
-
zelf de probleemstelling en onderzoeksvragen van hun onderzoek duidelijk te omlijnen en te definiëren;
-
hun onderzoek te baseren op wetenschappelijk verantwoord bronmateriaal en/of een zorgvuldig samengesteld corpus;
-
autonoom een oordeelkundig gekozen literatuurlijst samen te stellen en door te nemen;
-
zelfstandig een duidelijk en systematisch verantwoorde argumentatie op te bouwen m.b.t. de probleemstelling en de voorgestelde hypotheses;
-
zelf een positie in te nemen t.o.v. de vraagstelling en deze duidelijk en systematisch te verdedigen;
-
hun ideeën te verwoorden in een goed gestructureerde, helder geschreven tekst, in overeenstemming met de eisen van het vakgebied waarin zij hun masterproef schrijven.
3. Inhoud
De masterproef handelt over een onderwerp dat verband houdt met één van de vakgebieden die binnen de masteropleiding Taal- en Letterkunde aan bod komen. De onderwerpen waaruit de student kan kiezen worden ieder jaar aangeboden op de website van de opleiding Taal- en Letterkunde.
4. Werkvormen
Eigen werk: Scriptie: Individueel
5. Evaluatievormen
Schriftelijk werkstuk: met mondelinge toelichting
6. Noodzakelijk studiemateriaal
7. Facultatief studiemateriaal
8. Studiebegeleiding
- Studenten hebben recht op daadwerkelijke begeleiding.
- In principe gebeurt de begeleiding door een ZAP-lid, een doctor-assistent of een BAP-lid met doctoraat.
- Die persoon is betrokken bij het onderwijs en is gespecialiseerd op het terrein van het onderzoeksthema dat de student gekozen heeft. Dit gebeurt na afspraak met de student.
Indien de promotor het nodig acht, kan een copromotor mee instaan voor de begeleiding.
Er wordt van de student verwacht dat hij/zij geregeld contact opneemt met de begeleider en conceptteksten voorlegt, zodat eventuele problemen tijdig gezien en aangepakt kunnen worden.
- Erasmusstudenten kunnen hun masterproef geheel of gedeeltelijk in het buitenland schrijven. In dat geval gebeurt de begeleiding op afstand.
- Wanneer er problemen rijzen tussen (co)promotor en student, kan de student terecht bij de ombudspersoon.