|
|
een diploma van het secundair onderwijs, van het hoger onderwijs, van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of van een diploma of getuigschrift dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig met één van de voorgaande diploma’s wordt erkend.
|
|
|
|
|
1. De bachelor in de chemie moet een voldoende brede basiskennis hebben van, en inzicht in de verschillende scheikundige subdisciplines en de aan de scheikunde verwante natuurwetenschappen. a de bachelor beschikt over voldoende wetenschappelijke basiskennis: scheikunde, biochemie, wiskunde, statistiek, fysica, biologie, b beschikt over het inzicht om zijn wetenschappelijke basiskennis te kunnen toepassen binnen zijn discipline, c kan wetenschappelijke informatie in zijn discipline opzoeken, begrijpen, en naar waarde schatten, en d heeft inzicht in eenvoudige wetenschappelijke modellen en hun toepassingsgebied. 2. De bachelor in de chemie moet een scheikundig probleem kritisch kunnen analyseren, omschrijven, beoordelen en oplossen. a de bachelor kan formeel denken, b kan logisch deductief redeneren, c heeft een kritische zin, d is creatief en e heeft een probleemoplossend vermogen. 3. De bachelor in de chemie heeft een attitude om de wetenschappelijke evolutie in het vakgebied Chemie te blijven volgen en zijn professioneel niveau op peil te houden. a de bachelor is nieuws- en leergierig, b is gericht op vernieuwing, c reflecteert op het eigen functioneren en leert van zijn ervaringen, d staat open voor navorming en zelfstudie, en is flexibel en in staat om door te groeien en te evolueren in zijn functie, en e is in staat vakwetenschappelijke literatuur of gegevens te verzamelen in functie van zijn opdracht, en kent de kanalen om op de hoogte blijven van de ontwikkeling van nieuwe methoden en recente evoluties in zijn discipline. 4. De bachelor in de chemie beschikt over de vaardigheid om op een efficiënte manier informatie te verstrekken. a de bachelor moet zich mondeling vaardig uitdrukken, b moet zich schriftelijk vaardig uitdrukken, c is in staat om een selectie te maken uit de informatie die hij wenst door te geven, d is in staat om informatie en gegevens op een correcte manier te presenteren, en e is in staat een redenering toe te lichten of te verdedigen, 5. De bachelor in de chemie is in staat projectmatig en planmatig te werken. a de bachelor is in staat in teamverband te werken, b kan zelfstandig een beperkte opdracht uitwerken, c beschikt hiervoor over voldoende organisatievermogen, d kan een eenvoudig wetenschappelijk vraagstuk of experiment formuleren, oplossen, verwerken en interpreteren, en e kan een probleem isoleren, omschrijven en in kaart brengen. 6. De bachelor in de chemie beschikt over voldoende experimenteervaardigheden. a de bachelor is vertrouwd met gangbare chemicaliën, laboratoriumglaswerk en -apparatuur, en de klassieke labotechnieken, b is in staat, mits begeleiding, nieuwe technieken aan te leren, c is in staat op een nauwkeurige wijze metingen, analyses en experimenten uit te voeren, d heeft kennis van veiligheidsnormen en past ze toe, e is zich bewust van de milieu- en hygiënische aspecten van zijn werk, f is in staat om zijn resultaten op een overzichtelijke manier te presenteren. 7. De bachelor in de chemie (doorstroom) heeft inzicht in onderzoeksmethoden en -strategieën, en kan ze onder toezicht toepassen. a de bachelor kan een goed afgebakende probleemstelling formuleren (onderzoekshypothese), b is kritisch ingesteld, c heeft inzicht in eenvoudige wetenschappelijke onderzoeksstrategieën en hun toepassingsgebied, d kan de kwaliteit en betrouwbaarheid van een wetenschappelijk vraagstuk of experiment analyseren en beoordelen, e kan een wetenschappelijk experiment opzetten en uitvoeren, f kan de resultaten van een uitgevoerd experiment bewerken en analyseren, en g kan de conclusies uit zijn experiment formuleren en beargumenteren. 8. De bachelor in de chemie beheerst voldoende informaticatechnieken. a de bachelor heeft computervaardigheid, b kent basistechnieken van numerieke analyse en c heeft kennis van computerpakketten voor chemische toepassingen. 9. De bachelor in de chemie is voldoende taalvaardig om in zijn vakgebied te communiceren en informatie over te dragen. a de bachelor kan zich in het Nederlands mondeling correct uitdrukken, b kan in het Nederlands een schriftelijke presentatie grammaticaal correct en vrij van spellingsfouten leveren en c is in staat tot begrijpend lezen van Engelstalige wetenschappelijke literatuur. 10. De bachelor in de chemie is zich bewust van de relatie tussen zijn chemisch handelen en de brede maatschappelijke context. a de bachelor heeft noties van de ethiek van de wetenschap en b heeft een houding van bedachtzaamheid in het bijzonder aangaande hygiënische en milieuaspecten van zijn handelen. c is vertrouwd met de notie 'Duurzame ontwikkeling'.
|
|
|
|
|
Een bachelor diploma geeft rechtstreeks toegang tot ten minste één masteropleiding.
|
|
|
|
|
|