Start | Personen | Google | Route | Contact | AfdrukkenLogin 
Opleidingsonderdelen  
    
Toelatingsvoorwaarden
een diploma van het secundair onderwijs, van het hoger onderwijs, van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid,  of van een diploma of getuigschrift dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig met één van de voorgaande diploma’s wordt erkend.
Doelstellingen - eindtermen

Expliciete Competenties van de Bachelor wiskunde 

  1. De bachelor dient de formele wiskundige taal volledig te beheersen. Dit impliceert dat hij dient te weten wat definities, stellingen, formules en bewijzen zijn. Hij moet ook inzicht hebben in het waarom van concepten die ingevoerd werden, wat het nut en het gebruik ervan is. De Bachelor moet een wiskundig bewijs of een wiskundige berekening, in een materie die tijdens de studie behandeld werd, kunnen begrijpen en ontleden en indien vereist in zekere mate kunnen vervolledigen. 
  2. De bachelor dient een parate kennis te bezitten die afhankelijk van het onderwerp als fundamenteel kan bestempeld worden. Vanzelfsprekend varieert het niveau en de hoeveelheid van wat fundamenteel is van onderwerp tot onderwerp. Daarnaast is er ook materie die de Bachelor niet paraat dient te kennen, doch waarvan hij zich moet bewust zijn in die mate dat hij, indien nodig, de vereiste kennis vlot kan terugvinden in cursusteksten, handleidingen, boeken, tijdschriften en op internet. 
  3. De bachelor dient in staat te zijn zelf eenvoudige wiskundige problemen op te lossen. Dit houdt in dat eenvoudige bewijzen zelf moeten kunnen gevonden worden en dat basisberekeningen zelf moeten kunnen gemaakt worden. Ook hier zijn de termen “eenvoudig” en “basis” vanzelfsprekend afhankelijk van het vak, en van de diepgang waarmee een zeker onderwerp behandeld wordt. Ongetwijfeld is er een parallel te trekken tussen de materie die als parate kennis bestempeld wordt en wat als fundamentele en eenvoudige bewijsvoeringen en berekeningen kan beschouwd worden. 
  4. De bachelor moet in staat zijn een wiskundig probleem te herkennen. Dit houdt overigens verband met de vereiste van het, tot in de puntjes, kunnen ontleden van een bewijs of berekening. Het herkennen van een lacune in een bewijs of een ontbrekende stap in een berekening is een absolute vereiste om wiskunde te kunnen bedrijven. Het mogelijk oplossen van een probleem begint met het herkennen van het probleem. 
  5. De bachelor moet dus ook het onderscheid kunnen maken tussen het - voor het bedrijven van de wiskunde overigens belangrijke - aspect van de heuristiek en de intuïtie, en de “echte” correcte wiskunde. 
  6. De bachelor dient een visie te hebben op de wiskunde, dit wil ondermeer zeggen dat hij tot op zekere hoogte samenhang moet zien in de verschillende wiskundige disciplines en een ruimer beeld moet hebben van de wiskunde in haar geheel. 
  7. De bachelor moet kennis hebben van de manier waarop de wiskundige methoden die hij geleerd heeft toegepast worden in andere vakgebieden (e.g. in de fysica). Dit betekent ook dat hij bepaalde problemen in een ander vakgebied moeten kunnen analyseren en ze in een wiskundige vorm moeten kunnen herformuleren en modelleren. 
  8. In de hedendaagse wiskunde is het gebruik van informatica niet weg te denken. Daarom moet elke bachelor wiskunde kunnen werken met de courante wiskundige software (MAPLE, SPLUS, MATLAB, ...). Hij dient tevens een basiskennis te bezitten op gebied van programmeren. Van de studenten die hun opleiding willen profileren op het gebied van de informatica wordt uiteraard een grondiger kennis van de informatica verwacht. 

Impliciete Competenties van de Bachelor wiskunde 

Onderstaande competenties zijn geenszins van ondergeschikt belang maar zijn in die zin perifeer of impliciet dat zij eigenlijk een gevolg dienen te zijn van de specifieke wiskundestudie. Door het verwerven van de expliciete competenties zullen volgende competenties aanvullend of onrechtstreeks verworven worden. 

  1. In bijna alle gevallen, ook indien een niet specifiek wiskundig beroep wordt uitgeoefend, zal de Bachelor optreden als iemand die in staat is problemen te analyseren en op te lossen. Hij zal over zijn analyses moeten communiceren en zijn inzichten duidelijk moeten maken aan anderen. De Bachelor moet in staat zijn samen te werken in groepsverband ook met mensen buiten zijn eigen discipline. 
  2. De bachelor moet logisch, deductief en axiomatisch kunnen redeneren (ook buiten de wiskunde, en in functie van kennis). 
  3. De bachelor moet geleerd hebben te leren, dit wil zeggen moet de attitude verworven hebben om zichzelf permanent bij te schaven door op de hoogte te blijven van nieuwe ontwikkelingen, in het bijzonder in de materie waarin hij gespecialiseerd is. Hij zal op zelfstandige basis de nodige kennis moeten verwerven die nodig is om zijn beroep te kunnen uitoefenen. Hij zal vakliteratuur moeten lezen. 
  4. De bachelor moet zelfstandig kunnen werken. 
  5. De bachelor moet over de nodige communicatieve vaardigheden beschikken, zowel schriftelijk als mondeling. Hij moet in staat zijn zich zeer begrijpelijk uit te drukken, en moet dus over een ruime taalvaardigheid beschikken. 
  6. Aangezien de meeste wetenschappelijke literatuur niet in het Nederlands vertaald wordt is het ook belangrijk dat de bachelor kennis heeft van de talen die het meest voor wetenschappelijke literatuur gebruikt worden, in het bijzonder van het Engels. 
  7. De bachelor moet een kritische instelling hebben en hij moet zijn wiskundige kennis kunnen kaderen in een ruimere wetenschappelijke en maatschappelijke context. Tevens dient de bachelor noties te hebben van de ontwikkeling van de wiskunde door de geschiedenis heen.

Toegang tot verdere studies

Een bachelor diploma geeft rechtstreeks toegang tot ten minste één masteropleiding.

ECTS-coördinator

Prof. dr. F. Van Oystaeyen, fred.vanoystaeyen@ua.ac.be

 


 
Inhoudsverantwoordelijke(n) : Contacteer de faculteit van de opleiding