Architectuur en stedenbouwtheorie 3: 19de en 20ste eeuw (Instituut Henry van de Velde)
|
|
|
| Academiejaar: | 2010-2011 | | Code opleidingsonderdeel: | FLWGM00600 | | Semester: | 1e semester | | Studiepunten: | 3 | | Uren Studietijd: | 84 | | Uren theorie: | 36,00 | | Uren praktijk: | | | Uren andere: | | | Deeltijds programma: | 1 | | Titularis(sen) | Piet Lombaerde
| | Taal waarin de cursus wordt gedoceerd: | Nederlands | | Info semesterexamen: | examen in het 1ste semester | | Info contractrestrictie: | |
1. Aanvangscompetenties (begintermen) *Algemene competenties
BA 3 Elementaire noties van stadsgeschiedenis (moderne en hedendaagse periode).
*Volgtijdelijkheid
2. Eindcompetenties (eindtermen)
Met deze cursus wordt van de afgestudeerde verwacht dat hij/zij een kritisch en wetenschappelijk inzicht verwerft in de theorieën die aan de basis van de stad en de stedenbouw liggen, meer bepaald vanaf het begin van de 19de eeuw tot het begin van de 21ste eeuw. Vanuit eigen reflectie moet de student/studente in staat zijn om stadsontwikkelingen in de behandelde periode te kunnen beschrijven en de mogelijke modellen die aan de basis van deze transformaties en vergrotingen liggen, te kunnen terugvinden. De relaties tussen theorie en praktische realisatie ervan dienen op een wetenschappelijk verantwoorde wijze beschreven te worden.
3. Inhoud
De cursus start met een systematische behandeling van de karakteristieken van de 19de en 20ste-eeuwse stadsontwikkeling in Europa. Veel aandacht gaat naar de rol die zowel praktische modellen als naar theoretische publicaties op het gebied van stedenbouw, in de ontwikkeling van de hedendaagse stad hebben gespeeld. Er wordt gestart met de behandeling van de culturalistische versus de sociaal-utopische stadsmodellen. Aan de hand van voorbeelden wordt uitgelegd hoe ontwerpen van nieuwe steden een heel eigen inhoud verkrijgen en inspelen op de veranderende relaties tussen vorm en functie, maatschappij en stedelijkheid, macht en prestige. De voorbeelden van Parijs, Berlijn, Wenen en München worden uitvoerig toegelicht. Als toepassingen worden de steden Amsterdam, Brussel, Oostende en Antwerpen uitvoerig geanalyseerd. Het probleem van verkeer en stedenbouw wordt gekoppeld aan het vraagstuk van de moderne verkeersring. In een tweede deel gaat de aandacht naar nieuwe stadsmodellen als deze van Ildefonso Cerda (Barcelona), Soria y Mata (de lijnstad) en Ebenezer Howard (de Garden City en de Garden Suburb). Hun gevolgen voor tuinwijken in België worden onderzocht. Eerste ontwerpen voor de Wereldstad monden tijdens de eerste decennia van de 20ste eeuw uit in de modernistische stad. Er wordt dieper ingegaan op de typische karakteristieken van de moderne stad, zoals ze verkondigd werden door Le Corbusier en de CIAM. Het voorbeeld van de IMALSO-wedstrijd voor Antwerpen wordt in detail besproken. De functionalistische stad van de naoorlogse periode wordt geconfronteerd met het model van ‘New Babylon’, ‘Instant City’ en met de nieuwe utopieën uit de jaren 1960-1970. Nieuwe modellen en voorbeelden uitgewerkt door Rem Koolhaas, zoals ‘Generic City’ vormen het sluitstuk van deze cursus.
4. Werkvormen Contactmomenten: Hoorcolleges Eigen werk: Casussen: Individueel
5. Evaluatievormen Examen: Schriftelijk zonder mondelinge toelichting
6. Noodzakelijk studiemateriaal
behandelde en gecommentarieerde power-points tijdens de cursus.
7. Facultatief studiemateriaal
E. Taverne en I. Visser (eds.), Stedebouw. De geschiedenis van de stad in de Nederlanden van 1550 tot heden, Nijmegen, 1993 (2004). J. Dethier en A. Guiheux (eds.), La ville, art et architecture en Europe, 1870-1993, Parijs, 1994. F. Choay, The Modern City : Planning in the 19th Century, New York, 1969. A. Sutcliffe, The Rise of Modern Urban Planning 1800-1914, Londen, 1980. M. Wagenaar, Stedebouw en burgerlijke vrijheid. De contrasterende carrières van zes Europese hoofdsteden, Bussum, 1998.
8. Studiebegeleiding
in afspraak met de docent
laatste aanpassing: laatste aanpassing: 15/01/2009 10:00 hanna.goossens
|
|
|