Personen | Personen nieuwe site | Google | Route | Contact Login 
Opleidingsonderdelen 2011-2012  
    
Te behalen diploma
Om het diploma van bachelor of Arts in de taal- en letterkunde te behalen moet de student
  • ingeschreven zijn voor deze opleiding onder een diplomacontract of examencontract met het oog op het behalen van een diploma
  • alle examens hebben afgelegd die horen bij zijn/haar opleidingsprogramma
  • zich voor dat opleidingsprogramma geregistreerd hebben bij de examencommissie
  • tenminste 180 studiepunten hebben verworven. 
De opleiding heeft een studieomvang 180 studiepunten.
Per academiejaar worden in een modeltraject tussen 54 en 66 studiepunten opgenomen.
Toelatingsvoorwaarden
een diploma van het secundair onderwijs, van het hoger onderwijs, van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid,  of van een diploma of getuigschrift dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig met één van de voorgaande diploma’s wordt erkend.
Doelstellingen - eindtermen
Afgestudeerde Bachelors in de Taal- en Letterkunde kunnen een taal- of letterkundige problematiek definiëren en erover reflecteren. Vanuit hun methodologische kennis kunnen ze een oplossing voor de problematiek formuleren en de relevante informatie op een efficiënte wijze opzoeken. Zij kunnen ten slotte de problematiek en de oplossing in de juiste culturele context plaatsen en de maatschappelijke rele­vantie ervan evalueren, en zijn in staat er efficiënt over te communiceren.
Om deze doelstelling te realiseren, verwerven Bachelors in de Taal- en Letterkunde tijdens hun opleiding de volgende kerncompetenties: 
  1. Zij beheersen de taal/talen die op hun diploma vermeld wordt/worden op actieve en passieve wijze en zijn vertrouwd met de diverse gebruikscontexten ervan. Zij kunnen deze kennis gebruiken om soepel en doeltreffend te communiceren.
  2. Zij kunnen literaire teksten met inzicht lezen en analyseren, doordat zij met de diverse literaire genres vertrouwd zijn en beschikken over een grondige kennis van de relevante literatuuropvattingen. Zij bezitten verder het nodige inzicht in de historische evolutie van de literatuur in de taal/talen die op hun diploma vermeld wordt/worden en kunnen literaire teksten situeren in een bredere maatschappelijke context. Bachelors in de Theater-, Film- en Literatuurwetenschap kunnen theaterteksten, opvoeringen en films analyseren vanuit hun inzicht in de belangrijkste theorieën die bestaan over deze kunstvormen en hun evolutie.
  3. Zij hebben een overzicht van taalkundige theorieën en actuele taalkundige evoluties en van het begrippenarsenaal dat daarbinnen ontwikkeld is. Zij beschikken verder over inzicht in de (historische, geografische, sociolinguïstische) variatie van de taal/talen die op hun diploma vermeld wordt/worden. Op basis van deze kennis zijn zij in staat taalverschijnselen te analyseren en op een kritische wijze te interpreteren.
  4. Zij zijn vertrouwd met de culturen gerelateerd aan de taal/talen die op hun diploma vermeld wordt/worden, maar ook met de westerse culturele, filosofische en artistieke traditie. Zij kunnen hun onderzoek en de door hen bestudeerde theorieën situeren ten opzichte van andere relevante kennisdomeinen en er de maatschappelijke relevantie van evalueren. Bachelors in de Theater-, Film- en Literatuurwetenschap kunnen theater en film situeren in de context van de algemene opvattingen over beeldcultuur en kunst.
  5. Zij kunnen, onder begeleiding van een ervaren onderzoeker, de door hen verworven theoretische kennis verbinden met de gangbare onderzoeksmethodes. Zij kunnen daarbij snel en efficiënt informatie opzoeken, verwerken, interpreteren en kritisch evalueren, onder andere door verantwoord gebruik te maken van de modernste heuristische hulpmiddelen. 

Concreet verwerven Bachelors in de Taal- en Letterkunde deze competenties door een opleiding te volgen over twee talen, hun literatuur en hun cultuur, of over één taal gecombineerd met de afstudeerrichting Theater-, Film- en Literatuurwetenschap. Deze opleiding omvat onder andere een bachelorscriptie, waarin studenten de competenties die in de opleiding verworven werden, geïntegreerd toepassen.
 
De bovenstaande kerncompetenties werden verder uitgewerkt in een lijst van dertig competenties die samen een geheel van vakkennis, vaardigheden en at­titudes vertegenwoordigen. Deze competenties zijn relevant zowel voor studenten die wensen door te stromen naar een masteropleiding als voor studenten die na de opleiding wensen uit te stromen naar de arbeidsmarkt.
 
Bachelors in de Taal- en Letterkunde:
1.      hebben grondige actieve en passieve kennis van de taal/talen die op hun diploma vermeld wordt/worden.
2.      hebben daarbij inzicht in de gebruikscondities van deze taal/talen, en beheersen verschillende registers, aangepast aan de diverse contexten waarin de taal/talen functioneert/functioneren.
3.      bezitten algemene kennis van de culturen die met de gekozen taal/talen geassocieerd zijn en hun artistieke uitingsvormen (waaronder theater en film).
4.      zijn vertrouwd met de cultuur of culturen die geassocieerd zijn met de taal/talen die op hun diploma vermeld wordt/worden (o.a. via internationale uitwisseling, stage, enz.).
5.      hebben globale kennis verworven van de westerse culturele traditie van de Oudheid tot de Moderne Tijd, van de filosofische inzichten binnen die traditie en van de opvattingen betreffende literatuur en kunst (in het bijzonder theater en film).
6.      bezitten theoretische kennis met betrekking tot de drie literaire hoofdgenres (proza, poëzie en drama) en kunnen deze kennis ook correct gebruiken bij de lectuur en analyse van teksten. Zij kunnen particuliere literaire teksten situeren in een literaire traditie en/of stroming.
7.      hebben een degelijk tekstanalytisch en literair-interpretatief vermogen ontwikkeld.
8.      hebben inzicht verworven in de historische evolutie, zowel van de taal / talen die op hun diploma vermeld wordt / worden, als van de literatuur die in die taal / talen geschreven is.
9.      kunnen de historische evolutie van de bestudeerde literatuur / literaturen situeren in het kader van de westerse en niet-westerse literatuur.
10.  kunnen de literatuurstudie situeren ten opzichte van andere relevante wetenschaps- en kennisdomeinen, zoals filosofie, psychoanalyse, sociologie, geschiedenis, politicologie, enz., en kunnen deze verbanden aanwenden bij de interpretatie en analyse van literaire teksten.
11.  hebben een overzicht van de verschillende taalkundige theorieën en zijn op de hoogte van actuele evoluties in het domein van de taalkunde.
12.  kennen het gangbare taalkundige begrippenarsenaal en zijn in staat tot gerichte linguïstische analyse aan de hand van adequate en beredeneerde analysemethodes.
13.  zijn in staat om taalkundige inzichten op nieuw taalmateriaal toe te passen, en om kritisch om te gaan met de interpretatie van taalverschijnselen.
14.  hebben inzicht in de verbanden tussen de taalkunde en andere relevante wetenschaps- en kennisdomeinen zoals filosofie, psychologie, sociologie, artificiële intelligentie en computerwetenschap en kunnen deze verbanden aanwenden bij de analyse van taalfenomenen.
15.  kunnen wetenschappelijke problemen in hun veld identificeren, adequaat formuleren en oplossen, waarbij zij rekening houden met de actuele stand van het onderzoek over taal en/of literatuur.
16.  beschikken daartoe over voldoende inzicht in de gangbare en actuele redeneer- en onderzoeksmethodes binnen hun wetenschapsdomein.
17.  kunnen snel en efficiënt relevante informatie in hun discipline opzoeken, verwerken, interpreteren en kritisch evalueren.
18.  kunnen daarbij adequaat gebruik maken van bibliografieën, repertoria, databanken en andere heuristische hulpmiddelen in hun wetenschapsdomein.
19.  beschikken over een probleemoplossend vermogen, waarbij zij de omgang met de in 15-18 genoemde informatie en inzichten combineren met creatief denkvermogen.
20.  hebben een kritische attitude ontwikkeld t.o.v. de diverse theorieën en opvattingen binnen hun vakgebied.
21.  zijn in staat de maatschappelijke relevantie van taalkundig of literair onderzoek (of het object ervan) te evalueren en na te gaan of het voldoet aan de gangbare eisen van maatschappelijke, geesteswetenschappelijke en ethische aard.
22.  zijn alert voor nieuwe evoluties in het gebied van de Taal- en Letterkunde, maar ook in de verwante wetenschapsdomeinen en binnen de algemene maatschappe­lijke en historische context waarin Taal- en Letterkunde bestudeerd worden.
23.  kunnen teksten produceren van wetenschappelijke c.q. vulgariserende, journalistieke, publicitaire aard.
24.  beschikken over de vaardigheid mondeling verslag uit te brengen of te enquêteren over hun onderzoek of over andere informatie i.v.m. taal, literatuur of cultuur.
25.  beschikken over inzicht in en reflectievermogen over taal- en communicatievaardigheid in de taal/talen die op hun diploma vermeld wordt/worden en kunnen dit inzicht ook zelf overbrengen in formele en minder formele contexten.
26.  kunnen deelnemen aan het wetenschappelijke debat binnen hun disciplines
27.  kunnen deelnemen aan het bredere maatschappelijke debat over essentiële kwesties zoals levensbeschouwing, de relatie noord-zuid of de relaties tussen mens, natuur en maatschappij, en kunnen daarin een eigen beredeneerd standpunt innemen.
28.  zijn in staat om vervolgstudies aan te vatten, met name een Master in de Taal- en / of Letterkunde in de brede zin (dus ook in de taalkunde, de theater- en filmwetenschap, de literatuur van de moderniteit, de historische taal- en letterkunde, enz.), maar ook Masters in de bedrijfscommunicatie of opleidingen met didactische finaliteit.
29.  beschikken over de nodige flexibiliteit en de nodige vaardigheden i.v.m. het opzoeken, verwerken en voorstellen van informatie, om ook andere vervolma­kingsprogramma’s aan te vatten die hun positie op de arbeidsmarkt verstevigen.
30.  beschikken dan ook over een openheid voor andere talen en culturen, o.a. verkregen via internationale uitwisselingsprogramma’s (Erasmus, gastdocentschappen, enz.).
Academische taalbeheersing
Binnen de bacheloropleiding Taal- en Letterkunde worden de leerdoelen van de component “academische taalbeheersing” gekoppeld aan de niveaus van het Common European Framework of Reference for Languages (CEFR). De minimale streefuitstroomniveaus in de bacheloropleiding Taal- en Letterkunde zijn de volgende:

Streefuitstroomniveau Ba3

Duits

Engels

Frans

Italiaans

Nederlands

Spaans

Lezen

C1

C1

C1

B2

C2

B2-C1

Luisteren

C1

C1

C1

B2

C2

B2-C1

Spreken (productief + interactief)

B2-C1

C1

B2-C1

B2

C2

B2

Schrijven

B2-C1

C1

B2-C1

B2

C2

B2


De specifieke leerdoelen en competenties per taal worden in de taalspecifieke opleidingsonderdelen taalbeheersing verder uitgewerkt en verduidelijkt, en werden opgenomen in de cursusinformatie.
Toegang tot verdere studies
Een bachelor diploma geeft rechtstreeks toegang tot ten minste één masteropleiding.

Eindexamen
Het eindtotaal van een student is een gewogen gemiddelde van de examenresultaten die de student behaalde op alle opleidingsonderdelen van zijn/haar opleidingsprogramma. 

Voor het berekenen van het eindtotaal worden de studiepunten van de corresponderende opleidingsonderdelen gebruikt als gewichten van de examenresultaten.
 
Het eindtotaal wordt uitgedrukt in gehele punten op 100.

Een student die een eindtotaal van minder dan 50 op 100 heeft behaald, kan nooit geslaagd worden verklaard.

Een student is geslaagd voor het geheel van zijn/haar opleiding als hij/zij voor alle opleidingsonderdelen van zijn/haar opleidingsprogramma een creditbewijs heeft behaald.
 
De examencommissie kan een student die niet voor alle opleidingsonderdelen een creditbewijs heeft behaald geslaagd verklaren op grond van het feit dat ze gemotiveerd van oordeel is dat de doelstellingen van de opleiding globaal verwezenlijkt zijn.

Voor meer informatie zie het Onderwijs- en Examenreglement.
ECTS-coördinator
Prof. dr. P. Dendale, patrick.dendale@ua.ac.be 
Ms. L. Van Wallendael, linda.vanwallendael@ua.ac.be (admin)