Personen | Personen nieuwe site | Google | Route | Contact Login 
Opleidingsonderdelen 2011-2012  
    
Te behalen diploma
Om het diploma van master of Arts in de taal- en letterkunde te behalen moet de student
  • ingeschreven zijn voor deze opleiding onder een diplomacontract of examencontract met het oog op het behalen van een diploma
  • alle examens hebben afgelegd die horen bij zijn/haar opleidingsprogramma
  • zich voor dat opleidingsprogramma geregistreerd hebben bij de examencommissie
  • tenminste 60 studiepunten hebben verworven. 
De opleiding heeft een studieomvang 60 studiepunten.
Per academiejaar worden in een modeltraject tussen 54 en 66 studiepunten opgenomen.
Toelatingsvoorwaarden

Rechtstreeks: academische bachelor in de taal- en letterkunde
 
Mits voorbereidingsprogramma: andere academische bachelors.

Mits schakelprogramma: professionele bachelor in het onderwijs: secundair onderwijs - optie Engels, Frans of Nederlands; professionale bachelor in het office management


Doelstellingen - eindtermen
De Masteropleiding Taal- en Letterkunde bouwt verder op de basiscompetenties, -vaardigheden en -attitudes die studenten verworven hebben in de Bacheloropleiding Taal- en Letterkunde, en biedt verdiepend onderwijs aan dat zo nauw mogelijk aansluit bij actueel wetenschappelijk onderzoek.
 
Daarbij verwerven de studenten de volgende kerncompetenties in de master in de taal- en letterkunde: 

  • beschikken over de noodzakelijke vaardigheden om, in overeenstemming met de gangbare methodologische invalshoeken in hun vakgebied, in functie van een onderzoeksthema zelfstandig gegevens te verzamelen, te selecteren en te verwerken, en om documenten kritisch te interpreteren. 
  • zijn vertrouwd met de belangrijkste primaire en secundaire literatuur, de belangrijkste theorieën en de basisnoties van hun onderzoeksdomein, en kunnen op basis daarvan een eigen standpunt ontwikkelen.   
  • kunnen over de structuur en het gebruik van de door hen bestudeerde talen reflecteren en beschikken mede daardoor over de nodige talige en communicatieve vaardigheden om niet alleen mondeling en schriftelijk over hun onderzoek te rapporteren, maar ook efficiënt aan discussies met betrekking tot hun vakdomein deel te nemen en daarbij hun eigen positie te verdedigen. 
  • kunnen de maatschappelijke relevantie en het wetenschappelijk gehalte van hun onderzoek evalueren, en daartoe zelfstandig evoluties binnen hun wetenschapsdomein en de bredere culturele, politieke en maatschappelijke context ervan opvolgen en beoordelen. 
Om deze kerncompetenties te verwerven, volgen Masterstudenten een opleiding in één taal en de met haar geassocieerde literatuur, waarbij zij zelf hun wetenschappelijk traject uittekenen en kiezen voor een klemtoon op de studie van de taal- of letterkunde. De Masterproef vormt een belangrijke component van de opleiding, waarin de bovenvermelde competenties geïntegreerd toegepast worden. 
 
De bovenstaande kerncompetenties werden verder uitgewerkt in een lijst van zestien competenties die samen een geheel van vakkennis, vaardigheden en attitudes vertegenwoordigen.
 
Masters in de Taal- en Letterkunde      
  1. zijn in staat om zelfstandig vakwetenschappelijke literatuur te verzamelen en te selecteren, en ook om - in functie van onderzoek - gegevens te verzamelen, te selecteren en te verwerken (primaire literatuur, documenten, corpora, enquêtes, enz., al naargelang hun onderzoeksdomein). 
  2. zijn in staat teksten en andere documenten te situeren in hun context (historisch, ideologisch, stilistisch), het type tekst of document te herkennen, en op basis hiervan een persoonlijke interpretatie te ontwikkelen. 
  3. zijn vertrouwd met de gangbare en actuele methodologische invalshoeken binnen hun onderzoeksdomein en zijn in staat deze autonoom toe te passen. 
  4. beschikken over de nodige kennis i.v.m. de literatuur en de publicatiegewoontes van hun vakgebied (tijdschriften, websites en andere digitale middelen, ...). 
  5. zijn vertrouwd met de belangrijkste theorieën in het vakgebied, zowel actuele als minder actuele, kunnen de basisnoties van hun onderzoeksdomein vlot hanteren en een eigen standpunt ontwikkelen ten aanzien van de door hen bestudeerde domeinen. 
  6. zijn vertrouwd met de belangrijkste primaire literatuur binnen hun vakgebied (literaire teksten, teksten van linguïstische en andere auteurs). 
  7. zijn vertrouwd met de belangrijkste problemen binnen hun vakgebied. 
  8. kunnen het eigen vakgebied situeren t.o.v. andere wetenschapsdomeinen en actief op zoek gaan naar verbanden met deze domeinen. 
  9. beschikken over basisinzichten in de structuur en het functioneren van de taal waarin ze hun Masterproef schrijven en kunnen over de structuur en het gebruik van taal reflecteren. 
  10. hebben de linguïstische en communicatieve vaardigheden verworven om zowel mondeling als schriftelijk te kunnen rapporteren, met inbegrip van elektronische rapportage. 
  11. hebben de linguïstische en communicatieve vaardigheden verworven om argumentatieve teksten te schrijven, efficiënt aan discussies over hun vakdomein deel te nemen en daarbij hun eigen positie overtuigend te verdedigen. 
  12. hebben de linguïstische en communicatieve vaardigheden verworven om een wetenschappelijke probleemstelling zo scherp en zo precies mogelijk te formuleren als uitgangspunt van het eigen onderzoek. 
  13. hebben een behoorlijk analytisch-interpretatief vermogen ontwikkeld. 
  14. hebben een kritische ingesteldheid ten aanzien van het wetenschappelijke gehalte en de maatschappelijke relevantie van het eigen onderzoek. 
  15. zijn in staat nieuwe ontwikkelingen binnen hun onderzoeksdomein en de relevante wetenschappelijke en culturele context actief maar kritisch op te volgen. 
  16. beschikken over een kritische oriëntatie in de brede culturele, politieke en maatschappelijke context.

Academische taalbeheersing
Binnen de masteropleiding Taal- en Letterkunde wordt de evaluatie van de component “academische taalbeheersing” gekoppeld aan de niveaus van het Common European Framework of Reference for Languages (CEFR). De minimale streefuitstroomniveaus in de masteropleiding Taal- en Letterkunde zijn de volgende:

Streefuitstroomniveau Master

Duits

Engels

Frans

Italiaans

Nederlands

Spaans

Lezen

C2

C2

C2

C1

C2

C1-C2

Luisteren

C2

C2

C2

C1

C2

C1-C2

Spreken (productief + interactief)

C1-C2

C1-C2

C1-C2

C1

C2

C1

Schrijven

C1-C2

C1-C2

C1-C2

C1

C2

C1

 
De specifieke leerdoelen en competenties per taal worden in de taalspecifieke opleidingsonderdelen taalbeheersing verder uitgewerkt en verduidelijkt, en werden opgenomen in de vakbeschrijven en/of studiewijzers.
Toegang tot verdere studies
Een masterdiploma geeft toegang tot master-na-masteropleidingen, afhankelijk van de specifieke toelatingsvoorwaarden voor een bepaalde master-na-masteropleiding.

Eindexamen
Het eindtotaal van een student is een gewogen gemiddelde van de examenresultaten die de student behaalde op alle opleidingsonderdelen van zijn/haar opleidingsprogramma. 

Voor het berekenen van het eindtotaal worden de studiepunten van de corresponderende opleidingsonderdelen gebruikt als gewichten van de examenresultaten.
 
Het eindtotaal wordt uitgedrukt in gehele punten op 100.

Een student die een eindtotaal van minder dan 50 op 100 heeft behaald, kan nooit geslaagd worden verklaard.

Een student is geslaagd voor het geheel van zijn/haar opleiding als hij/zij voor alle opleidingsonderdelen van zijn/haar opleidingsprogramma een creditbewijs heeft behaald. 
  
Voor meer informatie zie het Onderwijs- en Examenreglement.
ECTS-coördinator

Prof. dr. P. Dendale, patrick.dendale@ua.ac.be

Ms. L. Van Wallendael, linda.vanwallendael@ua.ac.be (admin)