|
De opleiding voor de Master in de Taalkunde bouwt uiteraard voort op de competenties die studenten verworven hebben in de Bacheloropleiding Taal- en Letterkunde. Daarbij verwerven de studenten de volgende kerncompetenties:
1.
Zij zijn in staat om een wetenschappelijke probleemstelling scherp en precies te formuleren als uitgangspunt van het eigen onderzoek.
2.
Zij zijn vertrouwd met de belangrijkste taalkundige theorieën en modellen en kunnen de kernbegrippen van de taalkunde vlot en correct hanteren.
3.
Zij kunnen zelfstandig over taal reflecteren en hebben inzicht in de verscheidenheid en de evolutie van menselijke taal.
4.
Zij zijn in staat om vakwetenschappelijke literatuur en gegevens te verzamelen, te selecteren en te verwerken.
5.
Zij hebben de linguïstische en communicatieve vaardigheden verworven om op een adequate manier over hun onderzoek te rapporteren en kunnen efficiënt deelnemen aan discussies over hun vakdomein.
6.
Zij beschikken over de nodige achtergrondkennis om hun onderzoek te situeren binnen het eigen vakgebied en hebben een behoorlijk analytisch-interpretatief vermogen ontwikkeld, dat hen in staat stelt de originaliteit en de relevantie van hun onderzoek te beoordelen en de maatschappelijke relevantie ervan kritisch te evalueren. Daardoor kunnen zij ook nieuwe ontwikkelingen binnen hun onderzoeksdomein en binnen de relevante wetenschappelijke en culturele context actief maar kritisch opvolgen.
De bovenstaande kerncompetenties werden verder uitgewerkt in een lijst van zestien competenties die samen een geheel van vakkennis, vaardigheden en attitudes vertegenwoordigen.
Master in de Taalkunde:
1.
zijn vertrouwd met de gangbare en actuele methodologische invalshoeken binnen hun onderzoeksdomein en zijn in staat deze autonoom toe te passen.
2.
zijn vertrouwd met de belangrijkste primaire literatuur binnen hun vakgebied (boeken en artikels over taalkunde).
3.
zijn vertrouwd met de belangrijkste problemen binnen hun vakgebied.
4.
zijn vertrouwd met de belangrijkste theorieën in het vakgebied, zowel actuele als minder actuele, kunnen de basisnoties van hun onderzoeksdomein vlot hanteren en een eigen standpunt ontwikkelen ten aanzien van de door hen bestudeerde domeinen.
5.
beschikken over basisinzichten in de structuur en het functioneren van de taal waarin ze hun masterproef schrijven en kunnen over de structuur en het gebruik van taal reflecteren.
6.
hebben de linguïstische en communicatieve vaardigheden verworven om een wetenschappelijke probleemstelling zo scherp en zo precies mogelijk te formuleren als uitgangspunt van het eigen onderzoek.
7.
kunnen het eigen vakgebied situeren t.o.v. andere wetenschapsdomeinen en actief op zoek gaan naar verbanden met deze domeinen.
8.
beschikken over de nodige kennis i.v.m. de literatuur en de publicatiegewoontes van hun vakgebied (tijdschriften, websites en andere digitale middelen, ...).
9.
hebben een behoorlijk analytisch-interpretatief vermogen ontwikkeld.
10.
hebben een kritische ingesteldheid ten aanzien van het wetenschappelijke gehalte en de maatschappelijke relevantie van het eigen onderzoek.
11.
zijn in staat om nieuwe ontwikkelingen binnen hun onderzoeksdomein en de relevante wetenschappelijke en culturele context actief maar kritisch op te volgen.
12.
zijn in staat om zelfstandig vakwetenschappelijke literatuur te verzamelen en te selecteren, en ook om in functie van onderzoek gegevens te verzamelen, te selecteren en te verwerken (primaire literatuur, documenten, corpora, enquêtes, enz., al naargelang hun onderzoeksdomein).
13.
hebben de linguïstische en communicatieve vaardigheden verworven om argumentatieve teksten te schrijven, efficiënt aan discussies over hun vakdomein deel te nemen en daarbij hun eigen positie overtuigend te verdedigen.
14.
beschikken over een kritische oriëntatie in de brede culturele, politieke en maatschappelijke context.
15.
hebben de linguïstische en communicatieve vaardigheden verworven om zowel mondeling als
schriftelijk te kunnen rapporteren, met inbegrip van elektronische rapportage.
|