|
|
|
|
|
|
|
|
|
Om het diploma van master of Arts in de theaterwetenschappen te behalen moet de student
- ingeschreven zijn voor deze opleiding onder een diplomacontract of examencontract met het oog op het behalen van een diploma
- alle examens hebben afgelegd die horen bij zijn/haar opleidingsprogramma
- zich voor dat opleidingsprogramma geregistreerd hebben bij de examencommissie
- tenminste 60 studiepunten hebben verworven.
De opleiding heeft een studieomvang 60 studiepunten. Per academiejaar worden in een modeltraject tussen 54 en 66 studiepunten opgenomen.
|
|
|
|
|
Rechtstreeks mits een minimale voorkennis van 16 sp op het terrein van de theaterstudie, anders moet een VP (voorbereidingsprogramma) van minimaal 4 en maximaal 16 studiepunten gevolgd worden:
Diploma van master in de taal- en letterkunde, literatuur van de moderniteit, taalkunde, kunstwetenschappen, geschiedenis en wijsbegeerte
Met voorwaarden : met voorbereidingsprogramma: o.a. diploma van master in de rechten; internationale politiek; politieke communicatie; sociologie; sociaal-economische wetenschappen; communicatiewetenschappen; TEW: economisch beleid; TEW: bedrijfskunde; TEW: HI; TEW: HI in de beleidsinformatica, enz.
|
|
|
|
|
Algemene opleidingsdoelstellingen:
1. De student(e) bezit een gevorderde kennis van de hedendaagse internationale theaterstudie: hij/zij is vertrouwd met de diverse stromingen en heersende paradigma's in het onderzoek. 2. De student(e) heeft zich intensief verdiept in een deelgebied van de hedendaagse internationale theaterstudie en heeft bewezen zelfstandig onderzoek in dit gebied te kunnen uitvoeren. 3. De student(e) is in staat complexe theaterwetenschappelijke problemen te behandelen en de resultaten voor te leggen volgens de vereisten van de internationale wetenschappelijke gemeenschap, zowel in mondelinge presentaties als in publiceerbare wetenschappelijke bijdragen. 4. De student(e) is in staat de verworven inzichten en vaardigheden aan te wenden in een professionele context. De bovenstaande opleidingsdoelstellingen werden verder uitgewerkt in de volgende competenties die samen een geheel van vakkennis, vaardigheden en attitudes vertegenwoordigen. Afgestudeerden van de Manama Theaterwetenschappen 1. beschikken over grondige kennis van - en helder inzicht in - de belangrijkste theorieën binnen de theaterwetenschap, zowel actuele als minder actuele; 2. zijn vertrouwd met de belangrijkste primaire en secundaire literatuur met betrekking tot theaterwetenschap; de desbetreffende kennis van theaterteksten en –opvoeringen wordt, voortbouwend op de tijdens de bachelor- en masterstudies verworven expertise, verbreed en uitgediept teneinde eigen onderzoek mogelijk te maken; 3. zijn vertrouwd met de belangrijkste thans relevant geachte probleemstellingen binnen het gebied van de theaterwetenschap en kunnen deze benutten als uitgangspunt van eigen onderzoek; 4. hebben inzicht in de complexiteit en de diversiteit inzake theaterwetenschap en hebben het vermogen om dat inzicht bij de beoordeling van eigen en ander onderzoek toe te passen; 5. hebben inzicht in de interdisciplinaire dynamiek van podiumkunsten; 6. hebben inzicht in de historiografische vraagstukken die gepaard gaan met de studie van de theatergeschiedenis; 7. hebben inzicht in de evolutie van de dansgeschiedenis en van de recente geschiedenis van de podiumkunsten in Vlaanderen; 8. zijn vertrouwd met de praktijk van de podiumkunsten en met de processen die gepaard gaan met de voorbereiding en aanmaak van een theaterproductie; 9. kunnen efficiënt communiceren over de door hen verworven inzichten, zowel met specialisten als met het brede publiek; 10. zijn in staat om – in functie van hun onderzoek – zelfstandig gegevens te verzamelen, te selecteren en te verwerken (primaire literatuur, documenten, archiefmateriaal, enquêtes); 11. zijn in staat om zelfstandig vakwetenschappelijke literatuur te verzamelen en te selecteren; 12. beschikken over de nodige kennis met betrekking tot de literatuur en de publicatiegewoontes van hun vakgebied (tijdschriften, websites en andere digitale middelen, …); 13. kunnen in discussies met vakgenoten hun eigen inzichten en opinies verdedigen; 14. kunnen met een hoge mate van zelfstandigheid en op een theoretisch en methodologisch verantwoorde wijze onderzoek uitvoeren onder de leiding van een ervaren onderzoeker; 15. hebben een aanzienlijk analytisch-interpretatief vermogen ontwikkeld; 16. hebben een kritische instelling ten aanzien van het wetenschappelijk gehalte en de maatschappelijke relevantie van het eigen onderzoek; 17. beschikken over de nodige openheid en flexibiliteit om te functioneren in de internationale onderzoekscontext, waarmee zij o.a. via allerlei uitwisselingsprogramma’s in aanraking komen.
|
|
|
|
|
NA
|
|
|
|
|
Het eindtotaal van een student is een gewogen gemiddelde van de examenresultaten die de student behaalde op alle opleidingsonderdelen van zijn/haar opleidingsprogramma.
Voor het berekenen van het eindtotaal worden de studiepunten van de corresponderende opleidingsonderdelen gebruikt als gewichten van de examenresultaten. Het eindtotaal wordt uitgedrukt in gehele punten op 100.
Een student die een eindtotaal van minder dan 50 op 100 heeft behaald, kan nooit geslaagd worden verklaard.
Een student is geslaagd voor het geheel van zijn/haar opleiding als hij/zij voor alle opleidingsonderdelen van zijn/haar opleidingsprogramma een creditbewijs heeft behaald. Voor meer informatie zie het Onderwijs- en Examenreglement.
|
|
|
|
|
|
|
|