Start | Personen | Google | Route | Contact | AfdrukkenLogin 
Opleidingsonderdelen 2011-2012  
    
"In die stewels van die swanefluisteraar": Relasionaliteit en die Afrikaanse letterkunde
Studiegidsnr:1019FLWTLA
Vakgebied:Letterkunde
Semester:1e semester
Contacturen:30
Studiepunten:4
Studiebelasting:112
Contractrestrictie(s):Geen contractrestrictie
Instructietaal:Afrikaans
Examen:1e semester
Lesgever(s)Phil van Schalkwyk

 

Deze cursusinformatie is bedoeld om de student te ondersteunen bij het verwerken van de leerstof


1. Aanvangscompetenties

Bij aanvang van dit opleidingsonderdeel dient de student over de volgende competenties te beschikken:
Actieve beheersing van :
Een basiskennis van literatuur en analytische vaardigheden zijn een vereiste – kennis van de Afrikaanse literatuur is dit niet. Wat theorie betreft, wordt ervan uitgegaan dat het domein van de vergelijkende literatuurstudie de student niet vreemd is. Een gespecialiseerde kennis hiervan is echter niet nodig. Andere relevante theoretische perspectieven worden opgenomen in de cursus waar dit nodig blijkt. Speciale aandacht gaat naar relationaliteit (textueel, interpersoonlijk) met specifieke verwijzing naar Kaja Silvermans Flesh of my Flesh (2009).

Er wordt geen voorkennis van de Afrikaanse taal verwacht. De belangrijkste verschillen tussen het Nederlands en het Afrikaans worden bij het begin van de cursus aangeduid. Er wordt verwacht dat de student in de loop van de cursus Afrikaanse teksten leert lezen. De docent schenkt specifieke aandacht aan mogelijke problemen bij het begrijpen van tekst en theorie en het niveau van de cursus wordt daaraan aangepast.
  • Een algemene kennis van het gebruik van een PC en het internet

2. Eindcompetenties

Aan het einde van de cursus zal de student kennis en inzicht verworven hebben in de aard en geschiedenis van de Afrikaanse literatuur vanaf het begin van de 20ste eeuw. De student heeft kennis gemaakt met het concept relationaliteit en de manieren waarop relationaliteit gestalte krijgt in de Afrikaanse literatuur. De student zal kennis gemaakt hebben met enkele van de belangrijkste Afrikaanse schrijvers op basis van geselecteerde gedichten, kortverhalen en fragmenten uit romans en toneelstukken. Deze kennis wordt gekoppeld aan de Zuid-Afrikaanse geschiedenis en de Zuid-Afrikaanse literatuur in het algemeen. Ook maakt de student kennis met het verband tussen Afrikaanse en Nederlandse literatuur.


3. Inhoud

Met het oog op de inleidende aard van deze cursus zal de meeste aandacht gaan naar kortere teksten, meer bepaald naar poëzie. Waar relevant worden fragmenten van langere teksten in de colleges besproken, met uitvoerige verduidelijking door de docent. Studenten lezen enkel één langere tekst, in Nederlandse vertaling (zie 6).

Deze cursus is een inleiding in een literatuur verwant aan het Nederlands in termen van taal en dus komt het (theoretische) concept relationaliteit vanzelf aan de orde. Relationaliteit is een groeiend interessegebied in de geesteswetenschappen (zie het boek van Kaja Silverman Flesh of my Flesh en het artikel van Lamont en Molnár (2002:167-195) ‘The study of boundaries in the social sciences’ in Annual Review of Sociology, 28(1)).

Centraal in deze cursus staat de Afrikaanse literatuur en haar unieke relatie met de Nederlandse literatuur. Deze relatie komt voort uit het historisch verband tussen Nederland en Zuid-Afrika, tussen het Nederlands en Afrikaans. De (post-)koloniale relatie tussen Nederland en Zuid-Afrika wordt om deze reden kort behandeld, net zoals de (post-)koloniale relatie met ondermeer het Zuid-Afrikaanse landschap.

Relationaliteit is een breed concept dat textuele en estethische relaties omvat, met inbegrip van vertalingskwesties[1] maar ook het ruimtelijke, het interpersoonlijke en het lichamelijke. Het schenkt verscheidene mogelijkheden, niet enkel voor (post-)koloniale studies, maar ook voor bijvoorbeeld genderperspectieven. Gezien de geschiedenis van het land roept de naam Zuid-Afrika het probleem van relationaliteit op. Apartheid had een onmiskenbare invloed op het relationele, en het literaire engagement hiertegen had op zich nog andere implicaties voor het relationele. Uitgaand van Jan Rabies kortverhaal ‘Droogte’ wordt het engagement van de ‘zestigers’ verkend met verwijzingen naar Adam Small, André Brink en Breyten Breytenbach. Van Breytenbach wordt zijn gedicht uit 1970 ‘Bruin reisbrief’ besproken en op basis hiervan worden bepaalde (intertextuele) lijnen getrokken terug naar Van Wyk Louws bundel Tristia (het hoogtepunt van zijn oeuvre en een mijlpaal in de Afrikaanse poëzie) en A.G. Visser (vroege 20ste eeuw) en verder naar Antjie Krogs Lady Anne (1989) en ’n Ander tongval (2005).

In deze cursus is het relationele een centraal begrip met specifieke aandacht voor het werk van Elisabeth Eybers (1915-2007), de Afrikaanse dichteres die van 1961 tot aan haar dood in Amsterdam woonde en die in 1991 de P.C. Hooftprijs ontving voor haar werk (in het Afrikaans!). Ena Jansens studie over Eybers in Amsterdam, met de erg gepaste (aan Eybers ontleende) titel Afstand en verbintenis, zal dienen als toetssteen. De relatie met Nederland is niet de enige die Eybers verkent in haar werk: er is ondermeer ook haar relatie met zichzelf, met poëzie, met haar ouders, met haar kinderen en, meer in het algemeen, met ‘het kind’.

Verdere aandacht in de cursus gaat naar Marlene van Niekerks Die sneeuslaper waarin niet enkel fascinerende textuele verbanden (bv. in termen van genre) verkend worden maar waarin ook plaats is voor reflectie over de relatie met schrijven en auteurschap, en de relatie tussen schrijven en ‘waarheid’. Vriendschap op zich is nadrukkelijk aanwezig, net zoals andere relaties, bv. tussen student en docent. In termen van ruimte zijn zowel Nederland als Zuid-Afrika opgenomen in dit boek. Ook in Van Niekerks voorgaande werk Memorandum (2006) wordt het relationele verkend, zelfs op een onvergetelijke manier in de roman Agaat (2004) waarin we getuige zijn van een complexe ommekeer in de verhouding tussen Milla, die stervende is, en haar dienster Agaat. Naar deze romans wordt enkel verwezen, ze zijn geen verplichte literatuur. Studenten lezen de in het Nederlands vertaalde tekst, De sneeuwslaper, waarbij er ook aandacht kan gaan naar ‘vertaling’ op zich.

Het is duidelijk dat de klemtoon op het relationele de kapstok is van deze cursus. Enkel al door te kijken naar bepaalde persoonlijke relaties in de Afrikaanse literatuur worden specifieke periodes en problematische kwesties sterk belicht. Neem bv. de broers W.E.G. Louw en N.P. van Wyk Louw die in de jaren 1930 de drijvende kracht vormden in de vernieuwing van de Afrikaanse literatuur. Het relationele komt erg naar voren in hun correspondentie die slechts onlangs werd gepubliceerd met als titel Ek ken jou goed genoeg (J.C. Kannemeyer et al. (eds.)). Er was ook de relatie tussen N.P. van Wyk Louw en Sheila Cussons (die ze in hun poëzie vergeleken met de relatie tussen Abélard en Héloïse), de vriendschap tussen Peter Blum en Ina Rousseau, en de stormachtige liefdesaffaire tussen Andre Brink en Ingrid Jonker (een geliefde dichteres die overleed op vrij jonge leeftijd), en, enkele decennia later, tussen de auteur Koos Prinsloo en de protestzanger Johannes Kerkorrel. Professionele en persoonlijke betrekkingen tussen Afrikaanse en Nederlandse auteurs komen ook voor, zo vroeg als bv. tussen Jan Greshoff en Van Wyk Louw.

Sinds de democratisering van Zuid-Afrika is de interactie en samenwerking tussen Zuid-Afrika en het Nederlandse taalgebied toegenomen en uitgebreid, ook voor wat betreft onderzoek en gezamelijke onderzoeksprojecten. Tijdens de conferentie van de Nederlandse Taalunie eind 2010 tekende de Zuid-Afrikaanse regering een intentieverklaring met betrekking tot nauwere samenwerking met de Nederlandse Taalunie.

Naast persoonlijke relaties zijn er ook verschillende voorbeelden van literaire verbanden en verwantschappen tussen Afrikaanse en Nederlandstalige auteurs. Dit gaat terug tot bv. C.M. van den Heever die in zijn romans Stijn Streuvels overbracht naar een Zuid-Afrikaanse context, en Elisabeth Eybers en Vasalis die zekere gelijkenissen vertonen.

De verkenning van het relationele leidt echter ook tot de vraag: Waarin ligt dan het unieke van Afrikaanse literatuur – wat onderscheidt deze literatuur van haar voorouders en vrienden in het noorden?

In haar (relatief korte) geschiedenis heeft de Afrikaanse literatuur vaak leentjebuur gespeeld, niet enkel bij het Nederlandse maar ook bij andere literaire systemen, in sommige gevallen met uitstekende resultaten, wat fascinerend materiaal biedt voor vergelijkend onderzoek. De grote vernieuwing van de jaren ’50 en ’60 in de Afrikaanse literatuur (voornamelijk in het proza), ging hand in hand met een sterk proces van internationalisering en een wending naar cosmopolitisme. Doelbewust lieten Afrikaanse auteurs de traditie van het lokale realisme, dat de periode voor 1950 kenmerkte, achter zich. De vernieuwing in de poëzie van de jaren 1930 vertoonde een gelijkaardige uitbreiding. Maar heeft de Afrikaanse literatuur intrinsieke eigenschappen die haar onderscheiden van andere literaturen?

In een poging om antwoorden te vinden op deze vraag, en om de student in het midden van de Afrikaanse literatuurgeschiedenis te plaatsen, wordt een overzicht gegeven van enkele toonaangevende teksten van de jaren ’50 door schrijvers als Peter Blum, een buitenbeentje en overgangsfiguur die in zijn poëzie de verbintenis tussen Afrika en Europa op baanbrekende wijze verkent, en Jan Rabie die in zijn bundel kortverhalen, Een-en-twintig, kijkt naar het volwassen worden van de Afrikaanse literatuur maar ook naar zijn verblijf in Parijs. Dit decennium wordt algemeen gezien als inleiding op de revolutionaire jaren ’60. Vanuit dit ‘tussentijdperk’ maken we excursies over de grenzen van genres heen, terug in de tijd en voorwaarts in de tijd (tot vandaag), in een poging om centrale trends, ontwikkelingen, oorsprongen, interteksten, motieven, correlaties, enz. te identificeren. (In 1995 keek een ander figuur uit de jaren ’50, Ina Rousseau, de tweede oudste Afrikaanse dichteres, terug op de rol van Peter Blum als ‘bode’ in haar cyclus Steppewolf in haar bundel ’n Onbekende jaartal.)

Speciale aandacht gaat uit naar N.P. van Wyk Louw (vooraanstaande figuur in de jaren ’30) en zijn latere bundel Nuwe verse (1954), en dan voornamelijk het deel Klipwerk waarin hij, intrigerend genoeg, de oude Afrikaanse volkstraditie toepast, meer bepaald het ‘volkskwatrijn’. In deze reeks gedichten, opgevat tijdens Van Wyk Louws jaren als professor in Amsterdam, keert de meester van de vernieuwing terug naar de landelijke omgeving en het idioom van zijn jeugd. Typisch is het feit dat aan het einde van de jaren ’50 I.W. van der Merwe (Boerneef) net binnen dit volkse idioom zijn stem als dichter vond.

Van Wyk Louw was in die periode een van de eerste Zuid-Afrikaanse uitwijkelingen. In de afgelopen twee decennia heeft een steeds groter wordende groep Zuid-Afrikanen in het buitenland gewoond en gewerkt, en hiermee groeide de uitwijkelingenliteratuur. In deze cursus wordt er specifiek verwezen naar As almal ver is: Suid-Afrikaners skryf huis toe (Als iedereen ver weg is: Zuid-Afrikanen schrijven naar huis), samengesteld door Danie Marais (2009). De poëzie van Danie Marais wordt in dit opzicht ook besproken.

De klemtoon op de Afrikaanse literatuur wordt voortdurend aangevuld met enerzijds belangrijke en relevante Zuid-Afrikaanse geschiedenis en anderzijds met cruciale momenten in de bredere Zuid-Afrikaanse (Engelse) literatuur. Bovendien krijgen studenten een inleiding in het werk van belangrijke Afrikaanse (en Zuid-Afrikaanse) literaire academici.


[1] ‘Vertaling’ wordt hier in een bredere zin gezien dan enkel de linguistische.



4. Werkvormen
Contactmomenten:
  • Hoorcolleges
  • Werkcolleges



  • 5. Evaluatievormen

    Schriftelijk werkstuk:
  • zonder mondelinge toelichting


  • 6. Studiemateriaal

    6.1 Noodzakelijk studiemateriaal

    Cruciale bronnen zoals literatuurgeschiedenissen en auteurprofielen zijn aanwezig in de bibliotheek. Ander materiaal zal elektronisch beschikbaar gemaakt worden.
    Studenten moeten slechts één boek lenen/aankopen, namelijk de Nederlandse vertaling van Marlene van Niekerks Die sneeuslaper.
     
    Van Niekerk, Marlene. De sneeuwslaper. Querido.

    6.2 Facultatief studiemateriaal

    Het volgende studiemateriaal kan vrijblijvend bestudeerd worden.



    7. Contactgegevens en begeleiding

    Na afspraak met de docent.
    (+)laatste aanpassing: 16/05/2011 14:18 myriam.demeulenaere  

     
    Inhoudsverantwoordelijke(n) : Facultaire administratie