| Studiegidsnr: | 1007FLWTLA | | Vakgebied: | Letterkunde | | Semester: | 2e semester
| | Contacturen: | 30 | | Studiepunten: | 4 | | Studiebelasting: | 112 | | Contractrestrictie(s): | Geen contractrestrictie
| | Instructietaal: | Nederlands
| | Examen: | 2e semester
| | Lesgever(s) | Kevin Absillis
|
Deze cursusinformatie is bedoeld om de student te ondersteunen bij het verwerken van de leerstof 1. Aanvangscompetenties
Bij aanvang van dit opleidingsonderdeel dient de student over de volgende competenties te beschikken: Specifieke aanvangscompetenties voor dit opleidingonderdeel: De student moet grondig zijn ingevoerd in de westerse wijsbegeerte en tevens kritisch inzicht hebben verworven in het concept 'literair genre'. Enige belezenheid in ook de oudere westerse literatuur strekt voorts tot aanbeveling.
2. Eindcompetenties
Een aangescherpt kritisch inzicht in de ontwikkelingen, c.q. verschuivingen in het westerse denken over aard en functie van literatuur; een aangescherpt kritisch inzicht in het verband tussen historisch fluctuerende opvattingen over aard en functie van literatuur en de tijdelijke dominantie van retorische procédés; een aangescherpt kritisch inzicht in de historische betekenis van een reeks 'klassieke' werken uit de westerse letterkunde; het ter discussie kunnen stellen van een reeks postmoderne legitimeringsproblemen.
3. Inhoud
In een drietal inleidende colleges wordt het begrip poëtica toegelicht en worden de theoretische problemen met betrekking tot het construeren van een poëticageschiedenis geschetst. Daarbij staan we uitvoerig stil bij de zogenaamde verzelfstandiging van het literaire veld in de westerse literatuur en de geboorte van de moderne, naar verluidt autonome schrijver in de moderniteit. Tegen die achtergrond wordt de maatschappelijke legitimatie van literatuur sinds de 17de eeuw ter discussie gesteld. De introductie mondt uit in een korte bespreking van Don De Lillo's roman Mao II (1991) in het licht van de problematische legitimering van literatuur als een autonoom esthetisch object. Vanuit dat perspectief wordt vervolgens in een vijftal hoorcolleges en vier responsiecolleges gereconstrueerd
hoe i./ er in het Westen sinds Plato en Aristoteles is gedacht over aard en functie van literatuur, alsook over de retorische procédés die vanuit een specifieke literatuuropvatting het meest geschikt bevonden werden om effect te sorteren, en ii./ hoe die 'grote traditie' in de loop van de negentiende eeuw op losse schroeven is komen te staan. Daarbij wordt uitgegaan van een aan Jacques Derrida's grammatologie ontleend representatiemodel.
4. Werkvormen Contactmomenten: Hoorcolleges Begeleide zelfstudie (eventueel met responsiecolleges)
5. Evaluatievormen
Examen: Mondeling met schriftelijke voorbereiding Schriftelijk werkstuk: met mondelinge toelichting
6. Studiemateriaal
6.1 Noodzakelijk studiemateriaal
Ter voorbereiding van het derde college dienen de studenten op voorhand grondig te lezen: J. Derrida, 'La structure, le signe et le jeu dans le discours des sciences humaines.' In: J. Derrida, L'écriture et la différence, Seuil, Paris. Na het introductiecollege krijgen de studenten deze tekst in het Frans en in Engelse vertaling mee.
Het overige studiemateriaal wordt ter voorbereiding van de responsiecolleges in afleveringen ter beschikking gesteld via Blackboard.
INHOUDSOPGAVE INFORMATIEMAPJES
0.A. Jacques Derrida: de westerse traditie en het schrift
0.B. Claude Lévi-Strauss: etnografie en romantiek
0.C. De archaïsch-primitieve cultuur...
0.D. ...en hoe de mens zich eruit los heeft gescheurd
0.D.1. irrigatiesystemen
0.D.2. de stad en het primitieve koningschap
0.D.3. het schrift
0.D.3.a. de uitvinding van het schrift
0.D.3.b. de literaire functie van het (geschreven) woord
I. De oudheid
I.A. Proloog -- van Homeros tot Aristofanes
I.A.1. Het epos
I.A.1.a. Wie was Homeros? In wat voor tijd leefde hij?
I.A.1.b. Een eerste genre, een eerste poëtica
I.A.2. De lyriek
I.A.2.a. De monodische lyriek
I.A.2.a.i. Iambische lyriek
I.A.2.a.ii. De elegie
I.A.2.a.iii. Sappho's eigenvermaat
I.A.2.b. Een complexe vorm van koorlyriek: de Pindarische ode
I.A.3. De presocratici
I.A.3.a. Het verlangen naar een vaste zijnsgrond
I.A.3.a.i. De Ionische natuurfilosofen
I.A.3.a.ii. De Eleaten
I.A.3.b. Herakleitus
I.A.4. De sofisten en de radicale democratie in Athene
I.A.4.a. De sofistische pragmatiek
I.A.4.a.i. Het postsocratische imago van de sofistiek
I.A.4.a.ii. Rondtrekkende leraars in de redekunst
I.A.4.a.iii. Redekunst en pragmatiek
I.A.4.b. Sofistische politiek: de Atheense democratie
I.A.5. Het drama in de vijfde eeuw voor Christus
I.A.5.a. De structurele ontwikkeling van de tragedie
I.A.5.a.i. Van dithyrambe naar 'klassieke' tragedie
I.A.5.a.ii. De stadstaat stelt zichzelf ter discussie
I.A.5.a.iii. Sofokles' Antigone: 'nomoi' vs. 'fysis'
I.A.5.a.iv. Een politieke crisis
I.A.5.b. De structurele ontwikkeling van de komedie
I.A.5.b.i. Van Dionysisch ritueel tot politiek-maatschappelijke satire
I.A.5.b.ii. Aristofanes' Wolken: lachen met Socrates
I.B. De vaders van de westerse traditie
I.B.1. Socrates & Plato, vader(s) van het westerse waarheidsdenken
I.B.1.a. Plato's Socrates
I.B.1.b. De Platoonse dialoog
I.B.1.c. De politieke crisis
I.B.1.d. Plato's literatuuropvatting
I.B.1.d.i. Een anti-esthetische theorie
I.B.1.d.ii. Literatuur en de Staat
I.B.2. Aristoteles, vader van de westerse literatuurwetenschap
I.B.2.a. Van 'idee' naar 'essentie'
I.B.2.b. Aristoteles' literatuuropvatting
I.B.3. De Latijnse letterkunde
I.B.3.a. van Plautus via Cicero tot Horatius
I.B.3.a.i. Rome en de Latijnse letterkunde vóór keizer Augustus
I.B.3.a.ii. Literatuur als intelligent vermaak
I.B.3.a.iii. Horatius, Ars poetica
I.B.3.a.iv. Het geval-Ovidius
I.B.3.b. De Zilveren Latiniteit
I.B.3.b.i. Martialis
I.B.3.b.ii. Iuvenalis
I.B.3.b.iii. Petronius
I.B.3.b.iv. Seneca
I.B.4. De post-Aristotelische filosofie
I.B.4.a. Praktische levensleren
I.B.4.b. Het neo-platonisme
II. De literatuur van de Middeleeuwen
II.A. God, de kerk en de gevestigde macht in Rome
II.A.1. Romeinse keizers en christenen
II.A.2. De kerkvaders
II.A.2.a. Ambrosius
II.A.2.b. Prudentius
II.B. Van mimesis naar allegoresis
II.B.1. De erfenis van Origenes: een christelijk neo-platonisme
II.B.2. Augustinus en Hieronymus
II.B.2.a. Literatuur en retoriek volgens Augustinus
II.B.2.a.i. Confessiones
II.B.2.a.ii. De doctrina christiana
II.B.2.b. Literatuur en retoriek volgens Hieronymus
II.B.3. Van de val van Rome tot het jaar 1000
II.B.3.a. Een literatuur achter kloostermuren
II.B.3.b. Een culturele revolutie: Karel de Grote en daarna
II.B.3.b.i. Het christelijk-feodale systeem
II.B.3.b.ii. Politieke verbrokkeling vs. culturele eenheid en bloei
II.C. Een alomvattende esthetische ideologie
II.C.1. Symbolisch-allegorisch lezen
II.C.1.a. 'God' spreekt op diverse betekenisniveaus
II.C.1.b. Ook in seculiere teksten spreekt 'God'
II.C.1.c. De wereld is één tekst
II.C.1.c.i. De wonderbaarlijke reis van Jan van Mandeville, wetenschapper
II.C.1.c.ii. Het Boek der Natuur
II.C.2. Symbolisch-allegorisch schrijven
II.C.2.a. Ridderepiek
II.C.2.a.i. De voorhoofse ridderroman
II.C.2.a.ii. De hoofse ridderroman
II.C.2.b. Didactisch-wetenschappelijke literatuur
II.C.2.b.i. Bestiaires
II.C.2.b.ii. Herbaria, lapidaria etc.
II.C.2.c. De hoofse liefdeslyriek
II.C.2.d. Het middeleeuws drama
II.D. Ontidealiserende literatuur in de christelijke middeleeuwen
II.D.1. Het profane drama in de vijftiende eeuw
II.D.1.a. Farce
II.D.1.b. Sotternie
II.D.2. Een tegendraadse epiek
II.D.2.a. De boerde of fabliau
II.D.2.b. Voor de goede verstaander: het dierepos
II.E. Le roman de la Rose
II.E.1. De eerste Roman van de Roos
II.E.2. De tweede Roman van de Roos
II.E.3. Een gevoel van gespletenheid: vroeg-kapitalistische 'woeker'
II.F. Dante en de corruptie van het christelijk-feodale systeem
II.F.1. Dantes Vita nuova
II.F.2. De Divina Commedia
II.F.2.a. Nader tot U, o God! (Met dank aan Beatrice)
II.F.2.a.i. De symbolisch-allegorische structuur van de tekst
II.F.2.a.ii. De christelijke recyclage van heidense literatuur
II.F.2.b. Een dubbel gecodeerde tekst: de Commedia als aanklacht
III. Van Renaissance tot moderniteit
III.A. Renaissance
III.A.1. Nieuwe literaire vormen
III.A.1.a. Boccaccio en de raamvertelling
III.A.1.b. Petrarca en het sonnet
III.A.1.b.i. Ontallegorisering en remythologisering
III.A.1.b.ii. Giacomo da Lentini, de 'uitvinder' van het sonnet
III.A.2. Aristoteles herontdekt, verklaard en verbeterd
III.A.2.a. Drie gevallen
III.A.2.a.i. L'Orlando furioso
III.A.2.a.ii. Gerusalemme liberata
III.A.2.a.iii. Il pastor fido
III.A.2.b. Rinascimento -- geen terugkeer naar de oudheid
III.A.2.b.i. Aristoteles vertaalde, verklaard en verbeterd
III.A.2.b.ii. Een esthetica van de identiteit/oppositie
III.A.3. Virtù -- een nieuwe mentaliteit
III.A.3.a. Kennis en macht
III.A.3.a.i. Filosofie in de Renaissance
III.A.3.a.ii. Virtù in de alledaagse praktijk
III.A.3.a.iii. De cultus van het Boek
III.A.3.a.iv. Il principe: politiek overleven in de renaissance
III.A.3.b. Een wankele cultuur
III.A.3.b.i. Pausen, koningen en keizers
III.A.3.b.ii. Reformatie
III.A.3.c. De Renaissance buiten Italië: schone schijn?
III.A.3.c.i. De Grands Rhétoriqueurs
III.A.3.c.ii. Rabelais
III.A.3.c.iii. De Pléiade
III.A.3.c.iv. Renaissance hofcultuur: Frans I
III.A.3.d. De kapotte droom van Karel V
III.B. Barok
III.B.1. De barokkunst als instrument van de contrareformatie
III.B.1.a. Contrareformatie en artistieke (zelf)censuur
III.B.1.b. Een centrifugale, tegelijk 'overladen' en 'lege' kunst
III.B.2. Een 'barokke' crisisliteratuur
III.B.2.a. Een barokke 'anti-lyriek': Góngora
III.B.2.b. Epische anti-vormen
III.B.2.b.i. Het komische heldendicht
III.B.2.b.ii. De picareske roman
III.B.2.b.iii. Don Quichotte
III.B.2.c. Bloederige farcen
III.B.2.c.i. 'A time out of joint'
III.B.2.c.ii. Tragische illusies
III.B.2.c.iii. Een komische illusie
III.C. Classicisme
III.C. 1. Een cultuur van regeldwang en categoriseringsdrift
III.C. 1.a. Het vorstelijk absolutisme
III.C. 1.a.i. Een pyramidaal gestructureerde maatschappij
III.C. 1.a.ii. Staatskapitalisme
III.C. 1.b. Sociale disciplinering, godsdienst en literatuur
III.C.2. De classicistische poëtica
III.C.2.a. Vraisemblance
III.C.2.b. Een perverse vorm van idealisering
III.C.3. De filosofie van het classicisme
III.C.3.a. Descartes en het classicisme
III.C.3.a.i. Een eerste filosofie van het soevereine subject
III.C.3.a.ii. Het 'cogito' en 'de menselijke natuur'
III.C.3.b. L'art poétique
III.C.3.b.i. 'Le bon goût'
III.C.3.b.ii. De roman: een parvenu-genre
III.D. Verlichting
III.D.1. Van passivisme naar activisme
III.D.1.a. Het scepticisme als wegbereider van de Verlichting
III.D.1.a.i. John Locke
III.D.1.a.ii. Berkeley
III.D.1.a.iii. David Hume
III.D.1.b. Het geloof in de verlichte rede
III.D.2. Verlichte rede en literatuur
III.D.2.a. De formeel-realistische roman
III.D.2.a.i. Een onzuiver 'genre'
III.D.2.a.ii. Een dynamisch, autokritisch 'genre'
III.D.2.b. Het burgerlijk drama
III.D.2.b.i. Anti-classicisme
III.D.2.b.ii. 'Gevoel' en 'rede' in Minna van Barnhelm
III.E. Romantiek
III.E.1. De vroege romantiek
III.E.1.a. Twee filosofische wegbereiders
III.E.1.a.i. Rousseaus filosofie van de interioriteit
III.E.1.a.ii. Kant en de esthetische 'weg terug'
III.E.1.b. Herder en de romantische esthetische ideologie
III.E.2. De grote romantiek
III.E.2.a. De triomf van zijne majesteit het Ik
III.E.2.a.i. Het absoluut-soevereine subject als schepper
III.E.2.a.ii. De titanische mens 'verlost' zichzelf
III.E.2.b. Het autonoom scheppende subject in/en de literatuur
III.E.2.b.i. De romantische mythe van het totaalwerk
III.E.2.b.ii. Romantische metaforen
III.E.2.c. De onmogelijkheid van de romantiek
III.E.2.c. [Paul de Man]
III.E.2.c. [De Gothische verbeelding]
III.E.3. Epiloog -- Postromantiek en moderniteit
6.2 Facultatief studiemateriaal
Het volgende studiemateriaal kan vrijblijvend bestudeerd worden.
M.A. Abrams, 'Theories of Poetry.' In: Princeton Encyclopedia of Poetry And Poetics, Princeton UP, Princeton, 1974, p.639-649.
J. den Boeft, F. Brandsma & T. Hoendelaars [eds.], Denken over dichten: dertig eeuwen poëticale reflectie, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994.
P. Bourdieu, Les règles de l'art, Seuil, Paris, 1998.
J. Derrida, De la grammatologie, Minuit, Paris, 1967.
D. DeLillo, Mao II, Viking Penguin, New York, 1991.
L. Dolezel,
Occidental Poetics: Tradition and Progress
, 1990.
G.J. Dorleijn & K. van Rees [eds.], De productie van literatuur. Het literaire veld in Nederland 1800-2000, Vantilt, Nijmegen, 2006.
D. Duff [ed.], Modern Genre Theory, Longman, Harlow, 2000.
W. Harmon [ed.], Classic Writings on Poetry, Columbia UP, New York - Chichester, 2003.
G.M. Ledbetter , Poetics before Plato: Interpretation and Authority in Early Greek Theories of Poetry, V.B. Leitch [ed.], The Norton Anthology Of Theory And Criticism, W.W. Norton & Co, xxx, 2001.
G.S. Morson, 'Contingency and Poetics.' In: Philosophy and Literature, XXII (1998), 2, p.286-308.
S.J. Schmidt, Die Selbstorganisation des Sozialsystems Literatur im 18. Jahrhundert, Suhrkamp, Frankfurt am Main, 1989.
7. Contactgegevens en begeleiding
Kris Humbeeck
bezoekadres: Lange Winkelstraat 40 (vlakbij Ossenmarkt), 1ste verdieping, L.P. Boon-documentatiecentrum
telefoon: 0032-3-2655224
e-mail:
kris.humbeeck@ua.ac.be
(+)laatste aanpassing: 07/11/2009 16:44 kris.humbeeck
|