Personen | Personen nieuwe site | Google | Route | Contact Login 
Opleidingsonderdelen 2011-2012  
    
Literatuuropvattingen en filosofie
Studiegidsnr:1007FLWTLA
Vakgebied:Letterkunde
Semester:2e semester
Contacturen:30
Studiepunten:4
Studiebelasting:112
Contractrestrictie(s):Geen contractrestrictie
Instructietaal:Nederlands
Examen:2e semester
Lesgever(s)Kevin Absillis

 

Deze cursusinformatie is bedoeld om de student te ondersteunen bij het verwerken van de leerstof


1. Aanvangscompetenties

Bij aanvang van dit opleidingsonderdeel dient de student over de volgende competenties te beschikken:
Specifieke aanvangscompetenties voor dit opleidingonderdeel:
De student moet grondig zijn ingevoerd in de westerse wijsbegeerte en tevens kritisch inzicht hebben verworven in het concept 'literair genre'. Enige belezenheid in ook de oudere westerse literatuur strekt voorts tot aanbeveling.


2. Eindcompetenties

Een aangescherpt kritisch inzicht in de ontwikkelingen, c.q. verschuivingen in het westerse denken over aard en functie van literatuur; een aangescherpt kritisch inzicht in het verband tussen historisch fluctuerende opvattingen over aard en functie van literatuur en de tijdelijke dominantie van retorische procédés; een aangescherpt kritisch inzicht in de historische betekenis van een reeks 'klassieke' werken uit de westerse letterkunde; het ter discussie kunnen stellen van een reeks postmoderne legitimeringsproblemen.


3. Inhoud

In een drietal inleidende colleges wordt het begrip poëtica toegelicht en worden de theoretische problemen met betrekking tot het construeren van een poëticageschiedenis geschetst. Daarbij staan we uitvoerig stil bij de zogenaamde verzelfstandiging van het literaire veld in de westerse literatuur en de geboorte van de moderne, naar verluidt autonome schrijver in de moderniteit. Tegen die achtergrond wordt de maatschappelijke legitimatie van literatuur sinds de 17de eeuw ter discussie gesteld. De introductie mondt uit in een korte bespreking van Don De Lillo's roman Mao II (1991) in het licht van de problematische legitimering van literatuur als een autonoom esthetisch object. Vanuit dat perspectief wordt vervolgens in een vijftal hoorcolleges en vier responsiecolleges gereconstrueerd hoe i./ er in het Westen sinds Plato en Aristoteles is gedacht over aard en functie van literatuur, alsook over de retorische procédés die vanuit een specifieke literatuuropvatting het meest geschikt bevonden werden om effect te sorteren, en ii./ hoe die 'grote traditie' in de loop van de negentiende eeuw op losse schroeven is komen te staan. Daarbij wordt uitgegaan van een aan Jacques Derrida's grammatologie ontleend representatiemodel.




4. Werkvormen
Contactmomenten:
  • Hoorcolleges

  • Begeleide zelfstudie (eventueel met responsiecolleges)


    5. Evaluatievormen

    Examen:
  • Mondeling met schriftelijke voorbereiding

  • Schriftelijk werkstuk:
  • met mondelinge toelichting


  • 6. Studiemateriaal

    6.1 Noodzakelijk studiemateriaal

    Ter voorbereiding van het derde college dienen de studenten op voorhand grondig te lezen: J. Derrida, 'La structure, le signe et le jeu dans le discours des sciences humaines.' In: J. Derrida, L'écriture et la différence, Seuil, Paris. Na het introductiecollege krijgen de studenten deze tekst in het Frans en in Engelse vertaling mee. 

    Het overige studiemateriaal wordt ter voorbereiding van de responsiecolleges in afleveringen ter beschikking gesteld via Blackboard.

    INHOUDSOPGAVE INFORMATIEMAPJES

    0.A. Jacques Derrida: de westerse traditie en het schrift

    0.B. Claude Lévi-Strauss: etnografie en romantiek

    0.C. De archaïsch-primitieve cultuur...

    0.D. ...en hoe de mens zich eruit los heeft gescheurd

    0.D.1. irrigatiesystemen

    0.D.2. de stad en het primitieve koningschap

    0.D.3. het schrift

    0.D.3.a. de uitvinding van het schrift

    0.D.3.b. de literaire functie van het (geschreven) woord

    I. De oudheid

    I.A. Proloog -- van Homeros tot Aristofanes

    I.A.1. Het epos

    I.A.1.a. Wie was Homeros? In wat voor tijd leefde hij?

    I.A.1.b. Een eerste genre, een eerste poëtica

    I.A.2. De lyriek

    I.A.2.a. De monodische lyriek

    I.A.2.a.i. Iambische lyriek

    I.A.2.a.ii. De elegie

    I.A.2.a.iii. Sappho's eigenvermaat

    I.A.2.b. Een complexe vorm van koorlyriek: de Pindarische ode

    I.A.3. De presocratici

    I.A.3.a. Het verlangen naar een vaste zijnsgrond

    I.A.3.a.i. De Ionische natuurfilosofen

    I.A.3.a.ii. De Eleaten

    I.A.3.b. Herakleitus

    I.A.4. De sofisten en de radicale democratie in Athene

    I.A.4.a. De sofistische pragmatiek

    I.A.4.a.i. Het postsocratische imago van de sofistiek

    I.A.4.a.ii. Rondtrekkende leraars in de redekunst

    I.A.4.a.iii. Redekunst en pragmatiek

    I.A.4.b. Sofistische politiek: de Atheense democratie

    I.A.5. Het drama in de vijfde eeuw voor Christus

    I.A.5.a. De structurele ontwikkeling van de tragedie

    I.A.5.a.i. Van dithyrambe naar 'klassieke' tragedie

    I.A.5.a.ii. De stadstaat stelt zichzelf ter discussie

    I.A.5.a.iii. Sofokles' Antigone: 'nomoi' vs. 'fysis'

    I.A.5.a.iv. Een politieke crisis

    I.A.5.b. De structurele ontwikkeling van de komedie

    I.A.5.b.i. Van Dionysisch ritueel tot politiek-maatschappelijke satire

    I.A.5.b.ii. Aristofanes' Wolken: lachen met Socrates

    I.B. De vaders van de westerse traditie

    I.B.1. Socrates & Plato, vader(s) van het westerse waarheidsdenken

    I.B.1.a. Plato's Socrates

    I.B.1.b. De Platoonse dialoog

    I.B.1.c. De politieke crisis

    I.B.1.d. Plato's literatuuropvatting

    I.B.1.d.i. Een anti-esthetische theorie

    I.B.1.d.ii. Literatuur en de Staat

    I.B.2. Aristoteles, vader van de westerse literatuurwetenschap

    I.B.2.a. Van 'idee' naar 'essentie'

    I.B.2.b. Aristoteles' literatuuropvatting

    I.B.3. De Latijnse letterkunde

    I.B.3.a. van Plautus via Cicero tot Horatius

    I.B.3.a.i. Rome en de Latijnse letterkunde vóór keizer Augustus

    I.B.3.a.ii. Literatuur als intelligent vermaak

    I.B.3.a.iii. Horatius, Ars poetica

    I.B.3.a.iv. Het geval-Ovidius

    I.B.3.b. De Zilveren Latiniteit

    I.B.3.b.i. Martialis

    I.B.3.b.ii. Iuvenalis

    I.B.3.b.iii. Petronius

    I.B.3.b.iv. Seneca 

    I.B.4. De post-Aristotelische filosofie

    I.B.4.a. Praktische levensleren

    I.B.4.b. Het neo-platonisme

    II. De literatuur van de Middeleeuwen

    II.A. God, de kerk en de gevestigde macht in Rome

    II.A.1. Romeinse keizers en christenen

    II.A.2. De kerkvaders

    II.A.2.a. Ambrosius

    II.A.2.b. Prudentius

    II.B. Van mimesis naar allegoresis

    II.B.1. De erfenis van Origenes: een christelijk neo-platonisme

    II.B.2. Augustinus en Hieronymus

    II.B.2.a. Literatuur en retoriek volgens Augustinus

    II.B.2.a.i. Confessiones

    II.B.2.a.ii. De doctrina christiana

    II.B.2.b. Literatuur en retoriek volgens Hieronymus

    II.B.3. Van de val van Rome tot het jaar 1000

    II.B.3.a. Een literatuur achter kloostermuren

    II.B.3.b. Een culturele revolutie: Karel de Grote en daarna

    II.B.3.b.i. Het christelijk-feodale systeem

    II.B.3.b.ii. Politieke verbrokkeling vs. culturele eenheid en bloei

    II.C. Een alomvattende esthetische ideologie

    II.C.1. Symbolisch-allegorisch lezen

    II.C.1.a. 'God' spreekt op diverse betekenisniveaus

    II.C.1.b. Ook in seculiere teksten spreekt 'God'

    II.C.1.c. De wereld is één tekst

    II.C.1.c.i. De wonderbaarlijke reis van Jan van Mandeville, wetenschapper

    II.C.1.c.ii. Het Boek der Natuur

    II.C.2. Symbolisch-allegorisch schrijven

    II.C.2.a. Ridderepiek

    II.C.2.a.i. De voorhoofse ridderroman

    II.C.2.a.ii. De hoofse ridderroman

    II.C.2.b. Didactisch-wetenschappelijke literatuur

    II.C.2.b.i. Bestiaires

    II.C.2.b.ii. Herbaria, lapidaria etc.

    II.C.2.c. De hoofse liefdeslyriek

    II.C.2.d. Het middeleeuws drama

    II.D. Ontidealiserende literatuur in de christelijke middeleeuwen

    II.D.1. Het profane drama in de vijftiende eeuw

    II.D.1.a. Farce

    II.D.1.b. Sotternie

    II.D.2. Een tegendraadse epiek

    II.D.2.a. De boerde of fabliau

    II.D.2.b. Voor de goede verstaander: het dierepos

    II.E. Le roman de la Rose

    II.E.1. De eerste Roman van de Roos

    II.E.2. De tweede Roman van de Roos

    II.E.3. Een gevoel van gespletenheid: vroeg-kapitalistische 'woeker'

    II.F. Dante en de corruptie van het christelijk-feodale systeem

    II.F.1. Dantes Vita nuova

    II.F.2. De Divina Commedia

    II.F.2.a. Nader tot U, o God! (Met dank aan Beatrice)

    II.F.2.a.i. De symbolisch-allegorische structuur van de tekst

    II.F.2.a.ii. De christelijke recyclage van heidense literatuur

    II.F.2.b. Een dubbel gecodeerde tekst: de Commedia als aanklacht

    III. Van Renaissance tot moderniteit

    III.A. Renaissance

    III.A.1. Nieuwe literaire vormen

    III.A.1.a. Boccaccio en de raamvertelling

    III.A.1.b. Petrarca en het sonnet

    III.A.1.b.i. Ontallegorisering en remythologisering

    III.A.1.b.ii. Giacomo da Lentini, de 'uitvinder' van het sonnet

    III.A.2. Aristoteles herontdekt, verklaard en verbeterd

    III.A.2.a. Drie gevallen

    III.A.2.a.i. L'Orlando furioso

    III.A.2.a.ii. Gerusalemme liberata

    III.A.2.a.iii. Il pastor fido

    III.A.2.b. Rinascimento -- geen terugkeer naar de oudheid

    III.A.2.b.i. Aristoteles vertaalde, verklaard en verbeterd

    III.A.2.b.ii. Een esthetica van de identiteit/oppositie

    III.A.3. Virtù -- een nieuwe mentaliteit

    III.A.3.a. Kennis en macht

    III.A.3.a.i. Filosofie in de Renaissance

    III.A.3.a.ii. Virtù in de alledaagse praktijk

    III.A.3.a.iii. De cultus van het Boek

    III.A.3.a.iv. Il principe: politiek overleven in de renaissance

    III.A.3.b. Een wankele cultuur

    III.A.3.b.i. Pausen, koningen en keizers

    III.A.3.b.ii. Reformatie

    III.A.3.c. De Renaissance buiten Italië: schone schijn?

    III.A.3.c.i. De Grands Rhétoriqueurs

    III.A.3.c.ii. Rabelais

    III.A.3.c.iii. De Pléiade

    III.A.3.c.iv. Renaissance hofcultuur: Frans I

    III.A.3.d. De kapotte droom van Karel V

    III.B. Barok

    III.B.1. De barokkunst als instrument van de contrareformatie

    III.B.1.a. Contrareformatie en artistieke (zelf)censuur

    III.B.1.b. Een centrifugale, tegelijk 'overladen' en 'lege' kunst

    III.B.2. Een 'barokke' crisisliteratuur

    III.B.2.a. Een barokke 'anti-lyriek': Góngora

    III.B.2.b. Epische anti-vormen

    III.B.2.b.i. Het komische heldendicht

    III.B.2.b.ii. De picareske roman

    III.B.2.b.iii. Don Quichotte

    III.B.2.c. Bloederige farcen

    III.B.2.c.i. 'A time out of joint'

    III.B.2.c.ii. Tragische illusies

    III.B.2.c.iii. Een komische illusie

    III.C. Classicisme

    III.C. 1. Een cultuur van regeldwang en categoriseringsdrift

    III.C. 1.a. Het vorstelijk absolutisme

    III.C. 1.a.i. Een pyramidaal gestructureerde maatschappij

    III.C. 1.a.ii. Staatskapitalisme

    III.C. 1.b. Sociale disciplinering, godsdienst en literatuur

    III.C.2. De classicistische poëtica

    III.C.2.a. Vraisemblance

    III.C.2.b. Een perverse vorm van idealisering

    III.C.3. De filosofie van het classicisme

    III.C.3.a. Descartes en het classicisme

    III.C.3.a.i. Een eerste filosofie van het soevereine subject

    III.C.3.a.ii. Het 'cogito' en 'de menselijke natuur'

    III.C.3.b. L'art poétique

    III.C.3.b.i. 'Le bon goût'

    III.C.3.b.ii. De roman: een parvenu-genre

    III.D. Verlichting

    III.D.1. Van passivisme naar activisme

    III.D.1.a. Het scepticisme als wegbereider van de Verlichting

    III.D.1.a.i. John Locke

    III.D.1.a.ii. Berkeley

    III.D.1.a.iii. David Hume

    III.D.1.b. Het geloof in de verlichte rede

    III.D.2. Verlichte rede en literatuur

    III.D.2.a. De formeel-realistische roman

    III.D.2.a.i. Een onzuiver 'genre'

    III.D.2.a.ii. Een dynamisch, autokritisch 'genre'

    III.D.2.b. Het burgerlijk drama

    III.D.2.b.i. Anti-classicisme

    III.D.2.b.ii. 'Gevoel' en 'rede' in Minna van Barnhelm

    III.E. Romantiek

    III.E.1. De vroege romantiek

    III.E.1.a. Twee filosofische wegbereiders

    III.E.1.a.i. Rousseaus filosofie van de interioriteit

    III.E.1.a.ii. Kant en de esthetische 'weg terug'

    III.E.1.b. Herder en de romantische esthetische ideologie

    III.E.2. De grote romantiek

    III.E.2.a. De triomf van zijne majesteit het Ik

    III.E.2.a.i. Het absoluut-soevereine subject als schepper

    III.E.2.a.ii. De titanische mens 'verlost' zichzelf

    III.E.2.b. Het autonoom scheppende subject in/en de literatuur

    III.E.2.b.i. De romantische mythe van het totaalwerk

    III.E.2.b.ii. Romantische metaforen

    III.E.2.c. De onmogelijkheid van de romantiek

    III.E.2.c. [Paul de Man]

    III.E.2.c. [De Gothische verbeelding]

    III.E.3. Epiloog -- Postromantiek en moderniteit

     



    6.2 Facultatief studiemateriaal

    Het volgende studiemateriaal kan vrijblijvend bestudeerd worden.

    M.A. Abrams, 'Theories of Poetry.' In: Princeton Encyclopedia of Poetry And Poetics, Princeton UP, Princeton, 1974, p.639-649.

    J. den Boeft, F. Brandsma & T. Hoendelaars [eds.], Denken over dichten: dertig eeuwen poëticale reflectie, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994.

    P. Bourdieu, Les règles de l'art, Seuil, Paris, 1998.

    J. Derrida, De la grammatologie, Minuit, Paris, 1967.

    D. DeLillo, Mao II, Viking Penguin, New York, 1991.
    L. Dolezel, Occidental Poetics: Tradition and Progress , 1990.

    G.J. Dorleijn & K. van Rees [eds.], De productie van literatuur. Het literaire veld in Nederland 1800-2000, Vantilt, Nijmegen, 2006.

    D. Duff [ed.], Modern Genre Theory, Longman, Harlow, 2000.

    W. Harmon [ed.], Classic Writings on Poetry, Columbia UP, New York - Chichester, 2003.

    G.M. Ledbetter , Poetics before Plato: Interpretation and Authority in Early Greek Theories of Poetry,
    V.B. Leitch [ed.], The Norton Anthology Of Theory And Criticism, W.W. Norton & Co, xxx, 2001.

    G.S. Morson, 'Contingency and Poetics.' In: Philosophy and Literature, XXII (1998), 2, p.286-308.

    S.J. Schmidt, Die Selbstorganisation des Sozialsystems Literatur im 18. Jahrhundert, Suhrkamp, Frankfurt am Main, 1989.

     




    7. Contactgegevens en begeleiding

    Kris Humbeeck

    bezoekadres: Lange Winkelstraat 40 (vlakbij Ossenmarkt), 1ste verdieping, L.P. Boon-documentatiecentrum

    telefoon: 0032-3-2655224

    e-mail: kris.humbeeck@ua.ac.be
    (+)laatste aanpassing: 07/11/2009 16:44 kris.humbeeck