Personen | Personen nieuwe site | Google | Route | Contact Login 
Opleidingsonderdelen 2012-2013  
    
Te behalen diploma
Om het diploma van bachelor of Arts in de geschiedenis te behalen moet de student
  • ingeschreven zijn voor deze opleiding onder een diplomacontract of examencontract met het oog op het behalen van een diploma
  • alle examens hebben afgelegd die horen bij zijn/haar opleidingsprogramma
  • zich voor dat opleidingsprogramma geregistreerd hebben bij de examencommissie
  • tenminste 180 studiepunten hebben verworven. 
De opleiding heeft een studieomvang 180 studiepunten.
Per academiejaar worden in een modeltraject tussen 54 en 66 studiepunten opgenomen.
Toelatingsvoorwaarden
een diploma van het secundair onderwijs, van het hoger onderwijs, van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid,  of van een diploma of getuigschrift dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig met één van de voorgaande diploma’s wordt erkend.

Doelstellingen - eindtermen
Kerncompetenties
Bachelors in de geschiedenis
  • [kerncompetentie 1: historisch referentiekader] hebben een aantoonbare basiskennis van fundamentele ontwikkelingen binnen de wereld- en Europese geschiedenis sinds de Oudheid en de vaardigheid om deze kennis in functie van de eigen chronologische, geografische of thematische specialisatie op efficiënte wijze uit te breiden
  • [kerncompetentie 2: historisch-kritisch denken] beschikken over een sterk probleemstellend vermogen. Ze kunnen vanuit een originele onderzoeksvraag die ze onder begeleiding ontwikkeld hebben een status quaestionis van het historische debat formuleren. Daarop voortbouwend zijn ze in staat om een veelheid aan tekstuele en niet-tekstuele informatie op historisch-kritische wijze te lokaliseren, selecteren, analyseren, synthetiseren en te communiceren (zowel schriftelijk als mondeling) naar een gespecialiseerd en niet-gespecialiseerd publiek
  • [kerncompetentie 3: onderzoeksvaardigheden] kunnen bij het analyseren van historische en actuele problemen de belangrijkste historische onderzoeksmethodes en hulpwetenschappen op efficiënte wijze toepassen, vertrekkend vanuit de spatio-temporele eigenheid van het bronnenmateriaal
  • [kerncompetentie 4: multi-disciplinariteit] kunnen historische ontwikkelingen verklaren door hun historische inzicht te combineren met relevante theorieën en inzichten uit andere disciplines, in het bijzonder uit de mens- en gedragswetenschappen
  • [kerncompetentie 5: plaats in de maatschappij] hebben inzicht in de plaats en de rol van het verleden in bredere maatschappelijke ontwikkelingen (van lokaal tot globaal) en in de relatie tussen enerzijds het historisch onderzoek en de historische methode en anderzijds de aanwezigheid en functie van het verleden en geschiedenis in de populaire cultuur, de media, de politiek, het onderwijs enzovoort. Ze slagen er ook in het historisch-kritisch denken toe te passen in hun werkveld en het maatschappelijke debat in brede zin 
De bovenstaande kerncompetenties werden verder uitgewerkt in een lijst van 24 competenties die samen een geheel van vakkennis, vaardigheden en attitudes vertegenwoordigen.

Bachelors in de geschiedenis

[Kerncompetentie 1: historisch referentiekader]
1A. beschikken over een basiskennis van de wereldgeschiedenis in het algemeen, en van de Westerse culturele traditie van de Oudheid tot heden en de filosofische inzichten binnen die traditie in het bijzonder;
1B. beschikken over parate historische feitenkennis en inzichten vanuit een sterk ruimtelijk, chronologisch en thematisch referentiekader, en over een uitgediepte kennis van een periode en domein (sociaaleconomische, culturele of politieke geschiedenis);
1C. tonen een voortdurende wetenschappelijke nieuwsgierigheid naar historische kennis en hebben de vaardigheden om hun kennis van en inzicht in historische fenomenen efficiënt uit te breiden.

[Kerncompetentie 2: historisch-kritisch denken]
2A. hebben de kennis, vaardigheid en attitude om kritisch en historisch contextualiserend te denken;
2B. kunnen een eenvoudige historische vraagstelling ontwikkelen en uitwerken tot een wetenschappelijke studie;
2C. kunnen de wetenschappelijke debatten uit de internationale vakliteratuur begrijpen en opvolgen (in het Nederlands, Engels en Frans);
2D. kunnen zich op basis van de informatie, verzameld uit een veelheid van informatiekanalen en bronnen, een coherent beeld vormen van de status quaestionis van een bepaald historisch probleem, debat of concreet onderwerp;
2E. hebben een basiskennis van de historische kritiek, de historiografie, de voornaamste historische hulpwetenschappen en de voornaamste heuristische hulpinstrumenten;
2F. kunnen de basisprincipes van de historische methode toepassen op concrete historische en actuele vraagstukken en bronnen;
2G. hebben een sterk ontwikkelde kritische attitude ten aanzien van overgeleverde kennis, opinies, methodes, theorieën, modellen en concepten, de historiciteit van taal en ten aanzien van de diverse bronnen en informatiedragers ervan;
2H. hebben de attitude om actief deel te nemen aan het wetenschappelijke debat binnen hun discipline.

[Kerncompetentie 3: onderzoeksvaardigheden]
3A. beschikken over een basiskennis van en inzicht in historische hulpwetenschappen en kunnen die kennis en dat inzicht efficiënt uitbreiden;
3B. kunnen hulpwetenschappen toepassen die onontbeerlijk zijn voor historisch wetenschappelijk onderzoek, zoals bijvoorbeeld paleografie, iconografie en  kwantitatieve methoden;
3C. hebben een basiskennis van de (historische) informatiekunde voor heuristische, analytische en communicatieve doeleinden;
3D. kunnen zowel zelfstandig werken als in teamverband;
3E. kunnen de onderzoeksvaardigheden ook toepassen buiten het eigen vakgebied;
3F. kunnen zeer goed analyseren, synthetiseren en complexe dossiers helder en correct verwoorden, zowel schriftelijk als mondeling, voor een publiek van specialisten en niet-specialisten;
3G. kunnen de eigen deskundigheid actueel houden in een proces van levenslang leren.

[Kerncompetentie 4: multi-disciplinariteit]
4A. beschikken over een basiskennis van en elementaire inzichten in het brede domein van de gedrags- en menswetenschappen, zoals onder meer de sociale wetenschappen, de economie, de filosofie en de sociale geografie, en kunnen inzichten uit de gedrags- en cultuurwetenschappen integreren in het historisch onderzoek;
4B. hebben een open geest, leergierige attitude en grote alertheid voor recente ontwikkelingen binnen het eigen vakgebied, de gedrags- en menswetenschappen en de samenleving in het algemeen.

[Kerncompetentie 5: plaats in de maatschappij]
5A. tonen een grote algemene interesse voor de actuele samenleving en hebben vooral historisch inzicht verworven in verschillende fundamentele ontwikkelingen en trends binnen belangrijke sectoren van het actuele maatschappelijke en culturele leven;
5B. zijn in staat om op basis van hun kennis en vaardigheden en vanuit een historische invalshoek deel te nemen aan het bredere maatschappelijke debat;
5C. zijn in staat om historische kennis en vaardigheden flexibel toe te passen op situaties buiten het academische historische kader;
5D. hebben zich een genuanceerde en respectvolle houding ten opzichte  van de maatschappelijke en levens-beschouwelijke pluraliteit van de actuele samenleving eigen gemaakt.
Toegang tot verdere studies
Een bachelor diploma geeft rechtstreeks toegang tot ten minste één masteropleiding.

Eindexamen
Het eindtotaal van een student is een gewogen gemiddelde van de examenresultaten die de student behaalde op alle opleidingsonderdelen van zijn/haar opleidingsprogramma. 

Voor het berekenen van het eindtotaal worden de studiepunten van de corresponderende opleidingsonderdelen gebruikt als gewichten van de examenresultaten.
 
Het eindtotaal wordt uitgedrukt in gehele punten op 100.

Een student die een eindtotaal van minder dan 50 op 100 heeft behaald, kan nooit geslaagd worden verklaard.

Een student is geslaagd voor het geheel van zijn/haar opleiding als hij/zij voor alle opleidingsonderdelen van zijn/haar opleidingsprogramma een creditbewijs heeft behaald.
 
De examencommissie kan een student die niet voor alle opleidingsonderdelen een creditbewijs heeft behaald geslaagd verklaren op grond van het feit dat ze gemotiveerd van oordeel is dat de doelstellingen van de opleiding globaal verwezenlijkt zijn.

Voor meer informatie zie het Onderwijs- en Examenreglement.
ECTS-coördinator

Prof. dr. H. De Smaele, henk.desmaele@ua.ac.be