Het landschap voor hoger onderwijs is momenteel in een voortdurende mutatie. Terwijl het debat over de globale structuur van het tertiair onderwijs in Vlaanderen wordt gevoerd, en de geacademiseerde opleidingen van de hogescholen hun finale plaats nog zoeken, treden alvast de Vlaamse universiteiten niet langer uitsluitend op in een Vlaamse context.
De Europese context wordt in de eerste plaats bepaald door de toenemende competitie voor het aantrekken van studenten, vorsers en onderzoeksmiddelen en de hiervan afgeleide kennis. Het Europese beleid inzake wetenschappelijk onderzoek en onderwijs bepaalt in toenemende mate ook het Vlaamse onderwijs-, onderzoeks- en innovatiebeleid. Uit het debat dat op Europees niveau met de universiteiten en onderzoeksinstellingen wordt gevoerd, blijkt alvast één boodschap duidelijk: in de eerste plaats bepaalt de kwaliteit en de kwantiteit van het onderzoek van een universiteit haar positie en haar aantrekkingskracht, en dus, finaal, haar voortbestaan als universiteit zelf. De Europese landen volgen vooralsnog niet het voorbeeld van Groot-Brittannië om twee soorten van universiteiten te onderscheiden en te financieren (“research based universities” versus “educational universities”), maar mogelijk zullen ook in Europa de facto verschillende types van universiteiten ontstaan. Daarbij zullen de “onderzoeksgedreven universiteiten” de beste studenten, de beste onderzoekers en de meeste onderzoeksgelden aantrekken. Door dit Mattheüseffect zullen enkel zij in een opwaartse spiraal terechtkomen. Het beeld van een universiteit wordt nu al in steeds toenemende mate bepaald door haar plaats in rankings, die veelal steunen op de wetenschappelijke productie en de zichtbaarheid ervan. Om zich verder te kwalificeren als “onderzoeksuniversiteit” moet de Universiteit Antwerpen dan ook opteren voor een krachtig onderzoeksbeleid. Het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek als basis van het academisch onderwijs vormt één van de drie basiszendingen van de universiteit (naast academisch onderwijs en wetenschappelijke en maatschappelijke dienstverlening). Zoals blijkt, is net dit onderzoek van wezensbelang voor de eigenheid van de universiteit. Ieder staflid van de universiteit wordt dan ook geacht onderzoek uit te voeren. De universiteit beschikt zelf niet over zeer veel middelen om het onderzoek te sturen en te ondersteunen, zodat externe onderzoeksfinanciering van groot belang is. Het Administratief Departement Onderzoek (ADOC) wil zo goed mogelijk informeren en ondersteunen om externe middelen ter ondersteuning van het onderzoek te bekomen. Hierbij kan zowel het fundamenteel, kennisgrensverleggend onderzoek worden beoogd, als het basis- en toegepast onderzoek of nog het beleidsvoorbereidend onderzoek. Afhankelijk van het niveau, en soms ook van de omvang van de onderzoekseenheid, kan het onderzoek zich op een zaainiveau, op gevestigd niveau of op excellentieniveau situeren. De Universiteit Antwerpen beschikt ook over interne fondsen voor de financiering van onderzoek. De Onderzoeksraad adviseert het instellingsbestuur over het gebruik van het Bijzonder Onderzoeksfonds, waarmee alle niveaus van het fundamenteel onderzoek worden ondersteund, doorgaans na een open, competitieve intra-universitaire oproep. De Raad voor het Industrieel Onderzoeksfonds en het Innovatiebeleid adviseert over het gebruik van het Industrieel Onderzoeksfonds, dat de steun van het basisonderzoek als doelstelling heeft. Beide fondsen bieden ook beperkte mogelijkheden voor beperkte, tijdelijke of vaste, personele ondersteuning.
De gehele kennisketen wordt initieel uit het fundamenteel onderzoek gevoed, en leidt in sommige gevallen tot een vinding, die als basis voor economische innovatie tot valorisatie kan leiden. Tijdige bescherming van de intellectuele eigendomsrechten is hiervoor een noodzakelijke en voorafgaande voorwaarde. Hierbij kunnen de leden van de interfacedienst u adviseren. Zowel de projectfinanciering als het geheel van het wetenschappelijk onderzoek is aan evaluatie onderhevig. De externe financier legt doorgaans de eerste op, de universiteit zelf organiseert de decretaal verplichte systematische disciplinegewijze kwaliteitszorg. Hiervoor is een achtjarig schema van toepassing en de praktische organisatie berust bij het departement onderzoek. Over alle aspecten van de onderzoeksfinanciering en het onderzoeksbeleid kan u op de webstek onderzoek van de Universiteit Antwerpen meer informatie aantreffen. Voor verdere vragen staan de medewerkers van het departement onderzoek genoeg tot uw dienst.
Onderzoeksoutput De neerslag van de kenniscreatie die het gevolg is van het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek, de ‘output’ ervan, is steeds een punt van bijzondere belangstelling geweest. Voorheen evenwel meestal uit het oogpunt van de opbouw van het wetenschappelijk curriculum van de vorser, en dit met het oog op het belang ervan bij de uitbouw van zijn verdere academische loopbaan. Sedert enkele jaren evenwel heeft de overheid ook voor de universiteit tastbare gevolgen aan de omvang en de kwaliteit van de wetenschappelijke productie van haar vorsers verbonden. Vlaanderen loopt inderdaad in het koppeleton voor wat betreft het koppelen van onderzoeksfinanciering aan meetbare onderzoeksprestaties. Vandaar ook dat in het beleidsplan van de rector in het algemeen en in het actieplan onderzoek in het bijzonder sterk de nadruk wordt gelegd op een stimuleringsbeleid dat gericht is op een aangroei van de productie van ons onderzoek, niet alleen absoluut, maar ook relatief in Vlaanderen, gezien de meeste onderzoeksfondsen volgens het systeem van een relatief aandeel van elke universiteit in een gesloten enveloppe worden gefinancierd. Voor de interuniversitaire verdeelsleutel der middelen voor het Bijzonder Onderzoeksfonds zijn zo van belang: het aantal afgeleverde bachelor- en masterdiploma’s, het aantal afgeleverde doctoraten, het aantal publicaties en de citaties ernaar in de Web of Science databanken. Vanaf 2011 zal ook de in het Vlaams Academische Bibliografisch bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen worden meegerekend. De sleutel voor het BOF wordt ook in een aantal andere belangrijke verdeelmechanismen gehanteerd: zo voor de toewijzing van de kredieten voor Methusalem, voor de Interuniversitaire Attractiepolen en voor de Hercules-fondsen. Daarnaast vormen de criteria die de BOF-sleutel sturen, ook de basis voor de verdeling van het variabel onderzoeksgedeelte van de werkingstoelage. Naast de hoger genoemde elementen, worden bij de verdeling van de middelen voor de Industriële Onderzoeksfondsen ook het geheel van de contractuele inkomsten van de private sector, het aantal aangevraagde en toegekende patenten, de participatie in het Europese Kaderprogramma voor Onderzoek en Ontwikkeling en het aantal opgerichte spin off’s in rekening genomen.
Academische bibliografie Informatie over wetenschappelijke publicaties kan u opzoeken in de databank Academische Bibliografie. Voor aanvullende informatie kan je contact opnemen met Rudi Baccarne, email rudi.baccarne@ua.ac.be, telefoon 03 2654971.
|