Traditionele grammatica's, en ook eigentijdse modellen van grammatica in de taalkunde, beschouwen grammaticale categorieën doorgaans als louter vormelijke lapmiddelen die zorgen voor de welgevormdheid van de zinnen die we uitspreken (of neerschrijven), maar die zelf weinig bijdragen tot hun eigenlijke betekenis. Nochtans kunnen zelfs zulke formalistische benaderingen niet voorbij de evidente relaties tussen het (veelal strikt gereguleerde) gebruik van grammaticale categorieën en de schijnbaar universele noodzaak om onze uitingen, en delen van onze uitingen, te situeren in ruimte en tijd. Deze relaties worden echter in concrete analyse systematisch verarmd tot mathematische modellen van simpele correspondenties tussen grammaticale uitdrukkingen en hun referenten in de fysieke wereld. Zo zouden grammaticale tijden, die ook min of meer universeel lijken voor te komen in natuurlijke taal, enkel fungeren als operatoren die een propositie, als de logische voorstelling van een stand van zaken, projecteren op een bepaald punt of interval op de tijdlijn. Grammaticale tijden, met andere woorden, dienen in zo'n aanpak uitsluitend om uit te drukken wanneer een stand van zaken zich in de werkelijkheid voordoet.
Wanneer men echter uitgaat van een cognitieve taaltheorie, waarin de grammatica eerder wordt gezien als een middel om conceptueel materiaal op betekenisvolle wijze te organiseren, dan kan men vlug merken dat ook de zogenaamde werkwoordstijden zich niet beperken tot de aanduiding van locaties in de tijd. Want wat moeten we dan met de vele oneigenlijke gebruiken van tijden die verwijzen naar andere temporele domeinen dan wat hun naam zou suggereren (een tegenwoordige tijd, bijvoorbeeld, die naar de toekomst of het verleden verwijst, enz.)? En wat met het uiterst gevarieerde aanbod aan "imaginaire" gebruiken van werkwoordstijden, van het formuleren van hypothetische werelden tot en met het curieuze en creatieve gebruik van tijden in het spelgedrag van jonge kinderen? Werkwoordelijke tijden spelen zelfs een rol in de manifestatie van diverse vormen van beleefdheid en andere componenten van sociale betekenis. Bovendien moeten ook formele semantische modellen van grammaticale tijd erkennen dat een begrip als "referentiepunt" een noodzakelijk instrument is in de beschrijving van minstens een deel van de geattesteerde werkwoordsvormen -- dat deel dat, zoals de voltooide tijden, in zijn analyse eerder om drie dan om twee verschillende temporele "momenten" vraagt.
Opnieuw gaat een cognitieve grammatica hier een stapje verder en poneert dat de constructie van referentiepunten, en dus een zekere notie van perspectivering, eigen is aan alle vormen van grammaticale betekenis. Meer nog, de essentie van grammaticale betekenis in het algemeen, en dus ook van die van werkwoordstijden in het bijzonder, ligt net in de houding die een spreker aangeeft of "toont" ten opzichte van wat (gelijktijdig) door hem of haar feitelijk wordt gezegd, en uit die houding spreekt in de eerste plaats een bekommernis om hoe vertrouwd of bekend iets wordt ervaren, en niet zozeer om waar dat iets zich dan wel zou bevinden, in de ruimte of in de tijd. Grammatica is dus erg betekenisvol, als de plaats bij uitstek waar men het talige bewustzijn structurerend aan het werk kan zien. En een categorie als grammaticale tijd valt geenszins te herleiden tot een wiskundige functie tussen taal en realiteit, maar dient psychologisch te worden ingevuld, met gepaste aandacht voor de interesses (in de Kantiaanse zin) van een sprekend subject. |